<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2019:10897</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-18T08:24:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.269.089/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:10897">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:10897</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-18T08:23:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2019:10897 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-12-2019 / 200.269.089/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2019:10897:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek afgewezen. De door het hof gegeven beslissing om de behandeling te schorsen en een last tot toevoeging van een raadsman ex artikel 509c Sv te geven is niet onbegrijpelijk. Geen schijn van vooringenomenheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2019:10897:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.269.089/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van 17 december 2019 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het schriftelijke verzoek van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>thans verblijvende in het [B] te [C] ,</para>
      <para>verzoeker in het wrakingsincident,</para>
      <para>hierna: verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mrs. J. Dolfing, J. Hielkema en E.M.J. Brink</emphasis>,</para>
      <para>raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,</para>
      <para>verweerders in het wrakingsincident.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure <?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In het hoger beroep in de strafzaak met parketnummer 21-005585-19 heeft het hof ter terechtzitting van 11 november 2019 last gegeven tot toevoeging van een advocaat aan verzoeker en het onderzoek ter terechtzitting vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst.  <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Verzoeker heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 november 2019, een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren. Het namens verzoeker door mw. [D] ingediende wrakingsverzoek, gedateerd op 11 november 2019, zal, op verzoek van verzoeker, als bijlage aan het door verzoeker gedane wrakingsverzoek worden gehecht en maakt in zoverre onderdeel uit van het dossier in de wrakingsprocedure. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Mr. Dolfing heeft (mede namens mrs. Hielkema en Brink) bij e-mailbericht van 5 december 2019 laten weten niet in de wraking te berusten en niet de wens te hebben om te worden gehoord.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>Het wrakingsverzoek is ter zitting van 12 december 2019 behandeld door de wrakingskamer. </para>
        <para>Verzoeker is bij deze behandeling verschenen en heeft zijn verzoek mondeling toegelicht. Daarnaast is door verzoeker een schriftelijke uitwerking, gedateerd op 12 december 2019, aan de wrakingskamer overhandigd. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>De schriftelijke uitwerking van verzoeker, gedateerd op 12 december 2019, zal door de wrakingskamer bij de beoordeling worden betrokken voor zover daarin een nadere toelichting wordt gegeven op de hierna genoemde wrakingsgronden. Voor zover daarin nog andere (en dus nieuwe) wrakingsgronden staan vermeld, worden die als niet-tijdig terzijde geschoven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling van het verzoek<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij mrs. Dolfing, Hielkema en Brink wraakt, omdat: </para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>hem het recht is ontnomen om zijn echtgenote, mw. [D] , als zijn raadsvrouw aan te wijzen; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>op hem, als staatloos burger, de regels van de Staat der Nederlanden niet van toepassing zijn; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>hij niet de kans heeft gekregen "zijn onschuld te bewijzen"; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de zaak niet inhoudelijk is behandeld en er geen hoor en wederhoor is toegepast;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de uitspraak niet officieel aan hem kenbaar is gemaakt, behalve mondeling tijdens de zitting; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de procedure onvoldoende transparant is verlopen, omdat de zitting niet door middel van het digitale scherm in de hal van het Gerechtshof is aangekondigd. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De wrakingskamer stelt voorop dat de eerste te beantwoorden vraag is of een  aangevoerde wrakingsgrond een raadsheer betreft die bij indiening van het verzoek de zaak behandelt. Aangezien de onder 2) en 6) aangevoerde gronden geen betrekking hebben op de raadsheren die deze zaak behandelen, moeten die gronden reeds om die reden tot afwijzing leiden. Een inhoudelijke beoordeling van die gronden kan dan ook achterwege blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Voor wat betreft de onder 1), 3), 4) en 5) aangevoerde gronden overweegt de wrakingskamer als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat dit het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Verder is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden (vgl. Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Voor zover verzoeker het niet eens is met de beslissing van het hof om de behandeling te schorsen en een last tot toevoeging van een raadsman ex artikel 509c Sv te geven, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 509a lid 1 Sv, heeft te gelden dat de door het hof gegeven beslissing niet onbegrijpelijk is. Dat maakt dat zich niet voordoet de situatie dat aan het nemen van die beslissing geen ander motief ten grondslag kan liggen dan vooringenomenheid, althans dat die schijn redelijkerwijs is gewekt. De beslissing van het hof om de echtgenote van verzoeker niet toe te laten de verdediging voor hem te voeren, is gebaseerd op het (proces)rechtelijk systeem dat in zaken als deze slechts een (formeel ingeschreven) advocaat als raadsman/raadsvrouw wordt toegelaten en de echtgenote nu eenmaal geen advocaat is. Nu ook overigens niet van feiten of omstandigheden is gebleken die blijk geven van enige vooringenomenheid en evenmin van feiten en omstandigheden die objectief gezien die schijn wekken, dient het verzoek tot wraking op de onder 1) aangevoerde grond te worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>De door verzoeker onder 3), 4) en 5) aangevoerde gronden vormen geen grond voor wraking. Anders dan waarvan verzoeker lijkt uit te gaan, blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 november 2019 dat de inhoudelijke behandeling van de zaak van verzoeker nog moet plaatsvinden. Het onderzoek ter terechtzitting is voor onbepaalde tijd geschorst, omdat het hof bijstand van een professionele advocaat in deze zaak aangewezen acht. Deze beslissing is niet alleen ter terechtzitting kenbaar gemaakt, maar tevens neergelegd in het proces-verbaal dat van die terechtzitting is opgemaakt. Van het niet officieel bekend maken van deze beslissing, alsmede het onthouden aan verzoeker van de mogelijkheid om "zijn onschuld te bewijzen", is dan ook geen sprake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>De conclusie uit het voorgaande is dat de aangevoerde feiten noch afzonderlijk, noch in onderling verband en samenhang bezien, grond vormen voor wraking, zodat de wrakingskamer het verzoek daartoe zal afwijzen.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof (wrakingskamer):<?linebreak?></para>
      <para>wijst het verzoek tot wraking van mrs. Dolfing, Hielkema en Brink af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. W.P.M. ter Berg, O. Anjewierden en H. de Hek, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>