<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2019:10440</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T13:12:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Wahv 200.232.462/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2020/68</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:10440">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:10440</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-15T07:40:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2019:10440 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 05-12-2019 / Wahv 200.232.462/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2019:10440:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De omstandigheid dat (mogelijk) niet tijdig beroep is ingesteld, doet niet af aan de verplichting van de officier van justitie om op grond van artikel 7:18, vierde lid, Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden. </para>
        <para>Het - als op de zaak betrekking hebbende stuk aan te merken - zaakoverzicht bevat bovendien gegevens over de datum van de verzending van de inleidende beschikking en de ontvangst van het beroepschrift die relevant kunnen zijn voor daarop betrekking hebbende verweren.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2019:10440:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN  </bridgehead>
    <para>zittingsplaats Leeuwarden</para>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Zaaknummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: Wahv 200.232.462/01</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 202132423 </para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>Uitspraak d.d.</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>: 5 december 2019</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Arrest</emphasis> op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 29 november 2017, betreffende</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),</bridgehead>
    <para>wonende te [A] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling</title>
    <para>1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist. </para>
    <para />
    <para>2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de  kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens schending van de informatieplicht. De betrokkene is in zijn verdedigingsbelangen geschaad nu hij zich bij gebreke van de zaakstukken noch deugdelijk kon verweren tegen de inleidende beschikking, noch ervan op de hoogte kon zijn geweest dat het administratief beroepschrift buiten de beroepstermijn was ontvangen, aldus de gemachtigde.  </para>
    <para />
    <para>3. De gemachtigde heeft in het administratief beroepschrift verzocht om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de officier van justitie gehouden deze stukken te verstrekken. De omstandigheid dat (mogelijk) niet tijdig beroep is ingesteld doet daaraan niet af. In dit verband overweegt het hof dat het -als op de zaak betrekking hebbende stuk aan te merken- zaakoverzicht ook gegevens bevat over de datum van de verzending van de inleidende beschikking en de ontvangst van het beroepschrift die relevant kunnen zijn voor daarop betrekking hebbende verweren.  </para>
    <para>4. Nu niet blijkt dat het zaakoverzicht voorafgaand aan de beslissing op het administratief beroep aan de gemachtigde is  toegezonden, heeft de officier van justitie niet aan de informatieplicht voldaan.</para>
    <para />
    <para>5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, ook die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter en die van de officier van justitie behoeven geen bespreking meer.</para>
    <para />
    <para>6. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 van de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. </para>
    <para />
    <para>7. De inleidende beschikking is op 25 oktober 2016 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde op 6 december 2016. Het beroepschrift is gedateerd 6 december 2016. Op de envelop waarin het beroepschrift is verzonden is een stempel geplaatst met de mededeling “Binnengekomen 16/12/16 CVOM Utrecht.” Op die enveloppe staat geen leesbaar poststempel van PostNl.</para>
    <para />
    <para>8. De gemachtigde heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Uit zijn administratie blijkt dat het beroepschrift op 6 december 2016 ter post is bezorgd. In het dossier bevindt zich slechts een scan van de enveloppe waarin het beroepschrift is verzonden. Daarom is geen poststempel zichtbaar. De gemachtigde is van mening dat het op de scan gestelde stempel, dat de postkamer van het Parket CVOM de enveloppe op 16 december 2016 heeft verwerkt, niet kan dienen als bewijs dat het poststuk buiten de termijn van artikel 6:9, eerste lid van de Awb is ontvangen. Het poststuk is ter post bezorgd in een feestdagenperiode. PostNL communiceert hierover: “van 7 t/m 27 december kan uw post langer onderweg zijn dan u van ons gewend bent.” Dit is een aannemelijke verklaring voor het gegeven dat het poststuk kennelijk langer onderweg is geweest dan gebruikelijk is. Ook is aannemelijk dat de postkamer van het Parket CVOM poststukken later of langzamer heeft verwerkt door onderbezetting in verband met de feestdagenperiode, aldus de gemachtigde van de betrokkene.   </para>
    <para />
    <para>9. De enkele suggestie dat de postkamer van de CVOM al ruim voor de feestdagen met onderbezetting te maken zou hebben, geeft het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het   beroepschrift op 16 december 2016 bij de CVOM is binnengekomen. Nu het beroepschrift meer dan een week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen, moet, gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, worden geoordeeld dat -ook al zou het beroepschrift tijdig ter post zijn bezorgd- niet tijdig beroep is ingesteld.   </para>
    <para />
    <para>10. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld. </para>
    <para />
    <para>11. De gemachtigde wijst er in dit verband op dat PostNL heeft laten weten dat in de feestdagenperiode de post langer onderweg kan zijn. Deze algemene informatie is onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn. Daarbij acht het hof enerzijds van belang dat de informatie niet betrekking heeft op de datum waarop het beroepschrift uiterlijk ter post had moeten worden bezorgd en anderzijds dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. Een poststempel, waaruit dit zou kunnen blijken, ontbreekt op de envelop waarin het beroepschrift is aangeboden. </para>
    <para>12. Het beroep is niet tijdig ingesteld en niet gebleken is dat dit verschoonbaar is. Het beroep tegen de inleidende beschikking is niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan het behandelen van de overige bezwaren van de gemachtigde van de betrokkene. </para>
    <para />
    <para>13. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beslissing van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.</para>
      <para>De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>