<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2019:3019</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-13T09:30:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WAHV 200.220.362</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_strafprocesrecht">Strafrecht; Strafprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:3019">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:3019</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-13T09:29:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2019:3019 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 04-04-2019 / WAHV 200.220.362</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2019:3019:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Twee machtigingen in het dossier met onderlinge verschillen. Het hof oordeelt dat redelijkerwijs geen twijfel is of de (pretens) gemachtigde optrad namens de betrokkene. De kantonrechter heeft de machtigingen niet ontoereikend kunnen achten. Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2019:3019:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">WAHV 200.220.362</emphasis>
    </para>
    <para>4 april 2019</para>
    <parablock>
      <para>CJIB 194631162</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">zittingsplaats Leeuwarden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <para>op het hoger beroep tegen de beslissing</para>
    <para>van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland</para>
    <para>van 29 juni 2017</para>
    <para>betreffende</para>
    <para>mr. [A] ,</para>
    <parablock>
      <para>kantoorhoudende te [B] ,</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>beweerdelijk optredende voor </para>
      <para>
        [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), <?linebreak?>wonende te [C] .</para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Het procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Mr. [A] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. <?linebreak?>Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling</title>
    <para>1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet is gebleken dat mr. [A] is gemachtigd om de betrokkene in rechte te vertegenwoordigen. De kantonrechter heeft geconstateerd dat zich in het dossier diverse machtigingen bevinden, waarop handtekeningen van - naar verluidt - de betrokkene staan, die duidelijk van elkaar verschillen. Ter zitting van 31 januari 2017 heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak aangehouden teneinde mr. [A] in de gelegenheid te stellen om binnen vier weken na verzending van het proces-verbaal een nieuwe machtiging over te leggen, alsmede een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de betrokkene. Er is echter geen nieuwe machtiging toegezonden, maar slechts een kopie van een legitimatiebewijs.</para>
    <para />
    <para>2. Mr. [A] voert aan dat de handtekeningen onder de overgelegde machtigingen helemaal niet duidelijk van elkaar verschillen. De ene machtiging is met pen op papier ondertekend en de andere is digitaal ondertekend. Voor het verlangen van een kopie van een identiteitsbewijs bestond dan ook geen aanleiding. Desondanks heeft hij een kopie van het rijbewijs van de betrokkene overgelegd. Er was dus geen enkele reden voor de kantonrechter om te twijfelen aan de volmacht. </para>
    <para />
    <para>3. Mr. [A] heeft bij zijn administratief beroepschrift een machtiging d.d. <?linebreak?>18 februari 2016 overgelegd. Deze machtiging bevat een digitaal getekende handtekening. Vervolgens heeft mr. [A] een met de hand ondertekende machtiging d.d. 20 februari 2016 overgelegd. Het hof stelt vast dat de onder de bovengenoemde machtigingen geplaatste handtekeningen weliswaar iets van elkaar verschillen, maar is van oordeel dat deze verschillen kunnen worden verklaard door de wijze van ondertekening. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat in beide machtigingen het onderhavige CJIB-nummer is vermeld en een kopie van het rijbewijs van de betrokkene is overgelegd, bestaat naar het oordeel van het hof redelijkerwijs geen twijfel dat mr. [A] optrad namens de betrokkene. De kantonrechter heeft de machtigingen dan ook niet ontoereikend kunnen achten.</para>
    <para>4. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene. </para>
    <para />
    <para>5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “voertuig laten staan in een park, plantsoen of op openbare beplantingen of groenstroken”, welke gedraging zou zijn verricht op 14 december 2015 om 7:50 uur op de Rijksweg te Santpoort-Noord met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .</para>
    <para />
    <para>6. De gemachtigde voert aan dat het zaakoverzicht niet heeft te gelden als een ambtsedige verklaring. Nu er in deze zaak geen rechtsgeldige bewijsstukken zijn, althans geen stukken waaraan de betekenis kan worden toegekend die aan een ambtsedige verklaring kan worden toegekend, had de inleidende beschikking niet, althans niet met de gegeven motivering, in stand mogen blijven. Voorts voert de gemachtigde aan dat het voertuig in een tot de weg behorende berm stond.</para>
    <para />
    <para>7. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de officier van justitie in de motivering van zijn beslissing de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht ten onrechte heeft aangemerkt als een ambtsedige verklaring. Tot vernietiging van deze beslissing behoeft dit echter niet te leiden. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften stelt namelijk niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. De vaststelling dat een gedraging is verricht kan ook worden gebaseerd op de gegevens in het zaakoverzicht. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.</para>
    <para />
    <para>8. Het zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens: </para>
    <para>"Ik zag dat het voertuig stond in/op een niet van de weg deel uitmakende groenvoorziening, niet zijnde een berm."</para>
    <para>9. De gemachtigde stelt dat het voertuig van de betrokkene in de berm stond, maar heeft niet onderbouwd waarom de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond als berm moet worden aangemerkt. De enkele stelling dat sprake is van een berm is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in het zaakoverzicht. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat deze gegevens niet juist zijn. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dus terecht ongegrond verklaard. Het tegen die beslissing ingestelde beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt <?linebreak?>€ 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,25 toegepast (gewicht van de zaak = zeer licht, de betrokkene wordt slechts ter zake van de machtigingskwestie in het gelijk gesteld). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 128,-.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 128,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>