<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2018:4225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:47:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WAHV 200.196.036</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_strafprocesrecht">Strafrecht; Strafprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2018/214</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:4225">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:4225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-13T09:18:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2018:4225 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 04-05-2018 / WAHV 200.196.036</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2018:4225:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Zekerheidstelling. Een tweede zekerheidsbrief ontbreekt, waarin de betrokkene de gelegenheid wordt geboden om het verzuim met betrekking tot de zekerheid te herstellen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:6 Awb kan de beslissing van de kantonrechter tot niet-ontvankelijkheid van het beroep niet in stand blijven. Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2018:4225:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">WAHV 200.196.036</emphasis>
    </para>
    <para>4 mei 2018</para>
    <parablock>
      <para>CJIB 153837634</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">zittingsplaats Leeuwarden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
    </para>
    <para>op het hoger beroep tegen de beslissing</para>
    <para>van de kantonrechter van de rechtbank Limburg</para>
    <para>van 1 augustus 2012</para>
    <para>betreffende</para>
    <para>
      [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),</para>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [A] ,</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] , </para>
      <para>kantoorhoudende te [C] .</para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">De beslissing van de kantonrechter</bridgehead>
    <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Het procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.</para>
      <para>De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.</para>
      <para>Op 3 mei 2017 en 25 januari 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling</title>
    <para>1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, nu door de betrokkene niet is voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling. </para>
    <para />
    <para>2. Artikel 11, vierde (destijds: derde) lid, tweede volzin, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) houdt het volgende in:</para>
    <para>“De officier van justitie wijst de indiener van het beroepschrift na de ontvangst ervan op de verplichting tot zekerheidstelling en deelt hem mee dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling.”</para>
    <para />
    <para>3. Het te dezen toepasselijke artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt, voor zover van belang, het volgende in:</para>
    <para>“Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:</para>
    <para>a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, (…) mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.”</para>
    <para />
    <para>4. Uit voornoemde bepalingen volgt dat de zekerheidsbrieven aan de betrokkene dienen te worden verzonden en dat, in geval van verzuim, aan de betrokkene de gelegenheid moet worden geboden het verzuim te herstellen.</para>
    <para />
    <para>5. Uit de gedingstukken blijkt dat de betrokkene en de gemachtigde bij brief van 4 mei 2012 door de officier van justitie zijn gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling. In het dossier bevindt zich echter geen tweede brief, waarin de gelegenheid is geboden het verzuim te herstellen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd.</para>
    <para />
    <para />
    <para>6. Derhalve kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. Het hof zal de bestreden beslissing vernietigen en de zaak ter behandeling en beslissing terugwijzen naar de kantonrechter.</para>
    <para />
    <para>7. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt per </para>
    <para>1 januari 2018 € 501,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 250,50,- (= 1 x € 501,- x 0,5).</para>
    <para />
    <para>8. Het hof wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 250,50;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>