<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2018:2687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T06:15:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.210.461/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2018/112</rdf:li>
          <rdf:li>RBP 2018/67</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:2687">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:2687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-21T13:20:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2018:2687 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-03-2018 / 200.210.461/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2018:2687:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontvankelijkheid benadeelde partij. Artikel 361 lid 3 Sv. De vordering van de benadeelde partij is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard, derhalve is het hof niet bevoegd van de vordering kennis te nemen, maar dient de benadeelde partij zijn vordering aan te brengen bij de bevoegde rechtbank. Voor nadere uitleg van de uitspraak van de politierechter bestaat geen ruimte.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2018:2687:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.210.461/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 18-208839-16)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 20 maart 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiser,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellant]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. H.J. van Balen, kantoorhoudend te Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [B] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. P.N. Huisman, kantoorhoudend te Groningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de aantekening mondeling vonnis van 2 februari 2017 dat de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 februari 2017,</para>
      <para>- de memorie van grieven (met producties),</para>
      <para>- de memorie van antwoord (met producties),</para>
      <para>- een akte uitlating producties aan de zijde van appellant.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.</para>
        <para>3. <emphasis role="bold">De beoordeling </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">De ontvankelijkheid</emphasis><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De officier van justitie heeft [geïntimeerde] vervolgd voor poging tot zware mishandeling. Dit heeft geleid tot het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 februari 2017, waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [appellant] heeft zich in deze strafzaak als benadeelde partij gevoegd en schadevergoeding ter hoogte van € 3.150,- gevorderd. De politierechter heeft de vordering van [appellant] toegewezen tot een bedrag van € 650,-, bestaande uit € 150,- materiële schade en € 500,- immateriële schade. In het overige deel van zijn vordering is [appellant] door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [appellant] heeft tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld en vordert  kort gezegd - veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 3.150,- vermeerderd met rente en proceskosten.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering komt in het wetboek van strafvordering aan de orde in artikel 361 lid 3. Daar is bepaald:<?linebreak?><emphasis role="italic">"Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen."</emphasis><?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Nu de politierechter de vordering van [appellant] voor het deel uitgaande boven de € 650,- niet-ontvankelijk heeft verklaard dient [appellant] derhalve ingevolge voornoemd artikel 361 lid 3 Sv de vordering aan te brengen bij de bevoegde rechtbank. Nu de vordering van [appellant] niet op inhoudelijke gronden is<emphasis role="italic"> afgewezen</emphasis> maar door de politierechter gedeeltelijk <emphasis role="italic">niet-ontvankelijk</emphasis> is verklaard is het hof niet bevoegd van de door [appellant] ingestelde vordering kennis te nemen. Dit heeft in beginsel tot gevolg dat [appellant] niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De rolraadsheer heeft [appellant] bij brief van 5 februari 2018 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over bovenstaande constateringen en de gevolgen daarvan voor de onderhavige procedure. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Bij inhoudelijk nagenoeg identieke faxberichten van 12 februari 2018 en 16 februari 2018, heeft [appellant] zich - naar het hof begrijpt - op het standpunt gesteld dat, ondanks het feit dat hij in het vonnis van 2 februari 2017 gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard, niettemin sprake is van een gedeeltelijke afwijzing, nu de politierechter de afwijzing van de eis ter zitting mondeling inhoudelijk gemotiveerd heeft. Aldus stelt [appellant] dat zich de situatie van artikel 421 lid 4 Sv voordoet - welke bepaling kort weergegeven inhoudt dat de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarin de vordering is <emphasis role="italic">afgewezen </emphasis>in hoger beroep kan komen bij het gerechtshof - waardoor hij in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Het betoog van [appellant] komt er op neer dat de uitspraak van de politierechter nader zou moeten worden uitgelegd en dat eerst na die uitleg  mogelijk duidelijk is welke weg voor de benadeelde partij nog open staat om zijn niet toegewezen vordering aan een rechter voor te leggen. Naar het oordeel van het hof zou daarmee echter de rechtszekerheid in het gedrang komen (vgl. hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:147). Naar het hof in dit arrest heeft overwogen moeten de termen "<emphasis role="italic">afgewezen</emphasis>" en "<emphasis role="italic">afwijzing</emphasis>" in artikel 421 lid 4 Sv beperkt worden uitgelegd, zij omvatten niet "<emphasis role="italic">niet-ontvankelijk verklaard</emphasis>" en "<emphasis role="italic">niet-ontvankelijkverklaring</emphasis>". Voor conversie van een niet-ontvankelijkverklaring in een afwijzing ziet het hof dan ook geen reden, zo dat al mogelijk zou zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654).  Het hof verwerpt dan ook het betoog van [appellant] dat gekeken moet worden naar wat de politierechter heeft beoogd te oordelen en niet naar de bewoordingen van diens vonnis.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>Voor het verzoek van [appellant] het geding in de stand waarin het zich bevindt ter verdere behandeling en beslissing te verwijzen naar de bevoegde kantonrechter, bestaat geen wettelijke grondslag. Dit verzoek wordt derhalve afgewezen. Uiteraard staat het [appellant] vrij zijn vordering zelf bij de bevoegde rechtbank aanhangig te maken. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>
        [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (1 punt, tarief I).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>20 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>