<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2016:5611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T06:07:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-07-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.183.745/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2016-0196</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2016-0153</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:5611">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:5611</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-07-12T15:50:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2016:5611 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 07-07-2016 / 200.183.745/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2016:5611:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Erfrecht. Toestemming aan een wegens een geestelijke stoornis onder curatele gestelde erflaatster tot herroeping van haar uiterste wil. Art. 4:55 lid 2 BW. Door een ander dan de erflaatster ingesteld hoger beroep. Niet-ontvankelijkheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2016:5611:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof: 200.183.745/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland: Cb nr. 142450).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>beschikking van 7 juli 2016</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>in de zaak van</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Stichting Johan Dröge Fonds,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Haren ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: <emphasis role="bold">het Fonds</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. L.H. Poortman-de Boer, kantoorhoudende te Groningen , </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para> en</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verweerster] en</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>,</para>
      <para>adres houdende te [plaats] ,  </para>
      <para>hierna te noemen: <emphasis role="bold">[verweerders]</emphasis>  ,</para>
      <para>                  advocaat: mr. C.S.G. de Lange, kantoorhoudende te Groningen .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>                 Het  geding in eerste aanleg </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van</para>
      <para>de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen , van 26 maart  2014, hierna te noemen de beroepen beschikking.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>    Het geding in hoger beroep </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Fonds is bij een op 12 januari 2016 ter griffie binnengekomen beroepschrift in hoger beroep</para>
      <para>gekomen van de beroepen beschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	    Het in het beroepschrift neergelegde verzoek strekt ertoe:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 26 maart 2014, geregistreerd onder zaak/rolnummer Cb nr: 142450, te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat het verzoek van 14 februari 2014 van de toenmalige curatoren van wijlen mevrouw [erflaatster] , moet worden afgewezen, met veroordeling van deze curatoren in de kosten van deze procedure.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	    [verweerders] hebben bij een op 19 april 2016 binnengekomen verweerschrift verweer gevoerd.	</para>
      <para>	    Partijen hebben van de mondelinge behandeling van de zaak afgezien.		   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Grieven</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	    Het Fonds heeft twee grieven opgeworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vaststaande feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het hof gaat in hoger beroep van het volgende uit:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(i)	Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie [vestigingsplaats] , d.d. 20 december 2013 is op vordering van het openbaar ministerie [erflaatster] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] , destijds wonende te [plaats] , hierna te noemen [erflaatster] , wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld, met benoeming van [verweerders] tot curatoren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(ii)	[erflaatster] heeft bij openbaar testament, op 6 juli 2006 verleden voor mr. [notaris] , notaris te [vestigingsplaats] , over haar nalatenschap beschikt. Het Fonds is daarbij onder bezwaar van overige beschikkingen tot enige erfgenaam van haar nalatenschap benoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(iii)	Bij de beroepen beschikking is aan [erflaatster] op de voet van art. 4:55 lid 2 BW toestemming verleend tot het herroepen van haar uiterste wil, zij het dat in de beroepen beschikking wordt gerept van een in 2011 gemaakt testament.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(iv)	[erflaatster] is omstreeks medio 2015 overleden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De ontvankelijkheid van het Fonds in het ingestelde appel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Nu naar het oordeel van het hof enkel voor [erflaatster] zelf in het geval dat de kantonrechter afwijzend had beschikt op het verzoek om toestemming voor herroeping van haar uiterste wil, hoger beroep daarvan zou hebben opgestaan, moet het Fonds in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat het te dezen gaat om een destijds nog niet openvallen gevallen nalatenschap.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	 Bij het vorenstaande tekent het hof aan dat het door [verweerders] in eerste aanleg ingediende verzoek om toestemming aan [erflaatster] voor de herroeping van haar uiterste wil door het hof aldus wordt verstaan dat het door hen niet als curatoren van [erflaatster] , maar als haar procesgevolmachtigden is ingediend. De indiening van een dergelijk verzoek behoort immers niet tot de taak van een curator als zodanig, nu een uiterste wilsbeschikking enkel door de erflater zelf op straffe van nietigheid kan worden gemaakt en daarom als een hoogstpersoonlijke rechtshandeling wordt aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. 	Duidelijkheidshalve overweegt het hof voorts dat het hiervoor overwogene niet eraan in de weg staat dat het Fonds de geldigheid van de daadwerkelijke herroeping van de genoemde uiterste wil, die naar de stellingen [verweerders] , waarover het Fonds zich niet meer heeft kunnen uitlaten, op 4 april 2015 heeft plaatsgehad, in een dagvaardingzaak aan het oordeel van de rechter onderwerpt. Een op de voet van art. 4:55 lid 2 BW verleende toestemming sluit immers niet de mogelijkheid uit dat na het openvallen van de nalatenschap de geldigheid van de betrokken uiterste wilsbeschikking – in casu de herroeping - door de rechter op vordering van het Fonds aan het bepaalde in art. 3:34 BW wordt getoetst.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Met betrekking tot de grieven en het verweer:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Gelet op het hiervoor overwogene, behoeven de grieven en het verweer geen verdere behandeling.	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Het Fonds zal in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Gelet op het hiervoor overwogene, is naar het oordeel van het hof voor een kostenveroordeling geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het Fonds niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beschikking is gegeven door mr. W. Breemhaar, mr. M.E.L. Fikkers en  mr. M.W. Zandbergen en uitgesproken ter openbare zitting van dit hof van 7 juli 2016 in het bijzijn van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>