<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2018:11090</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:24:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21-006780-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2019/296</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:11090">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2018:11090</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-20T09:35:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2018:11090 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-12-2018 / 21-006780-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2018:11090:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schorsing voorlopige hechtenis na VI datum / procedure in cassatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2018:11090:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Parketnummer eerste aanleg: 08-963021-15</para>
    <para>Parketnummer hoger beroep: 21-006780-16</para>
    <para>17 december 2018</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <bridgehead role="bold underline">LOCATIE LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Voorlopige hechtenis</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens verzoekschrift van 3 december 2018 is namens:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verdachte] ,</title>
    <parablock>
      <para>	geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>	wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>	thans verblijvende in de P.I. Alpen aan den Rijn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, subsidiair te schorsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsvrouw van verdachte </para>
      <para>mr. F.S. Bellekom, advocaat te 's-Gravenhage. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para>Bij het hof is binnengekomen een verzoekschrift strekkende tot opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is op 13 december 2016 door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. Het hof heeft op 26 juli 2017 arrest gewezen en daarbij het vonnis waartegen beroep is ingesteld bevestigd. Tegen dat arrest heeft verdachte op 2 augustus 2017 beroep in cassatie aangetekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte stelt zich op het standpunt dat hij op 20 november 2018, wanneer hij geen beroep in cassatie zou hebben aangetekend, voorwaardelijk in vrijheid gesteld had moeten worden op grond van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, hierna Sr. Verdachte bevindt zich nu er nog geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling nog immer in voorlopige hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Openbaar Ministerie is niet tot voorwaardelijke in vrijheid stelling overgegaan. Ter zitting is door de advocaat-generaal gemeld dat er geen bekendheid bestaat met eventueel aan de VI te verbinden voorwaarden. De reclassering was voor de advocaat-generaal niet bereikbaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte bevindt zich thans in voorlopige hechtenis, welke voortduurt krachtens artikel 75 lid 6 van het Wetboek van Strafvordering, hierna Sv, totdat het arrest van het hof in kracht van gewijsde is gegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 75 lid 6 Sv bepaalt dat de rechter in hoogste feitelijke aanleg het bevel tot voorlopige hechtenis opheft met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 15 lid 2 Sr wordt een veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaar voorwaardelijk in vrijheid gesteld als hij twee derde van zijn straf heeft ondergaan. Artikel 15a lid 1 Sr bepaalt dat een voorwaardelijke invrijheidsstelling, hierna VI, geschiedt onder van rechtswege geldende algemene voorwaarden en dat het Openbaar Ministerie, hierna OM, de beslissing neemt omtrent het stellen van bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 15a lid 2 Sr. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De VI wordt niet standaard verleend. Het OM kan besluiten tot uitstel of afstel van de VI. De VI regeling heeft thans het karakter van een invrijheidsstelling waaraan voorwaarden kunnen worden verbonden waaraan verdachte zich dient te houden. De regelgeving rond VI is eerst van toepassing indien de veroordeling onherroepelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de onderhavige zaak is het hof niet gebleken dat verdachte niet in aanmerking zou zijn gekomen voor VI indien hij niet in cassatie zou zijn gegaan. Het hof betrekt daarbij dat verdachte in de detentiefasering zat en zich aldus een mailbericht van de PI Alphen aan de Rijn hield aan afspraken in het kader van het penitentiair programma. Nu verdachte, als hij in aanmerking zou zijn gekomen voor VI, zich zou dienen te houden aan voorwaarden zullen deze ook worden opgelegd door het hof, tenminste de algemene zoals bedoeld in art 15a Sr. Niet is gebleken dat het OM  nog andere voorwaarden aan de VI zou willen stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat artikel 75 lid 6 Sv in de situatie als de onderhavige analoog aan het bepaalde ten aanzien van de VI dient te worden toegepast, welke toepassing kan door middel van schorsing van de voorlopige hechtenis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de gegeven omstandigheden leidt het hof uit de mailwisseling tussen de PI Alphen aan de Rijn en de raadsvrouw af dat er geen sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat aanhouding met het oog op het stellen van eventuele bijzondere voorwaarden noodzakelijk is. In die mailwisseling wordt meegedeeld dat daartoe geen aanleiding bestaat en dat er voor verdachte er geen interventies bestaan die nog gevolgd of afgerond moeten worden. Meegedeeld wordt daarnaast dat verdachte aan de voorwaarden van het penitentiaire programma heeft voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst toe het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, onder na te melden voorwaarden, en beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte zal worden geschorst met ingang van <emphasis role="bold">woensdag 19 december om 15:00 uur</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt aan verdachte als voorwaarden aan de schorsing: </para>
    </parablock>
    <para>a. a)	indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de</para>
    <para>	tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;</para>
    <para>b)	ingeval hij wegens het feit/de feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is</para>
    <parablock>
      <para>	bevolen, tot andere dan  vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich</para>
      <para>	aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;</para>
    </parablock>
    <para>c) 	geen strafbare feiten zal plegen;</para>
    <para>d)	ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (https://maxius.nl/wet-op-de-identificatieplicht/artikel1/) ter inzage aanbiedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gewezen op 17 december 2018 door mr. A. van Holten als voorzitter, mrs. H.J. Deuring en J. Dolfing, in tegenwoordigheid van N. Hooghiemster als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>                                         Leeuwarden,</para>
      <para>                                         de advocaat-generaal,</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>