<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2018:2614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-10T10:18:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WAHV 200.217.644</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_strafprocesrecht">Strafrecht; Strafprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:2614">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:2614</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-10T10:18:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2018:2614 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-03-2018 / WAHV 200.217.644</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2018:2614:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De advocaat-generaal heeft besloten de inleidende beschikking waarbij een sanctie is opgelegd in te trekken. De gemachtigde verzoekt om alsnog te beslissen op zijn bezwaar tegen het niet toekennen van een dwangsom door de officier van justitie. De verschuldigdheid van de dwangsom is bij de kantonrechter geen onderwerp van geschil geworden, zodat die in hoger beroep niet meer kan worden getoetst. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2018:2614:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">WAHV 200.217.644</emphasis>
  </para>
  <para>20 maart 2018</para>
  <parablock>
    <para>CJIB 197184748</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">zittingsplaats Leeuwarden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
  </para>
  <para>op het hoger beroep tegen de beslissing</para>
  <para>van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland</para>
  <para>van 8 mei 2017</para>
  <para>betreffende</para>
  <para>
    [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),</para>
  <parablock>
    <para>wonende te [A] ,</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>voor wie als gemachtigde optreedt [B] , </para>
    <para>kantoorhoudende te [C] .</para>
    <para />
  </parablock>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing van de kantonrechter</title>
    <parablock>
      <para>De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de Wahv, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 123,75.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het procesverloop</emphasis>
      </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.</para>
      <para>De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.</para>
      <para>Bij brief van 21 november 2017 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat is besloten om de inleidende beschikking met voormeld CJIB-nummer, waarbij de betrokkene een sanctie is opgelegd, in te trekken en dat de betrokkene hiervan in kennis is gesteld. </para>
      <para>Op 28 november 2017 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling</title>
    <para>1. De gemachtigde van de betrokkene heeft kennisgenomen van de beslissing van de advocaat-generaal om de sanctiebeschikking te vernietigen. Hij verzoekt het hof om nog uitspraak te doen op het bezwaar dat de gemachtigde heeft aangetekend tegen de afwijzing van de dwangsom wegens niet tijdig beslissen.</para>
    <para />
    <para>2. Het hof stelt vast dat de officier van justitie bij brief van 30 januari 2017 heeft beslist dat er geen dwangsom is verschuldigd. </para>
    <para />
    <para>3. Artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt mee dat het beroep dat bij de kantonrechter wordt ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep mede betrekking heeft op de verschuldigdheid en de hoogte van de vaststelling van de dwangsom, voor zover die wordt betwist. </para>
    <para />
    <para>4. De gemachtigde heeft bij brief van 19 januari 2017 beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij fax van 17 april 2017 zijn beroepsgronden ingediend. Ten aanzien van de dwangsom is niets aangevoerd. Gelet daarop is het beroep bij de kantonrechter beperkt tot de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Artikel 4:19, eerste lid, Awb is daarom niet van toepassing. Dat brengt mee dat de verschuldigdheid van een dwangsom geen onderwerp van geschil is geworden zodat die in hoger beroep niet meer kan worden getoetst (vgl. het arrest van 5 december 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:10680).</para>
    <para />
    <para />
    <para>5. Gelet op het voorgaande moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>6. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten – voor zover het de procedures betreft waarvoor de kantonrechter nog geen proceskostenvergoeding heeft toegekend – voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een administratief beroepschrift en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt per 1 januari 2018 € 501,-. De kantonrechter heeft de wegingsfactor vastgesteld op 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht). Het hof ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 250,50 (= 2 x € 501,- x 0,25).</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 250,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>