<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2018:4752</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-02T15:11:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.221.432</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:4752">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:4752</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-02T12:55:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2018:4752 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-05-2018 / 200.221.432</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2018:4752:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep tegen klachtbehandeling kantonrechter inzake curatele. Niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2018:4752:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem						</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.221.432</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Gelderland 5588543)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van 8 mei 2018 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [curanda]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats1] ,</para>
      <para>curanda,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>verder te noemen: de vader,</para>
      <para>wonende te [woonplaats2] , </para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven te Arnhem, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster]
        </emphasis>,</para>
      <para>de moeder, tevens curator,</para>
      <para>verder ook te noemen: de curator, </para>
      <para>wonende te [woonplaats3] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>advocaat: mr. M.J. Drost te Leusden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, team bewind en erfrecht, zittingsplaats Zutphen, van 4 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 augustus 2017;</para>
      <para>- het verweerschrift met productie;</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Drost van 19 maart 2018 met productie 2;</para>
      <para>- een journaalbericht van mr. Kuster-van de Ven van 22 maart 2018 met als bijlagen een geluidsopname op een USB-stick en een transcriptie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 3 april 2018 plaatsgevonden. De vader en de curator zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Curanda is niet verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Uit het huwelijk van de moeder en de vader is [in] 1996 te [woonplaats3] curanda geboren. Dit huwelijk is [in] 1998 ontbonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij beschikking van 30 september 2014 heeft de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, curanda onder curatele gesteld en de moeder tot curator benoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Na de echtscheiding heeft curanda in het kader van de omgangsregeling jarenlang eenmaal per twee weken van zaterdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur en tijdens een deel van de vakanties en feestdagen omgang met de vader gehad. De curator heeft de omgangsregeling met de vader teruggebracht naar eenmaal per kwartaal een weekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Bij klaagschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 15 november 2016, heeft de vader verzocht zijn klacht gegrond te verklaren en de curator te bevelen medewerking te verlenen aan de eerder overeengekomen omgangsregeling alsmede na te gaan of er gewichtige redenen zijn om de curator te berispen. Hij acht de handelwijze van de curator niet in het belang van curanda, is van mening dat de curator in deze niet de zorg van een goed curator betracht en verzoekt de oude omgangsregeling weer te herstellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Bij voormelde beschikking van 4 mei 2017 heeft de kantonrechter de klacht van de vader ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 mei 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De vader verzoekt het hof zijn klacht gegrond te verklaren dan wel een beslissing te geven die het hof juist acht, kosten rechtens.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De moeder voert verweer en verzoekt het hof de beschikking van 4 mei 2017 te bekrachtigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>In geschil is de afhandeling van de klacht van de vader over de handelswijze van de curator door de kantonrechter. Op grond van hoofdstuk D van de ‘Aanbevelingen curatele’, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton &amp; Toezicht (LOVCK) op 8 juni 2015 kan bij de kantonrechter een klacht tegen een curator worden ingediend. De kantonrechter kan een mondelinge behandeling bepalen en na afloop deelt de kantonrechter mee wat het verdere verloop van de behandeling zal zijn. In de onderhavige kwestie heeft de kantonrechter de klacht mondeling behandeld en partijen daarna over en weer nog in de gelegenheid gesteld om informatie over te leggen en hierop te reageren. Op 4 mei 2017 heeft de kantonrechter uiteindelijk een beschikking gegeven ter afdoening van de klacht. Onder aan deze beschikking staat vermeld dat tegen de beslissing hoger beroep kan worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>In antwoord op vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de vader aangegeven dat zij, gelet op het feit dat door de kantonrechter een beschikking is gegeven, ervan is uitgegaan dat tegen die beschikking hoger beroep kan worden ingesteld. Zij heeft niet onderzocht wat de basis is voor het door haar ingestelde hoger beroep. Zij stelt verder dat het de vader er vooral om gaat dat hij in gesprek wil komen met de curator over de omgang met curanda.</para>
        <para>De advocaat van de curator stelt zich desgevraagd op het standpunt dat hoger beroep van de beschikking van 4 mei 2017, gelet op de desbetreffende mededeling onder aan de beschikking mogelijk is. Zij refereert zich aan het oordeel van het hof.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat een wettelijke grondslag voor het ingestelde hoger beroep ontbreekt. Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waarin de curatele is geregeld biedt geen wettelijke basis voor het instellen van beroep tegen een beschikking van de kantonrechter in het kader van de afhandeling van een klacht gebaseerd op de onder 5.1 vermelde ‘aanbevelingen curatele’. Ook overigens kan daarvoor geen wettelijke basis worden gevonden. Omdat een (wettelijke) grondslag aan het verzoek van de vader ontbreekt, zal het hof de vader in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de curator en de vader gewezen echtgenoten zijn en deze procedure de belangen van een uit hun relatie geboren kind betreft.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, A. Smeeïng-van Hees en J.H. Lieber, bijgestaan door de griffier, en is op 8 mei 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>