<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2017:1481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-17T10:00:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-02-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WAHV 200.166.946</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:1481">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:1481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-17T09:04:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2017:1481 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 21-02-2017 / WAHV 200.166.946</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2017:1481:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2017:1481:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">WAHV 200.166.946, 200.166.955, 200.166.956, 200.166.958 en 200.166.961</emphasis>
  </para>
  <para>21 februari 2017</para>
  <parablock>
    <para>CJIB 165112735, 157095422, 147307091, 154543363 en 157046376</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">zittingsplaats Leeuwarden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">Arrest</emphasis>
  </para>
  <para>op het hoger beroep tegen de beslissingen</para>
  <para>van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam</para>
  <para>van 11 december 2014</para>
  <para>betreffende</para>
  <para>
    [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),</para>
  <parablock>
    <para>wonende te [plaats],</para>
    <para />
  </parablock>
  <parablock>
    <para>voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], </para>
    <para>advocaat te [plaats].</para>
    <para />
  </parablock>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissingen van de kantonrechter</title>
    <parablock>
      <para>De kantonrechter heeft in voormelde zaken het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing telkens ongegrond verklaard. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het procesverloop</emphasis>
      </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.</para>
      <para>De advocaat-generaal heeft verweerschriften ingediend. </para>
      <para>De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld de beroepen schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling</title>
    <para>1. De kantonrechter heeft in alle zaken geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom telkens terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden. </para>
    <para />
    <para>3. In de onderhavige zaken zijn de inleidende beschikkingen op de volgende data verzonden, waardoor telkens zes weken na die datum de beroepstermijn is verstreken:</para>
    <informaltable>
      <tgroup cols="5">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <colspec colname="colD" />
        <colspec colname="colE" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>- inzake CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>165112735</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>op</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>16 november 2012</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>(28 december 2012);</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>- inzake CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>157095422</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>op</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>22 november 2011</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>(3 januari 2012);</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>- inzake CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>147307091</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>op</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>19 mei 2011</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>(30 juni 2011);</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>- inzake CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>154543363</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>op</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>22 augustus 2011</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>(3 oktober 2011);</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para>- inzake CJIB-nummer </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>157046376</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>op</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>2 mei 2012</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>(13 juni 2012).</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para>4. Pas bij brief van 24 april 2013, bij de CVOM ontvangen op 25 april 2013, is namens de betrokkene tegen deze beschikkingen administratief beroep ingesteld. Dit is te laat.</para>
    <para />
    <para>5. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
    <para />
    <para>6. De gemachtigde betoogt dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Vanwege gebrekkige postbezorging op het woonadres van de betrokkene – poststukken worden samen met stukken voor andere bewoners in een gemeenschappelijk trapportaal gedeponeerd – was de betrokkene niet bij machte tijdig beroep in te stellen. De betrokkene heeft geen bestaansmiddelen en woont bij zijn ouders. Hij is dus niet in staat om een eigen woning met een goede brievenbus te verwerven. De gemachtigde betwist dat het de verantwoordelijkheid van de betrokkene is om ervoor zorg te dragen dat post hem bereikt. Voor de betrokkene dreigt mogelijk gijzeling. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat er een inhoudelijke toets van de sancties moet kunnen plaatsvinden alvorens tot gijzeling wordt overgegaan. Adequate toegang tot de rechter mag de betrokkene niet worden ontzegd. Deze toegang feitelijk afhankelijk stellen van iemands financiële situatie en leefomstandigheden, is niet toegestaan. De betrokkene is bovendien verkeerd voorgelicht door het openbaar ministerie. In de beschikkingen staat slechts dat binnen zes weken beroep moet worden ingesteld, zonder dat op de mogelijkheid van verschoonbare termijnoverschrijding wordt gewezen. Was dit wel het geval geweest, dan had de betrokkene zo spoedig mogelijk na kennisname van de boetes bezwaar gemaakt. De gemachtigde maakt verder bezwaar tegen de summiere motivering van de beslissingen van de officier van justitie. Van het beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding lijkt geen kennis te zijn genomen. Verder brengt de gemachtigde inhoudelijke bezwaren naar voren tegen de opgelegde sancties.</para>
    <para />
    <para>7. Ten aanzien van een eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, overweegt het hof dat de door de gemachtigde geschetste omstandigheden het beroep daarop niet rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is immers dat de betrokkene inspanningen heeft verricht om een oplossing voor de (kennelijk stelselmatige) problemen met de postbezorging te bewerkstelligen. Dit lag wel op zijn weg. Eenieder wordt geacht op het adres waarop hij in het basisregister is ingeschreven bereikbaar te zijn voor brieven van instanties, waaronder beschikkingen van het CJIB. Dat de betrokkene heeft nagelaten adequate maatregelen te nemen om een behoorlijke postbezorging te verzekeren, komt voor zijn rekening. </para>
    <para />
    <para>8. Ten aanzien van het beroep van de gemachtigde op jurisprudentie van het EHRM, overweegt het hof dat sancties ingevolge de WAHV naar vaste rechtspraak gelden als een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Ook in WAHV-procedures komt een betrokkene dus een beroep toe op de waarborgen die uit dit verdrag voortvloeien, waaronder een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. <?linebreak?>Dit recht op toegang tot de rechter is blijkens vaste jurisprudentie van het Europese Hof echter niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 194).  Reeds eerder is geoordeeld dat het stellen van een beroepstermijn op zichzelf geen ongerechtvaardigde beperking is van het recht op toegang tot de rechter (vgl. het arrest van het hof van 5 februari 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:825). Voor de betrokkene stond bij iedere beschikking een rechtsgang open die van de door het EVRM vereiste waarborgen is voorzien. Dat de betrokkene van deze mogelijkheid telkens geen gebruik heeft gemaakt, maakt niet dat hem het recht op toegang tot een rechter is ontzegd. </para>
    <para />
    <para>9. De stelling van de gemachtigde dat op de inleidende beschikking de mogelijkheid van verschoonbare termijnoverschrijding moet worden vermeld, volgt het hof niet. Wanneer in een concrete zaak uiteen wordt gezet waarom het beroep te laat is ingesteld, wordt ingevolge artikel 6:11 van de Awb getoetst of dit de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn. Nog daargelaten dat een kortere overschrijding van de beroepstermijnen in dit geval niet tot een ander oordeel had geleid, schrijft geen rechtsregel voor dat een betrokkene vooraf op het bestaan van deze bepaling moet worden gewezen. </para>
    <para />
    <para>10. Het verweer van de gemachtigde dat de beslissingen van de officier van justitie onvoldoende zijn gemotiveerd, zal het hof verwerpen. Door de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege termijnoverschrijding, heeft de officier van justitie afdoende tot uitdrukking gebracht dat van verschoonbaarheid van de overschrijding geen sprake is. </para>
    <para />
    <para>11. Het hof concludeert dat uit hetgeen is aangevoerd niet volgt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De kantonrechter heeft de beroepen dan ook terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de bestreden beslissingen daarom bevestigen. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sancties.</para>
    <para />
    <para>12. Het hof merkt nog op dat de klacht van de gemachtigde dat door de kantonrechter in twee beslissingen op hetzelfde CJIB-nummer is geoordeeld ongegrond is. Gelet op de overige gedingstukken is evident sprake van een kennelijke verschrijving. De betrokkene is hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad. </para>
    <para />
    <para>13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de beslissingen van de kantonrechter;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>