<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2018:1633</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T09:38:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1700457 en 1700458</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2018/398</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2018/28.15.2</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2018/0536</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2018-0619</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2018022606</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:1633">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:1633</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-21T08:46:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2018:1633 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 20-02-2018 / 1700457 en 1700458</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2018:1633:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Het aan belanghebbende gezonden afschrift van de uitspraak waarvan verzet bevat geen uitspraakdatum. Aangezien uit de rollijst van openbare uitspraken blijkt dat de uitspraak in het openbaar is uitgesproken op 22 augustus 2017, vernietigt het hof de uitspraak niet. </para>
        <para>Het beroep is wegens niet tijdige betaling van het griffierecht terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2018:1633:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para>locatie Leeuwarden</para>
    <para>nummers 17/00457 en 17/00458</para>
    <para>uitspraakdatum: <emphasis role="bold">20 februari 2018</emphasis></para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzet van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X] </emphasis>te<emphasis role="bold"> [Z] </emphasis> : belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van het Hof Arnhem - Leeuwarden </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding.</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) met de nummers LEE 16/1762 en 16/1764 van 23 maart 2017 hoger beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak, verzonden op 22 augustus 2017, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof op 27 september 2017 verzet aangetekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van het verzet heeft plaatsgevonden op 19 december 2017 te Leeuwarden. Belanghebbende is daarvoor uitgenodigd bij aangetekende brief van 7 november 2017 aan het adres [a-straat] 9 te [Z] . Blijkens informatie op de website mijnpakket.post.nl is de uitnodiging op 8 november 2017 op dit adres aangeboden en door belanghebbende in ontvangst genomen. Belanghebbende is, zonder enig bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 25 april 2017 tegen de uitspraak van de Rechtbank van 23 maart 2017 met de nummers LEE 16/1762 en 16/1764 hoger beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij aangetekend schrijven van 15 juni 2017 heeft de griffier belanghebbende herinnerd aan de verschuldigdheid van griffierecht. Daarin is medegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de brief moet zijn overgemaakt en dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig wordt overgemaakt, belanghebbende het risico loopt dat zijn beroepschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 23 juni 2017 heeft belanghebbende de gronden van het hoger beroep ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Op 28 juli 2017 is het griffierecht bijgeschreven op het door de griffier opgegeven bankrekeningnummer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Tegen de uitspraak van het Hof waarin het hoger beroep wegens niet tijdige betaling van griffierecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, heeft belanghebbende verzet aangetekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Als motivering van het verzet heeft belanghebbende het volgende gesteld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Door een ernstige ziekte leukomie is het [X] niet gelukt in de periode 17 juni tot en met 20 juli. Zijn zaken te behartigen en heeft indien dit weer mogelijk was zo snel mogelijk gehandeld. En betaald, zowel voor hemzelf , als voor zijn echtgenote. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik acht de stelling van het Hof niet redelijk gelet op het redelijkheids beginsel, en verzoekt Alsnog de beroepen in behandeling te nemen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het verzet</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Voor eerst en vooraf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De rechter dient ambtshalve te toetsen of de uitspraak, waarvan verzet, voldoet aan de eisen, die artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aan een uitspraak stelt. Het Hof heeft geconstateerd dat het aan belanghebbende gezonden afschrift van de uitspraak geen uitspraakdatum bevat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Blijkens de rollijst van openbare uitspraken van 22 augustus 2017 heeft het Hof de uitspraak op 22 augustus 2017 om 9.55 uur in het openbaar uitsproken. Op diezelfde dag is de uitspraak aangetekend aan belanghebbende gezonden, waarna belanghebbende tijdig verzet heeft aangetekend. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat door het ontbreken van een uitspraakdatum niet een zodanig gebrek aan de uitspraak kleeft dat deze reeds daarom vernietigd moet worden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Ten gronde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Het Hof stelt voorop dat belanghebbende de ontvangst van de (herinnering)nota van het griffierecht niet betwist. Tijdige betaling van het griffierecht is uitgebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb is het (hoger) beroep niet-ontvankelijk als het griffierecht niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Belanghebbende voert aan dat hij in de periode van 17 juni tot 20 juli 2017 wegens ernstige ziekte niet in staat was het griffierecht te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het griffierecht diende uiterlijk 12 juli 2017 te zijn voldaan. Doordat belanghebbende in staat bleek op 23 juni 2017 de gronden van het hoger beroep in te dienen, acht het Hof zijn stelling dat hij wegens ernstige ziekte niet in staat was het griffierecht tijdig te voldoen, niet aannemelijk. Nu belanghebbende geen andere verzuimgronden heeft aangevoerd, is het verzet ongegrond. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Proceskosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op <emphasis role="bold">20 februari 2018</emphasis> in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>(K. de Jong-Braaksma)</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>(J.W. van Knobelsdorff)</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 februari 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij 	</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">	Postbus 20303, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">	2500 EH Den Haag. </emphasis>
      </para>
      <para>Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. de dagtekening;</para>
      <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para> 	d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>