<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2018:7453</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-21T14:13:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-08-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-005935-14</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:7453">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:7453</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-08-20T13:57:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2018:7453 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-08-2018 / 21-005935-14</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2018:7453:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming. Opbrengst dealen. Het hof komt op een lager bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit dan door de politie en de AG is berekend, nu onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde per dag 20 bolletjes heroïne/cocaïne heeft verkocht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2018:7453:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Afdeling strafrecht</para>
  <parablock>
    <para>Parketnummer:	21-005935-14 </para>
    <para>Uitspraak d.d.:	21 augustus 2018</para>
    <para>TEGENSPRAAK</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">ONTNEMINGSZAAK</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken</title>
    <para>gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2014 met parketnummer 07-660131-12 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,</para>
      <para>thans uit anderen hoofde verblijvende in PI [locatie] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 augustus 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering en van hetgeen door de advocaat-generaal en door de veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. I. Stas, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 36.500,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 30.000,- en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De veroordeelde is bij vonnis van rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2014 (parketnummer 07-660131-12) onder meer ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot straf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt dit voordeel vast op een lager bedrag dan in het ‘proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’ is berekend, welke berekening door de rechtbank en de advocaat-generaal is gevolgd. Met de verdediging is het hof namelijk van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde gedurende een periode van 10 maanden dagelijks 20 bolletjes heroïne of cocaïne heeft verkocht. De verklaring van de getuige [getuige] is daartoe onvoldoende, nu niet blijkt waar hij zijn wetenschap dat veroordeelde 20 klanten per dag had, op heeft gebaseerd. Bovendien is slechts vast te stellen dat deze getuige in de periode van 7 juni 2011 tot en met 4 juli 2011 intensief contact heeft gehad met veroordeelde, en blijkt niet dat hij daaraan voorafgaand of daaropvolgend contact met veroordeelde heeft gehad. Uit de algemene verklaringen van andere getuigen kan evenmin worden afgeleid dat veroordeelde per dag 20 bolletjes heroïne dan wel cocaïne heeft verkocht. Het hof volgt de berekening in het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel daarom niet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Conform de door de verdediging voorgestelde berekening, die gebaseerd is op de verklaringen van afnemers en/of telefoongegevens, stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.365,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 1] :</emphasis>
      </para>
      <para>Afname van 2 bolletjes per week gedurende 8,5 week 		= 17 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 2] :</emphasis>
      </para>
      <para>Afname 1 bolletje per week gedurende 16 weken 		= 16</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 3] :</emphasis>
      </para>
      <para>70 drugsleveranties van elk drie bolletjes 			= 210 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 4] :</emphasis>
      </para>
      <para>Afname 1 bolletje, 6 keer per half jaar 				= 6</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 5] :</emphasis>
      </para>
      <para>24 drugsleveranties van elk 1 bolletje 				= 24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 6] en afnemer [naam 7]</emphasis>
      </para>
      <para>Afname [naam 6] 1 bolletje en afnemer [naam 7] 2 bolletjes 	= 3</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 8] :</emphasis>
      </para>
      <para>35 drugsleveranties van elk drie bolletjes 			= 105</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 9] :</emphasis>
      </para>
      <para>72 drugsleveranties van elk 1 bolletje 				= 72 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 10] :</emphasis>
      </para>
      <para>18 drugsleveranties van elk 1 bolletje				= 18</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Afnemer [naam 11] :</emphasis>
      </para>
      <para>2 drugsleveranties van elk 1 bolletje				= 2</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Totaal: 473 bolletjes. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande blijkt dat veroordeelde in totaal 473 bolletjes heeft verkocht. Uit het dossier blijkt dat de bolletjes voor € 10,- per stuk werden verkocht. Dit levert derhalve een bruto wederrechtelijk verkregen voordeel van € 4.730,- op. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht aannemelijk dat de inkoopkosten van de door veroordeelde verhandelde harddrugs de helft van voornoemd bedrag, te weten € 2.365,- bedragen. Deze kosten dienen op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt derhalve € 2.365,-. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De verplichting tot betaling aan de Staat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overschrijding van de redelijke termijn</emphasis>
      </para>
      <para>Het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 23 september 2014 is op 6 oktober 2014 ingesteld. De behandeling in hoger beroep heeft bijna 4 jaren geduurd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt vast dat hierbij sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de veroordeelde op te leggen betalingsverplichting met 10%. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat gezien het voorgaande vast op € <emphasis role="bold">2.128,50 </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">2.365,00 (tweeduizend driehonderdvijfenzestig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de veroordeelde de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 2.128,50 (tweeduizend honderdachtentwintig euro en vijftig cent)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen door</para>
      <para>mr. O. Anjewierden, voorzitter,</para>
      <para>mr. P.W.J. Sekeris en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,</para>
      <para>en op 21 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.</para>
      <para>Mr. Van Schuijlenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>