<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2016:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:07:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.158.899/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011468">Wet bescherming persoonsgegevens</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011468&amp;artikel=8">Wet bescherming persoonsgegevens 8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005289">Burgerlijk Wetboek Boek 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005289&amp;artikel=96">Burgerlijk Wetboek Boek 6 96</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005289&amp;artikel=162">Burgerlijk Wetboek Boek 6 162</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005290">Burgerlijk Wetboek Boek 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005290&amp;artikel=928">Burgerlijk Wetboek Boek 7 928</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005290&amp;artikel=941">Burgerlijk Wetboek Boek 7 941</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RAV 2016/47</rdf:li>
          <rdf:li>JA 2016/49 met annotatie van mr. H. Verdam</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:494">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-01-28T09:42:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2016:494 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 26-01-2016 / 200.158.899/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2016:494:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opzettelijke verzwijging en opzettelijk claimen van een schade die door een eerdere verzekeraar al was vergoed rechtvaardigen de vermelding van de verzekeringnemer in het CIS-register met extern verwijzingsregister. Toetsing aan het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2016:494:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.158.899/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 2667169 CV EXPL 14-154)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 26 januari 2016 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>appellant in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellant]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. T.P. Boer, kantoorhoudend te Arnhem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">N.V. [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [B]</para>
      <para>geïntimeerde in het principaal hoger beroep,</para>
      <para>appellante in het incidenteel hoger beroep,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiseres,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. J. van Rhijn, kantoorhoudend te Alkmaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Verwezen wordt naar het tussenarrest van 10 februari 2015</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van het geding in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verder verloop van de procedure is als volgt:</para>
      <para>- de memorie van grieven (met producties),</para>
      <para>- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties),</para>
      <para>- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.19) een aantal tussen partijen vaststaande feiten weergegeven. Hiertegen is geen grief gericht noch is anderszins van bezwaren daartegen gebleken. Derhalve zal ook het hof van deze feiten uitgaan. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, gaat het, voor zover in hoger beroep nog van belang, om de navolgende feiten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 6 december 2007 is ingebroken in de berging behorend bij de woning van [appellant] . In verband met deze inbraak heeft [appellant] een schadeclaim ingediend bij verzekeringsmaatschappij [C] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>Omstreeks 24 mei 2011 heeft [appellant] via zijn tussenpersoon [D] (verder: [D] ) een combiverzekering afgesloten bij [geïntimeerde] . Deze combipolis betreft een autoverzekering, opstalverzekering, inboedelverzekering en een </para>
        <para>WA-verzekering. In het daartoe door [appellant] ondertekende aanvraagformulier zijn met betrekking tot zijn schadeverleden van de afgelopen 5 jaar twee schadegevallen vermeld, te weten een schade aan een laptop in november 2010 en een aanrijding met een auto in december 2010. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Op deze verzekeringsovereenkomst zijn de door [geïntimeerde] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing. Artikel 12 van de algemene voorwaarden luidt – voor zover thans relevant – als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Wat doen wij wanneer wij fraude constateren?</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">a. Onder fraude verstaan wij:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- situaties waarbij u niet eerlijk vertelt wat er is gebeurd of wat de omstandigheden waren;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wanneer u bedragen op aankoopnota’s verandert of heeft veranderd;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wanneer u bij schade meer claimt dan de werkelijk geleden schade;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wanneer u een eerder ingediende en door ons afgewezen schade nogmaals opgeeft;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wanneer u opzettelijk schade veroorzaakt.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">b. Omdat alle klanten meebetalen aan de fraude van anderen werken wij aan fraudebestrijding. Bij fraude nemen wij de volgende maatregelen:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wij doen aangifte bij de politie;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wij vergoeden de schade niet en reeds uitgekeerde schadevergoedingen worden door ons teruggevorderd;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wij beëindigen de lopende verzekeringen en degene die fraude heeft gepleegd, kan bij ons geen andere verzekeringen meer afsluiten;</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">- wij plaatsen de gegevens van degene die fraude heeft gepleegd in een of meer registers die ook voor andere verzekeraars toegankelijk zijn</emphasis>.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Op 23 juni 2011 heeft [appellant] een schade aan zijn zonnescherm geclaimd bij verzekeraar [E] . Daarbij heeft hij aangegeven dat de schade is veroorzaakt door een speelgoedzwaard en dat het zonnescherm in 2008 is gekocht voor € 2.400,-.</para>
        <para>
          [E] heeft op 30 augustus 2011 een bedrag van € 1.040,- vergoed op basis van de dagwaarde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Op 12 september 2011 heeft [appellant] krasschade aan zijn auto gemeld bij [geïntimeerde] . Op het door hem ingevulde aanrijdingsformulier heeft hij vermeld dat zijn auto moedwillig rondom is bekrast. [appellant] heeft bij de politie aangifte van vernieling gedaan en heeft daarbij verklaard dat hij zijn auto in goede orde en zonder schade had achtergelaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <parablock>
        <para>Op 28 september 2011 heeft [appellant] een schade aan zijn zonnescherm gemeld bij [geïntimeerde] . Op het schadeaangifteformulier heeft hij aangegeven dat de schade op </para>
        <para>26 september 2011 is ontstaan en is veroorzaakt door een speelgoedzwaard. Daarbij is aangegeven dat het zonnescherm in 2009 is gekocht voor € 2.779,- en dat het op </para>
        <para>27 september 2011 is gerepareerd door [F] . [geïntimeerde] heeft op 8 december 2011 een bedrag van € 1.100,- vergoed. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Op 29 juni 2012 heeft [appellant] aangifte gedaan van inbraak in zijn berging tussen 26 juni 2012 en 28 juni 2012. In deze berging bevindt zich een geluiddichte muziekoefenruimte. In verband met deze inbraak heeft [appellant] een schadeclaim ingediend bij [geïntimeerde] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft een onderzoek naar de inbraak en de schade aan het zonnescherm doen instellen door [G] B.V. (verder: [G] ). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Op 2 januari 2013 heeft [G] een rapport uitgebracht. In hoofdstuk 8 van het rapport staat het volgende:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>"<emphasis role="italic">Gezien het vorenstaande, kan als resultaat van de ingestelde technische- en tactische expertise en daarbij gelet op de inhoud van de afgelegde verklaring, overlegde bescheiden en de gedane mededelingen, worden gesteld dat:</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para> <emphasis role="italic">gepresenteerd werd dat tussen 26 en 28 juni 2012 zou zijn ingebroken in de berging (schuur) achter de woning van verzekerde;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">uit de oefenruimte in deze berging goederen en muziekinstrumenten ontvreemd zouden zijn;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">men de oefenruimte had betreden na forceren van de tussendeur naar deze ruimte;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">de door verzekerde na de inbraak gemaakte foto’s tonen dat de slotplaat fors was uitgebogen, terwijl de sluitnaad tussen de deur en het kozijn slechts enkele millimeters groot is;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">hierna door verzekerde “reparaties” aan het slot uitgevoerd zijn;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">de sleutel van het slot door verzekerde werd weggeworpen, zodat (zonder destructie) geen interne expertise aan het slot uitgevoerd kon worden;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">hierbij vastgesteld had kunnen worden of het slot ten tijde van de gepresenteerde inbraak afgesloten en geforceerd was geweest;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para> <emphasis role="italic">in eerste instantie door verzekerde was aangegeven dat er geen braaksporen aanwezig waren en vervolgens werd aangegeven dat de binnendeur van de oefenruimte was geforceerd;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">verzekerde niet kon aangeven wanneer de door hem ter beschikking gestelde foto’s precies gemaakt waren, aan wie hij welke foto’s had gemaild en toegezegde foto’s van de braakschade niet kon overleggen omdat zijn laptop, met daarop de bewuste foto’s, zou zijn gecrasht:</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">de datum en tijdinstelling van de camera waarmee de foto’s gemaakt waren was uitgeschakeld;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">(…);</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">vier of 5 jaar geleden een identieke inbraak heeft plaatsgevonden;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para> <emphasis role="italic">verzekerde verschillende uitleg gaf omtrent de schadeclaims met betrekking tot het zonnescherm;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">verzekerde beweerdelijk, via de tussenpersoon, de [geïntimeerde] hiervan in kennis zou hebben gesteld, waarna uit coulance een aanvullende vergoeding zou zijn uitgekeerd en</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">verzekeraar, tussenpersoon en schade expert ontkenden hiervan op de hoogte te zijn geweest.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Resumerend wordt dan ook gesteld, dat de inbraak niet op de gepresenteerde wijze kan hebben plaatsgevonden. De sporen van braak aan het slot (het uitbuigen van de slotplaat) kunnen namelijk niet veroorzaakt zijn indien onderhavige deur gesloten was. Het kan niet worden uitgesloten dat de tussendeur niet was afgesloten en dat men tijdens / na de diefstal uit de oefenruimte schade aan het slot heeft aangebracht om een inbraak te ensceneren, mogelijk ingegeven door de telefonische mededeling van de tussenpersoon dat het zonder de aanwezigheid van sporen van braak en schadeuitkering moeilijk zou worden. (zie 4.3) Dat een onbekende derde (daders) deze handelingen zou verrichten is echter zeer onwaarschijnlijk te achten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De foto’s met de geringere schade aan het slot (het PDF bestand ten behoeve van de schade-expert) zijn mogelijk eerder gemaakt dan de foto’s van het slot met de fors uitgebogen slotplaat.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit zou inhouden, dat alle foto’s op het PDF bestand (met de geringere schade) eerder zijn gemaakt dan de foto’s van het slot met de ver uitgebogen slotplaat, welke verzekerde op 20 juli 2012 aan rapporteur [H] zond. Na een aanvullend verzoek om de overige originele digitale foto’s (van het PDF bestand) te zenden zou de laptop, met daarop de bewuste foto’s, gecrasht zijn en zouden alle foto’s verloren zijn gegaan.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kennelijk waren op 20 juli 2012 alle digitale foto’s nog niet “verloren” gegaan, doch werden een aantal geselecteerde foto’s verzonden. Immers rapporteur ontving zowel een foto (11-01-05) uit het PDF bestand met de geringere schade als foto’s (13-01-05) met de forse schade.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aangezien geconstateerd werd dat:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para> <emphasis role="italic">deze inbraak niet op de gepresenteerde wijze heeft kunnen plaatsvinden;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">door het “zoekraken” van de sleutel van het slot van de oefenruimte geen inwendig onderzoek aan het slot ingesteld kon worden en;</emphasis></para>
        <para> <emphasis role="italic">verzekerde op twee data digitale foto’s van de “schade” maakte, waarbij de foto’s met de geringere schade kennelijk eerder zijn gemaakt dan de foto’s met de forsere schade,</emphasis></para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">is het gelet op bovenstaande waarschijnlijk te achten, dat verzekerde zelf de braakschade heeft veroorzaakt, ten einde een inbraak te ensceneren. Of verzekerde negatief betrokken is bij de diefstal van de goederen vanuit de oefenruimte kon niet vastgesteld worden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Bij brief van 15 februari 2013 heeft [geïntimeerde] – kort gezegd – aan [appellant] meegedeeld dat zij tot de conclusie is gekomen dat sprake is van verzekeringsfraude, waaraan door haar gevolgen worden verbonden. In de eindconclusie van deze brief staat het volgende vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Eindconclusie</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gezien deze feiten kunnen wij helaas niet anders dan concluderen dan dat er sprake is van ernstige verzekeringsfraude. Bij zowel de schade van het zonnescherm als uw autoschade is aangetoond dat er sprake is geweest van verzekeringsfraude. Uw inbraakschade kan niet zijn ontstaan op de wijze zoals door u gepresenteerd. Gezien de vele opmerkelijke details ten tijde van de inbraakschade en uw schademelding hebben wij dan ook ernstige vermoedens van mogelijke enscenering van deze schade uwerzijds. Bij het aanvragen van de verzekeringen heeft u niet voldaan aan uw wettelijke mededelingsplicht ex art. 7:928 Burgerlijk Wetboek door geen melding te maken van uw eerdere inbraakschade. Ook hier is er dan sprake van verzekeringsfraude. Op grond van onze fraudeprotocollen en onze polisvoorwaarden kunnen wij dan ook niet anders dan hieraan gevolgen voor u te verbinden. Dit betekent voor u dat wij:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para> <emphasis role="italic">Gerechtigd zijn tot vordering van onze interne onderzoekskosten € 360,00 en dit ook zullen doen.</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">De reeds gedane vergoeding van de schade aan het zonnescherm voor het bedrag van </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">€ 1.100,00 op u terugvorderen.</emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">De totale kosten welke wij op u terugvorderen bedragen dan ook € 11.899,45. Wij verzoeken u dringend dit bedrag over te maken naar (…). </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Over zullen gaan tot beëindiging van uw gehele combipolis [000000] (…).</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Melding zullen maken van uw persoonsgegevens in het Centraal Informatiesysteem (CIS) van in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen voor een periode van 8 jaar. (…)</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para> <emphasis role="italic">Melding zullen maken van het incident in ons intern vertrouwelijk verwijzingsregister van de afdeling Speciale Zaken van [geïntimeerde] .</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overwegen aangifte te zullen doen bij politie/justitie wegens verzekeringsfraude. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…).</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <para>Op 24 april 2013 heeft [geïntimeerde] jegens [appellant] aangifte gedaan van poging tot oplichting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13</nr>
      <para>
        [appellant] heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en gevorderd dat zij zal overgaan tot verwijdering van de registratie van zijn persoonsgegevens uit het CIS-register. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft deze vordering bij vonnis van 1 augustus 2013 toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft de registratie van de persoonsgegevens van [appellant] uit het </para>
        <para>CIS-register verwijderd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15</nr>
      <para>De Stichting Centraal Informatie Systeem voor in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen (CIS) is een stichting die verzekeringsgegevens bewaart voor verzekeringsmaatschappijen en gevolmachtigd agenten. In de databank van CIS kunnen speciale meldingen worden gedaan. Dit zijn gegevens van verzekerden of andere personen en bedrijven die bewust over de schreef zijn gegaan ten opzichte van de verzekeraar of zijn gevolmachtigden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16</nr>
      <parablock>
        <para>De Nederlandse Vereniging van Banken, het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland en de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken hebben gezamenlijk een signaleringssysteem opgezet, dat regeling vindt in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (verder: het Protocol), dat via internet raadpleegbaar is. In het Protocol is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">(…)</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3.1.1</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Iedere Deelnemer heeft een Incidentenregister (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3.1.2</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aan het Incidentenregister is het Extern Verwijzingsregister gekoppeld. Dit Extern Verwijzingsregister (…) bevat uitsluitend Verwijzingsgegevens die onder strikte voorwaarden conform artikel 5.2 Protocol door de Deelnemers mogen worden opgenomen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">5.2.1</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>a. <emphasis role="italic">a) De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.</emphasis></para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">b) In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachten wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="italic">c) Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen. Dit houdt in dat Veiligheidszaken vaststelt, dat het belang van opname in het Externe Verwijzingsregister prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen voor de Betrokkene als gevolg van opname van zijn Persoonsgegevens in het Extern Verwijzingsregister. De Deelnemer dient de Verwijzingsgegevens van (rechts)personen die aan de hierna onder a en b vermelde criteria voldoen en na toepassing van het onder c genoemde proportionaliteitsbeginsel op te nemen in het Extern Verwijzingsregister.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17</nr>
      <para>Bij onherroepelijke uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 27 maart 2015 (derhalve daterend van na het vonnis in eerste aanleg in de onderhavige zaak) is [appellant] ter zake van de kwestie rond het zonnescherm (zie r.o. 2.5 en 2.7 van dit arrest) veroordeeld voor valsheid in geschrift en is hij veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren. Bij hetzelfde vonnis is [appellant] vrijgesproken ter zake van een aantal ten laste gelegde misdrijven in verband met de inbraak (zie r.o. 2.8 e.v. van dit arrest)</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil en de beslissing in eerste aanleg</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para>a. voor recht zal verklaren dat de CIS-registratie van [geïntimeerde] zoals gemotiveerd bij brief van 15 februari 2013 rechtmatig was en dat het [geïntimeerde] vrij staat om die CIS-registratie weer te laten plaatsvinden;</para>
      <para>b. [appellant] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 11.899,45, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2013 tot aan de dag van algehele voldoening,</para>
      <para>c. [appellant] zal verwijzen in de kosten van de procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellant] de mededelingsplicht ex artikel 7:928 BW heeft geschonden en daarnaast met betrekking tot de door hem ingediende schadeclaims opzettelijk onjuiste opgave heeft gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [appellant] heeft verweer gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De rechtbank heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van de grieven</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het principaal en het incidenteel appel appel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief 1 in het principaal appel</emphasis> valt in twee onderdelen uiteen. </para>
        <para>
          [appellant] klaagt in de eerste plaats dat de kantonrechter niets heeft overgenomen van het oordeel van de voorzieningenrechter. Deze klacht stuit af op het bepaalde in artikel in artikel 257 Rv. Het hof verwijst naar en neemt over wat de kantonrechter ter zake heeft overwogen in r.o. 4.1 van het bestreden vonnis. </para>
        <para>In de tweede plaats klaagt [appellant] dat zijn bewijsaanbiedingen niet zijn gehonoreerd en dat de zaak is afgedaan zonder zitting. Dit onderdeel mist zelfstandige betekenis. Het hof zal hierna, voor zover van toepassing, bezien of een relevant bewijsaanbod is gedaan en of dit dient te worden gehonoreerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grief 3 in het principaal appel </emphasis>is gericht tegen de vaststelling dat de overtredingen door [appellant] zo ernstig waren dat de CIS registratie rechtmatig was en dat het [geïntimeerde] vrijstaat die CIS-registratie weer te laten plaatsvinden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat opname in, met name, het externe verwijzingsregister van de Stichting CIS voor de betrokkene verstrekkende consequenties kan hebben. Alle deelnemende financiële instellingen kunnen immers door toetsing in het externe verwijzingsregister vaststellen dat er sprake is van opname in het incidentenregister van (een) andere deelnemer(s). Vervolgens is het mogelijk dat zij om nadere informatie omtrent opname kunnen vragen. Het gevolg hiervan kan zijn dat niet alleen de deelnemer die tot opname in het incidentenregister is overgegaan, maar ook andere deelnemers hun (financiële) diensten aan de opgenomen persoon zullen weigeren. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de grond(en) voor opname in bedoelde registers.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Dit uitgangspunt is terug te vinden in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen met de daarbij behorende Annex (hierna: het Protocol), zoals dat hiervoor gedeeltelijk is geciteerd in r.o. 2.16.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <parablock>
        <para>Ten slotte is in deze van belang de uitspraak van de Hoge Raad van 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720, NJ 2009, 243, luidende (voor zover relevant): </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het hof heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat voor verwerking in overeenstemming met het Protocol incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen van strafrechtelijke persoonsgegevens in bestanden als de onderhavige registers die onder het regime van de Wbp vallen een veroordeling door de strafrechter niet is vereist. Voorts heeft het hof terecht onder ‘strafrechtelijke persoonsgegevens’ verstaan ‘zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv. kunnen dragen’ en in dat verband evenzeer terecht als maatstaf genomen of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Van het vorenstaande uitgaande heeft het hof, zonder miskenning van zijn taak als burgerlijke rechter en zonder schending van de door art. 6 lid 2 EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie kunnen oordelen dat de in dit civiele geding als vaststaand aangenomen gedragingen van verzoekers waarover de strafrechter geen uitspraak heeft gedaan en, naar het hof kennelijk heeft aangenomen, ook niet zal doen een zwaardere verdenking opleveren dan enkel een redelijk vermoeden van schuld aan valsheid in geschrift of oplichting. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten beoordeelt het hof de onderhavige grief als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>
        [appellant] heeft geen grieven gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst zijn mededelingsplicht ex artikel 7:928 lid 1 BW niet is nagekomen, door de inbraak in zijn berging van 6 december 2007 te verzwijgen (r.o. 4.3 en 4.4), zodat het hof van de juistheid van dit oordeel zal uitgaan. Het hof voegt hier aan toe dat als onvoldoende weersproken vaststaat dat [appellant] hiervoor wisselende  verklaringen heeft gegeven. Eerst was zijn standpunt (tijdens het kort geding) dat het aanvraagformulier tijdens zijn vakantie is ingevuld door zijn tussenpersoon, dat hij dit formulier nooit heeft gekregen en ook niet heeft ondertekend. Nadat door [geïntimeerde] in de onderhavige procedure een door [appellant] ondertekend aanvraagformulier was overgelegd (dat wil zeggen: de handtekening staat onder de bij het formulier behorende offerte) heeft [appellant] enerzijds aangevoerd dat de aanvraag door zijn assurantietussenpersoon is ingevuld en dat hij die "blind" heeft getekend; anderzijds heeft hij gesteld dat er te weinig ruimte op het formulier was om naast de twee andere oude schades ook dit geval te vermelden. [appellant] heeft de ondertekening dus eerst ten onrechte ontkend. Voorts is “blind tekenen” iets anders dan weglaten van informatie omdat er geen ruimte zou zijn. Dit laatste veronderstelt immers een bewuste afweging, het eerste niet. Dit alles doet dermate afbreuk aan de geloofwaardigheid van [appellant] , dat het hof voorbij gaat aan zijn betwisting van de (in het standpunt van [geïntimeerde] besloten liggende) stelling dat hij <emphasis role="italic">opzettelijk</emphasis> de eerdere inbraak heeft verzwegen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>
        [appellant] heeft ook geen grief aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij ter zake van de geclaimde schade aan het zonnescherm opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt teneinde [geïntimeerde] te misleiden. Derhalve heeft het hof hiervan uit te gaan. Inmiddels is [appellant] ter zake van dit feit door de Politierechter veroordeeld voor valsheid in geschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Met name dit tweede feit, waarbij opzettelijk een bij een andere verzekeraar geclaimde en vergoede schade opnieuw is geclaimd bij [geïntimeerde] , is ernstig en vormt in combinatie met de verzwijging naar het oordeel van het hof reeds een voldoende zwaarwegende grond voor vermelding van de persoonsgegevens van [appellant] in het CIS-register. Ondanks de ingrijpende gevolgen daarvan voor [appellant] , is die opname proportioneel in verhouding tot de ernst van de daaraan ten grondslag liggende feiten. Nu genoemde feiten de CIS-registratie reeds rechtvaardigen, valt niet in te zien welk zelfstandig belang partijen nog kunnen hebben bij de bespreking van de kwesties inbraakschade (<emphasis role="underline">grief 2 in het principaal appel</emphasis>) en de autoschade (<emphasis role="underline">de grief in het incidenteel appel</emphasis>). Daarmee faalt de grief.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief 4 in het principaal appel</emphasis> houdt in dat de kantonrechter zich ten onrechte mede heeft gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs, namelijk informatie over de strafrechtelijke procedure en informatie over het voorgenomen strafontslag van [appellant] .</para>
        <para>Naar het oordeel van het hof mist deze grief een deugdelijke onderbouwing. De grief heeft dan ook te falen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief 5 in het principaal appel</emphasis> is gericht tegen de omvang van de veroordeling tot betaling van onderzoekskosten.</para>
        <para>
          [appellant] heeft de grondslag voor en de omvang van deze kosten van aanvang af bestreden (conclusie van antwoord sub 21 en 22). De kantonrechter heeft de grondslag voor de toewijsbaarheid van de onderhavige kosten gevonden in artikel 6:96 BW. Tegen dat oordeel is de onderhavige grief niet gericht, zodat het hof ervan uit zal gaan dat genoemd artikel een basis kan vormen voor de toewijzing van kosten als de onderhavige in dit geval. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] de omvang van de kosten niet gemotiveerd heeft bestreden. Het hof begrijpt de onderhavige grief aldus dat deze mede tegen dat oordeel opkomt. De grief slaagt in zoverre. [appellant] kón immers de omvang van de onderhavige vordering niet gemotiveerder betwisten bij gebrek aan enige onderbouwing van die vordering. Een specificatie van die kosten en een kopie van de factuur van [G] ontbreekt namelijk in de stukken van de eerste aanleg. In de memorie van antwoord stelt [geïntimeerde] dat zij de informatie (nogmaals) overlegt als productie 14. Echter, die productie bevat (wederom) geen enkele informatie over de (specificatie van) de kosten van [G] . De geclaimde kosten voor onderzoek door een externe deskundige zijn aldus noch in eerste aanleg noch in hoger beroep onderbouwd en daarom niet toewijsbaar.</para>
        <para>De genoemde productie 14 bestaat klaarblijkelijk uit een uitsplitsing van de gestelde interne kosten (12 uren à € 30,-) in een post van acht uur en een van vier uur, echter zonder enige nadere toelichting waaruit die werkzaamheden hebben bestaan. Derhalve zijn ook die kosten bij gebrek aan behoorlijke onderbouwing niet toewijsbaar.</para>
        <para>Voor zover de veroordeling tot betaling van een geldsom strekt tot terugbetaling van de geclaimde schade voor het zonnescherm (€ 1.100,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 februari 2013) is deze niet door de onderhavige of enige andere grief aangevallen. Het hof zal die veroordeling daarom in zoverre in stand laten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12</nr>
      <para>Er is geen ter zake dienend en voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod gedaan dat tot een ander oordeel zou kunnen leiden, zodat het hof aan bewijslevering niet toekomt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De slotsom</title>
    <parablock>
      <para>Het bestreden vonnis zal slechts worden vernietigd voor zover [appellant] is veroordeeld tot betaling van de gevorderde onderzoekskosten. Voor het overige zal het worden bekrachtigd. [appellant] zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedures in beide instanties dienen te dragen. In hoger beroep worden de kosten in het principaal appel (inclusief die van het incident) aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op </para>
      <para>€ 704,- aan verschotten en overeenkomstig 1 ½ punt in tarief II aan geliquideerd salaris voor de advocaat. Het incidenteel appel is onnodig ingesteld, omdat het hof op grond van de devolutieve werking de autoschade had moeten beoordelen indien het hof in het principaal appel op grond van de andere kwesties de CIS registratie niet gerechtvaardigd zou hebben bevonden. Daarom blijft in het incidenteel appel een kostenveroordeling achterwege. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De beslissing</emphasis>
      </para>
      <para>Het gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 september 2014 waarvan beroep ten aanzien van onderdeel 5.2 van het dictum</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in zoverre opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 1.100,-, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 15 februari 2013 tot de dag van betaling;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt dit vonnis voor het overige;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 704,- aan verschotten en € 1.341,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de daarin vervatte vernietiging en veroordelingen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.M.A. Wind en mr. G. van Rijssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 januari 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>