<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2017:9984</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:19:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-11-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.188.242/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2017/6034</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2018/42</rdf:li>
          <rdf:li>RCR 2018/16</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:9984">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:9984</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-16T08:08:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2017:9984 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-11-2017 / 200.188.242/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2017:9984:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Consumentenrecht: vordering tot betaling van haarstukjes; geen herroepingsrecht, onvoldoende onderbouwd beroep op wilsontbreken en misbruik van omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2017:9984:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.188.242/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Overijssel 4452698 CV EXPL 15-6373)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 14 november 2017 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Echthaar Kliniek B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Nunspeet,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiseres,</para>
      <para>hierna: ,EchtHaar</para>
      <para>advocaat: mr. D.J. Brugge, kantoorhoudend te Apeldoorn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>geïntimeerde, </para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde, </para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 oktober 2015 en 15 december 2015 die de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 maart 2016,</para>
      <para>- de memorie van grieven(met productie).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Vervolgens heeft EchtHaar de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>EchtHaar vordert in het hoger beroep - kort samengevat - vernietiging van het vonnis van 15 december 2015 van de kantonrechter en de vorderingen van EchtHaar alsnog toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vaststaande feiten<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten die tussen partijen als onbetwist vast staan.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>EchtHaar ontwikkelt oplossingen en behandelingen tegen kaalheid en haarverlies. [geïntimeerde] heeft in verband met beginnende kaalheid en het dunner worden van zijn haar contact gezocht met EchtHaar.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Op 11 maart 2015 hebben EchtHaar en [geïntimeerde] een afspraak gemaakt voor een consult op 16 maart 2015, welke afspraak is bevestigd bij brief van 11 maart 2015.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het consult heeft plaatsgevonden op 16 maart 2015 in de woning van [geïntimeerde] .  Ter bevestiging van de overeenkomst die partijen naar aanleiding van dat consult hebben gesloten bericht EchtHaar [geïntimeerde] bij brief van 16 maart 2015 het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“ Omschrijving</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Haarreconstructie</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestaande uit haarlengtes tot 15 cm echt haar</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">						Totaalbedrag 3.495.00 euro</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Bedrag is inclusief aflevering van de 1e unit en wasinstructie  exclusief</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">kleuren/permanenten en verzorgingsproducten</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">- Aanbetaling 1/3 deel van het totaalbedrag bij akkoord met de order. Rest volgens betalingsregeling</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">- Bij akkoord gaat u tevens akkoord met het bijbehorende behandelplan dat samen met u is opgesteld</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">- In geval van maatwerk kan niet worden geannuleerd.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- U gaat tevens akkoord dat de uitvoerder van het behandelplan afwijkt van de opsteller(…)”.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De brief is namens EchtHaar ondertekend door [B] en “voor akkoord” door [geïntimeerde] .<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Op de overeenkomst zijn de Algemene Leverings-en Betalingsvoorwaarden van EchtHaar van toepassing. In deze voorwaarden is in artikel 5 lid 3 bepaald dat bij niet-tijdige betaling binnen 7 dagen na factuurdatum of een afgesproken betalingstermijn buitengerechtelijke incassokosten in rekening worden gebracht, vastgesteld op het dan geldende tarief als gehanteerd volgens de Wet buitengerechtelijke incassokosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>EchtHaar heeft [geïntimeerde] bij brief van 16 maart 2015 een factuur gezonden en bij afzonderlijke brieven van dezelfde datum een met [geïntimeerde] gesloten betalingsregeling bevestigd, alsmede de datum van aflevering, 11 mei 2015.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>EchtHaar heeft [geïntimeerde] bij brief van 25 maart 2015 herinnerd aan de factuur van 16 maart 2015 en bij brief van 30 april 2015 medegedeeld dat afspraak voor de haarreconstructie is bepaald op 11 mei 2015. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft in een e-mailbericht van 1 mei 2015 (verzonden naar het e-mailadres clientenservice@echthaar.nl) dat door EchtHaar is ontvangen het volgende aan EchtHaar medegedeeld:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Naar aanleiding van uw brief dd 30 april deel ik mede dat na u bezoek op 16 maart 2015 ik</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">heb op internet gelezen over u bedrijf en over u product heb ik dezelfde dag 16 maart 2014 u</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">secretaresse gebeld en ook mail gestuurd dat ik ga niet ermee akkoord met u product. Ik ben ziek ik ben diabetici hoogblood druk en haart klachten. U heeft mij zo nadrukkelijk</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">geforceerd om dit product te kopen als ik niet tevreden ben waarom zou ik deze product</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kopen?? Ik heb u meerdere malen mail gestuurd dat ik wil deze product niet hebben. Na dat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">alles verhalen heb ik op internet gelezen ik heb u heel duidelijk aangeven per mail dat ik wil</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">deze product niet willen kopen. Ik zeg u nog een maal ik wil deze product niet kopen. Ik </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verzoek u vriendelijk deze zaak te beëindigen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft de haarreconstructie - het leveren en aanbrengen van haarstukjes - niet afgenomen en de daarvoor overeengekomen prijs, ondanks enkele sommaties, niet voldaan.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil en de beslissing in eerste aanleg</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>EchtHaar heeft [geïntimeerde] gedagvaard en samengevat gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 3.495,--, vermeerderd met wettelijke rente, en vermeerderd met buitengerechtelijke kosten ad € 574,50. EchtHaar heeft daartoe gesteld dat zij met [geïntimeerde] een overeenkomst heeft gesloten die door [geïntimeerde] moet worden nagekomen door betaling van het overeengekomen bedrag. Na betaling zal zij aan haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] voldoen. EchtHaar heeft betwist dat [geïntimeerde] deze overeenkomst heeft ontbonden/geannuleerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De kantonrechter heeft bij vonnis van 15 december 2015, waarvan beroep, de vorderingen van EchtHaar afgewezen, met veroordeling van EchtHaar in de op nihil begrote proceskosten van [geïntimeerde] . </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling van de grieven en de vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De kantonrechter heeft in rechtsoverwegingen 4.3 tot en met 4.5 van het bestreden vonnis het volgende overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“4.3	De kantonrechter stelt vast dat de door EchtHaar gestelde overeenkomst een</para>
        <para>overeenkomst betreft die buiten verkoopruimte tussen een handelaar en een consument is</para>
        <para>gesloten, alles in de zin van afdeling 2b titel 5 boek 6 BW. [geïntimeerde] had dan ook</para>
        <para>niettegenstaande de vermelding in de onder 2.3 genoemde brief van EchtHaar van 16 maart</para>
        <para>dat in geval van maatwerk niet kan worden geannuleerd, op grond van artikel 6:230o</para>
        <para>lid 1 BW het recht de overeenkomst zonder opgave van redenen te ontbinden, binnen een</para>
        <para>daar nader uitgewerkte termijn van 14 dagen. Van dit recht kan immers niet ten nadele van</para>
        <para>de consument worden afgeweken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft op 16 maart 2015 per e-mail een buitengerechtelijke</para>
        <para>ontbindingsverklaring aan EchtHaar uitgebracht. EchtHaar betwist echter dat zij dit e-mailbericht heeft ontvangen. Het e-mailbericht van [geïntimeerde] van 1 mei 2015, waarin eveneens</para>
        <para>een buitengerechtelijke verklaring tot ontbinding is vervat, heeft EchtHaar wel ontvangen</para>
        <para>maar de hiervoor genoemde ontbindingstermijn van 14 dagen was toen al verstreken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter stelt echter ook vast dat EchtHaar [geïntimeerde] , voordat [geïntimeerde] zich aan</para>
        <para>de overeenkomst bond, geen informatie heeft verstrekt over wanneer een recht op ontbinding</para>
        <para>van de overeenkomst bestaat, over de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de</para>
        <para>uitoefening van dat recht overeenkomstig artikel 6:230o en over het modelformulier voor</para>
        <para>ontbinding, zoals is voorgeschreven in artikel 6:230m lid 1 aanhef en onder h BW</para>
        <para>Integendeel, in de overeenkomst is [geïntimeerde] er juist - in strijd met de toepasselijke wettelijke</para>
        <para>bepalingen - op gewezen dat hij geen recht van ontbinding heeft. Het voorgaande brengt</para>
        <para>mee dat de hiervoor bedoelde termijn van 14 dagen op de voet van artikel 6:230o lid 2 BW is</para>
        <para>verlengd tot ten hoogste 12 maanden. Deze termijn was nog niet verstreken ten tijde van het</para>
        <para>e-mailbericht van 1 mei 2015. Dit e-mailbericht moet bovendien als het doen van een andere</para>
        <para>tot ontbinding strekkende ondubbelzinnige verklaring aan de handelaar in de zin van artikel</para>
        <para>6:230 lid 3 BW worden beschouwd. De conclusie is dat [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>EchtHaar heeft tegen het vonnis waarvan beroep zeven grieven aangevoerd. Met deze grieven worden vanuit verschillende gezichtspunten de in 5.1 weergegeven oordelen van de kantonrechter en de daarop gestoelde afwijzing van de vorderingen van EchtHaar aan de orde gesteld. Het hof heeft met <emphasis role="underline">grief 1</emphasis> – die zich richt op de vaststelling van de feiten –  rekening gehouden bij de vaststelling van de feiten. Nu deze grief geen verdergaande strekking heeft, heeft EchtHaar verder geen belang meer bij deze grief. Met haar verwijt dat de kantonrechter de feiten niet volledig heeft opgenomen miskent EchtHaar overigens  dat de rechter vrij is in de selectie van de feiten die hij voor de beoordeling van belang vindt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Het hof oordeelt als volgt, rekening houdend met de devolutieve werking van het appel die meebrengt dat niet prijsgegeven stellingen en verweren van [geïntimeerde] die in eerste aanleg buiten behandeling zijn gebleven of verworpen in hoger beroep moeten worden behandeld indien die door gegrondbevinding van een grief relevant worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Volgens EchtHaar is sprake (toelichting op grief 3, randnummers 21 tot en met 23) van een consumentenkoop als bedoeld in artikel 6:230p sub f onder 1, zodat [geïntimeerde] – anders dan door de kantonrechter in 4.3 van het bestreden vonnis is overwogen – geen ontbindingsrecht toekomt als bedoeld in artikel 6:230o BW. Die grief treft doel. EchtHaar heeft onweersproken gesteld dat tijdens het consult op 16 maart 2015 een mal/afdruk van het hoofd van [geïntimeerde] is gemaakt en dat de aldus verkregen pasvorm nodig was om de door [geïntimeerde] gekochte haarstukjes passend te maken. De op basis van die afdruk gemaakte haarstukjes zijn ook gemaakt en zouden op 11 mei 2015 aan [geïntimeerde] worden afgeleverd. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een consumentenkoop betreffende de levering van zaken die duidelijk alleen voor [geïntimeerde] als koper bestemd zijn. Zoals in artikel 6:230 p lid sub f is bepaald geldt voor een consumentenkoop betreffende dergelijke specifieke zaken geen ontbindingsrecht. Uit de brief van EchtHaar van 16 maart 2015 blijkt dat EchtHaar [geïntimeerde] er op heeft gewezen dat er geen mogelijkheid bestaat de overeenkomst te annuleren, waarmee Zij heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 6:230 m sub k BW.    </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Met dat oordeel slagen de grieven eveneens voor zover die opkomen tegen hetgeen de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 4.4. en 4.5 heeft overwogen omtrent het tijdig inroepen van de ontbinding binnen de verlengde termijn van artikel 6:230o lid 2 BW, nu dat oordeel van de kantonrechter voortbouwt op het onjuiste oordeel dat [geïntimeerde] een ontbindingsrecht als bedoeld in artikel 6:230o BW heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>Uit hetgeen [geïntimeerde] in eerste aanleg bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd blijkt dat hij heeft willen betogen dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat zijn wil daarop niet gericht is geweest, dan wel dat sprake is geweest van een wilsgebrek omdat de overeenkomst onder druk zou zijn gesloten gezien zijn ziekte en medicijngebruik.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft onvoldoende onderbouwd dat van het ontbreken van zijn wil om de overeenkomst tot stand te brengen sprake is geweest. Hij heeft de brief van 16 maart 2015 ondertekend. De gang van zaken lijkt zo te zijn geweest dat hij die brief direct tijdens het consult heeft ondertekend. [geïntimeerde] stelt dat hij vervolgens  op 16 maart 2015 een aantal e-mails heeft verstuurd naar het e-mailadres clientenservice@echthaar.nl, waarin hij het contract heeft geannuleerd. De ontvangst van die e-mails wordt door EchtHaar  betwist. Wat daarvan zij, uit die e-mails (en ook uit de latere) kan niet worden afgeleid dat de wil van [geïntimeerde] op het aangaan van een overeenkomst ontbrak. [geïntimeerde]  heeft zich bedacht nadat hij op internet informatie over EchtHaar heeft gevonden. Toen was, naar het hof begrijpt, de overeenkomst echter al gesloten. Indien [geïntimeerde] de brief van 16 maart 2015 echter pas na zijn e-mails van 16 maart 2015 heeft getekend valt des te minder in te zien dat hij geen overeenkomst heeft willen sluiten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>Voor zover [geïntimeerde] heeft willen betogen dat hij onder invloed van een wilsgebrek de overeenkomst is aangegaan en op grond daarvan in rechte een beroep op vernietiging van de overeenkomst heeft willen doen  heeft hij dat beroep onvoldoende onderbouwd. Hij heeft gesteld dat de overeenkomst onder druk tot stand is gekomen en dat hij medicijnen gebruikte en ziek was tijdens het consult. Daarmee heeft hij kennelijk het oog op het leerstuk over misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW). EchtHaar heeft gemotiveerd betwist dat de overeenkomst onder druk dan wel door het gebruik maken van ziekte en/of medicijngebruik  is gesloten. Een nadere onderbouwing van de stellingen [geïntimeerde] in hoger beroep ontbreekt, evenals een bewijsaanbod. [geïntimeerde] heeft naast de genoemde omstandigheden niet gesteld noch onderbouwd dat aan de overige vereisten voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is voldaan, zodat zijn beroep reeds daarop strandt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>In <emphasis role="underline">grief 1 en 4</emphasis>  stelt EchtHaar nog aan de orde zij de e-mails van 16 maart 2015 van  [geïntimeerde] (hiervoor in 5.7 genoemd) niet heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande heeft EchtHaar bij een afzonderlijke beoordeling van die grieven geen belang: ook indien zij die wel heeft ontvangen leidt dat niet tot andere oordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>
      <?linebreak?>6.	De slotsom</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen van EchtHaar zullen alsnog worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum weergegeven. Het hof overweegt daarbij dat EchtHaar – nu de overeenkomst tussen partijen nog steeds bestaat – niet van haar verbintenis tot levering van de door [geïntimeerde] gekochte haarstukjes is bevrijd. Uit de formulering van de vordering van EchtHaar blijkt dat zij zich hier ook van bewust is. Dat hoeft – mede bij gebrek aan een daartoe strekkende vordering van [geïntimeerde] – echter niet in het dictum te worden opgenomen. De wettelijke rente is toewijsbaar, nu daartegen door [geïntimeerde] niet specifiek verweer is gevoerd. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar, nu EchtHaar niet heeft gesteld dat zij heeft voldaan aan het vereiste van het in dit geval toepasselijke artikel 6:96 lid 6 BW (de ‘veertien dagen-brief’), noch is dat anderszins gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen. </para>
        <para>De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van EchtHaar zullen worden vastgesteld op:</para>
      </parablock>
      <para>- explootkosten		€  79,47 </para>
      <para>- griffierecht		€ 466,-</para>
      <para>- salaris advocaat		<emphasis role="underline">€  300,-</emphasis>(2 punten, staffel kantonzaken)</para>
      <para>Totaal		€845,47</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van EchtHaar zullen worden vastgesteld op:</para>
      </parablock>
      <para>- explootkosten		€   85,56</para>
      <para>- griffierecht		€ 718,-</para>
      <para>- salaris advocaat		<emphasis role="underline">€ 632,-(</emphasis>1 punt x tarief I)</para>
      <para>Totaal		€ 1.435,56</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 15 december 2015 en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [geïntimeerde] om aan EchtHaar te betalen een bedrag van € 3.495,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2015 tot de dag der algehele voldoening, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van EchtHaar wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 545,47 voor verschotten en op € 300,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief voor kantonzaken en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 803,65 voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. I.F. Clement en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>14 november 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>