<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2016:2203</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-04T14:46:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-03-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.173.162/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroepKortGeding">Hoger beroep kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:2203">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:2203</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-05-04T14:45:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2016:2203 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 15-03-2016 / 200.173.162/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2016:2203:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie kort geding. Vraag of hagen zijn gesnoeid zoals bevolen door de bodemrechter. Vraag vanaf welk punt de hoogte moet worden gemeten. Aansluiting bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2016:2203:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.173.162/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/110041/ KG ZA 15-81)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 15 maart 2016  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het kort geding tussen </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellant]</emphasis>,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [appellante] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellante]</emphasis>,</para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>in eerste aanleg: eisers,</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: <emphasis role="bold">[appellanten]</emphasis>, </para>
      <para>advocaat: mr. G.A. Pots, kantoorhoudend te Leeuwarden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde 1]</emphasis>,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [geïntimeerde 2] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde 2]</emphasis>,</para>
      <para>geïntimeerden,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagden,</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: <emphasis role="bold">[geïntimeerden]</emphasis>, </para>
      <para>advocaat: mr. A. Atema, kantoorhoudend te Groningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 juni 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding  hoger beroep  </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure is als volgt:</para>
      <para>- de dagvaarding in hoger beroep (met grieven) tevens houdende verandering/vermeerdering van eis  d.d. 2 juli 2015 (met producties);</para>
      <para>- de memorie van antwoord (met producties);</para>
      <para>- het tussenarrest van 22 september 2015 (waarin per abuis [geïntimeerde 2] niet als geïntimeerde is vermeld en welk arrest in zoverre wordt gerectificeerd);</para>
      <para>- de comparitie van partijen d.d. 3 november 2015, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, waarbij akte is verleend van het indienen van nadere producties (genummerd 30, 32 en 33) door [appellanten] en waarbij van beide zijden spreeknotities zijn overgelegd;</para>
      <para>- een akte uitlating producties aan de zijde van [geïntimeerden] en een akte tot (alsnog) overlegging van productie 30 aan de zijde van [geïntimeerden] (de memorie van antwoord in de bodemzaak);</para>
      <para>- een antwoordakte van [appellanten] (waarvan onderdelen 4 en 5 door de rolraadsheer zijn geweigerd). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering van [appellanten] in hoger beroep luidt:</para>
        <para> "<emphasis role="italic">bij arrest van het vonnis van de Rechtbank Noord Nederland met zaaknummer/rolnummer C/19/110041/KG ZA 15-81 d.d. 4 juni 2015 te vernietigen en opnieuw rechtdoende voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</emphasis></para>
        <para>I. <emphasis role="italic">Te verklaren voor recht dat geïntimeerden door het nemen van executoriale maatregelen vanaf 1 mei 2015, aangevangen op grond van het arrest van het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden (zaaknummer 200.123.197/01) onrechtmatig hebben gehandeld jegens appellanten;</emphasis></para>
        <para>II. <emphasis role="italic">Te bepalen dat geïntimeerden binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest zullen overgaan tot terugbetaling van de door [appellanten] betaalde dwangsommen ad € 20.000,- alsmede de door [appellant] betaalde executiekosten ten bedrage van € 2948,69 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat appellanten deze bedragen aan geïntimeerden hebben voldaan tot aan de dag der algehele voldoening;</emphasis></para>
        <para>III. <emphasis role="italic">Te bepalen dat geïntimeerden binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest dienen over te gaan tot betaling van de alle daadwerkelijk door appellanten in verband met de onderhavige kwestie gemaakte advocaatkosten, proceskosten, kosten derden waaronder de kosten van ingenieursbureau MUG B.V., en overige schade, waaronder kosten voor het vervangen vervoer, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling van deze kosten, tot aan de dag der algehele voldoening.</emphasis>"</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.17) een aantal feiten weergegeven waarvan in dit kort geding kan worden uitgegaan. Hiertegen zijn (behoudens de gegronde klacht dat de voorzieningenrechter in 2.1 ten onrechte heeft aangenomen dat ter plaatse langs [straatnaam adres 2] een stoep loopt, zie grief III) geen grieven aangevoerd en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken. Aangevuld met wat in hoger beroep nog is komen vast te staan, gaat het om het volgende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellanten] zijn eigenaar van de woning c.a. gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] .</para>
        <para>
          [geïntimeerden] zijn eigenaar van de woning c.a. gelegen aan [adres 2] te [woonplaats] . Het</para>
        <para>perceel van [appellanten] grenst met de achterzijde aan de zijkant van het perceel van [geïntimeerden]</para>
        <para>Beide percelen lopen schuin af naar [straatnaam adres 2] . Aan de achterzijde van het perceel van</para>
        <para>
          [appellanten] staat, grenzend aan het perceel van [geïntimeerden] , een coniferenhaag. Achter de</para>
        <para>coniferenhaag staat een houten schutting die ook van [appellanten] is. Aan de zijkant van het</para>
        <para>perceel van [appellanten] staat, grenzend aan [straatnaam adres 2] , een beukenhaag.</para>
        <para>Tussen de beukenhaag en [straatnaam adres 2] ligt een trottoirband.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen en tussen [geïntimeerden] en de gemeente [gemeente] , zijn</para>
        <para>procedures gevoerd, die betrekking hebben op de erfafscheiding van partijen.</para>
        <para>Bij brief van 3 oktober 2013 heeft de gemeente [gemeente] over de wijze van</para>
        <para>het meten van een haag aan [appellanten] het volgende geschreven:</para>
        <para>‘<emphasis role="italic">Een wijze van meten specifiek voor hagen is daarom niet voorhanden. Ingeval er een</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">geschil zou zijn over de hoogte van hagen, dan zouden wij de hoogte bepalen zoals</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aangegeven in het Besluit omgevingsrecht (BOR. In bijlage II van dit Besluit is de wijze van meten opgenomen voor bouwwerken, die onder de werking van het Besluit vallen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 1, lid 2 bepaalt dat de hoogte van een bouwwerk gemeten wordt vanaf het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke niet bij het verdere verloop van het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven</emphasis>."</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Door dit hof is op 19 augustus 2014 een arrest gewezen, waarbij het hof - voor zover hier van belang - als volgt heeft beslist:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- “veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat de één presterende de ander daardoor is bevrijd,</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">om binnen twee maanden na betekening van dit arrest de coniferenhaag over een lengte van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vijf meter, te rekenen vanaf de openbare weg [straatnaam adres 2] , te snoeien tot maximaal 1.80</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">meter hoogte boven Peil, dan wel ter keuze van [appellanten] die haag te verwijderen en</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verwijderd te houden, zulks op straffe van een direct opeisbare aan [geïntimeerden] verschuldigde</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">dwangsom van € 250,00 per dag dat [appellanten] in gebreke blijven, met een maximum van </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">€ 20.000,00;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat de één presterende de ander daardoor is bevrijd, om binnen twee maanden na betekening van dit arrest de beukenhaag over een</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">lengte van zes meter, te rekenen vanaf de erfgrens tussen de percelen van partijen, te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">snoeien tot maximaal 1.80 meter hoogte boven Peil, dan wel ter keuze van [appellanten] die haag</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">te verwijderen en verwijderd te houden, zulks op straffe van een direct opeisbare aan [geïntimeerden] verschuldigde dwangsom van € 250,00 per dag dat [appellanten] in gebreke blijven, met een maximum van € 20.000,00;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, des dat de één presterende de ander zal zijn bevrijd, er</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">voor te zorgen dat de coniferen- en beukenhaag over genoemde lengtes in de toekomst niet</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hoger worden dan 1.80 boven Peil, (...).</emphasis>"</para>
        <para>Het hof heeft in r.o. 7.16 van genoemd arrest als volgt overwogen:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">Die hoogte zal - gelet op hetgeen de gemeente [gemeente] daarover in hun brief van</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3 oktober 2013 aan [appellanten] hebben geschreven - in redelijkheid moeten worden berekend</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan de hand van de hoogte van het terrein waarop de hagen zich bevinden, waarbij geen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">rekening wordt gehouden met niet bij het verloop van het terrein passende verhogingen of</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verdiepingen, (hierna: Peil) en dus niet aan de hand van de hoogte waarop [straatnaam adres 2]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zich bevindt, nu de hagen staan op het perceel van [appellanten] , en niet direct aan [straatnaam adres 2]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic"> .</emphasis>"</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>Op 24 oktober 2014 hebben [appellanten] werkzaamheden in hun tuin laten uitvoeren door</para>
        <para>“Henry Vos Sierbestrating” (hierna: [sierbestratingsbedrijf] ). In een verklaring van [sierbestratingsbedrijf] van 30 april 2015 heeft hij een opsomming gemaakt van de werkzaamheden die hij aan de tuin van [appellanten] heeft uitgevoerd. In deze opsomming staat onder meer dat hij langs de kanten van een drietal hagen betonbandjes heeft aangebracht op exact dezelfde hoogte als het peil van de rest van het perceel. De beukenhaag en de coniferenhaag heeft hij gesnoeid op een hoogte van 1,75 meter boven peil. Van een aangebrachte verhoging van 20 cm, is [sierbestratingsbedrijf] niets bekend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>Op 7 november 2014 hebben [geïntimeerden] [appellanten] per aangetekende brief laten weten,</para>
        <para>dat door genoemde werkzaamheden het perceel 0.20 meter is verhoogd en hen geadviseerd de ontstane situatie per direct op te heffen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellanten] hebben daarop de gemeente [gemeente] verzocht metingen te</para>
        <para>verrichten. De heer [X] van de gemeente heeft per e-mail d.d. 24 november 2014</para>
        <para>het volgende bericht:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">(...) De hoogte is gemeten vanaf de bovenkant van de betonbandjes, die het gemiddelde is</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van de hoogte van het aansluitende terrein van [adres 1] . Uit de foto ‘s blijkt dat de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hoogte van de 2 heggen 1,75 meter bedraagt.</emphasis>”</para>
        <para>
          [geïntimeerden] zijn door [appellanten] van de meetresultaten op de hoogte gesteld bij</para>
        <para>aangetekende brief d.d. 28 december 2014.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <parablock>
        <para>Bij aangetekende brief d.d. 5 januari 2015 hebben [geïntimeerden] [appellanten] meegedeeld, dat</para>
        <para>nog niet conform het arrest van het hof is gepresteerd, omdat de hagen nog een hoogte</para>
        <para>hebben van ca. 2,00 meter, en aanspraak gemaakt op dwangsommen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <parablock>
        <para>Op 9 maart 2015 heeft [Y] , gerechtsdeurwaarder te Heerenveen, op verzoek</para>
        <para>van [geïntimeerden] een proces-verbaal van constatering opgemaakt. Met betrekking tot de</para>
        <para>coniferenhaag heeft de deurwaarder het volgende geconstateerd:</para>
        <para>"<emphasis role="italic">De metingen hebben plaatsgevonden direct vanaf de aarde tot het hoogste punt van de</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">conifeer. Mijn metingen hebben plaatsgevonden direct vóór de schutting (zo ‘n 1 centimeter</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">daarvoor) en dus vanaf het terrein van [adres 2] en direct achter de schutting (zo'n 1</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">cm daarachter) en dus vanaf het terrein van [adres 1] . Ik heb daarbij tussen de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verschillende hoogtes geen significante (meer dan 1 cm) meetverschillen waargenomen. Als</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beginpunt heb ik genomen de voorkant (gerekend vanuit de openbare weg aan [adres 2]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic"> te [woonplaats] ) van de eerste schuttingpaal, welke direct tegen de trottoirband</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan staat (...). Op dat punt is de conifeer 1,98 meter hoog. (...) Ik heb geconstateerd dat de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">conifeerhaag op genoemde afstanden de volgende hoogtes heeft:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">0,97 meter afstand vanuit paal: circa 1,90 meter hoog</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2,07 meter afstand vanuit paal: circa 1,84 meter hoog</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3,08 meter afstand vanuit paal: circa 1,82 meter hoog</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de beukenhaag heeft de deurwaarder het volgende geconstateerd:</para>
        <para>‘‘<emphasis role="italic">De metingen zijn verricht vanaf de trottoirband tot aan het hoogste punt van de</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beukenhaag. Ik heb geconstateerd dat de trottoirband op (nagenoeg) gelijke hoogte ligt met</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">de direct daarachter gelegen grond waarin de stam van de beukenhaag zich bevindt (...).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(...). Ik heb geconstateerd dat de beukenhaag de volgende hoogtes heeft:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beginpunt: ca. 2 meter hoog</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3 meter vanuit paal: circa 1,99 meter hoog</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">5,99 meter vanuit paal: circa 1,99 meter hoog</emphasis>’’.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>Op 26 maart 2015 heeft [Z] , gerechtsdeurwaarder te Drachten, eveneens een proces-verbaal van constatering opgemaakt. De deurwaarder heeft op drie plaatsen de hoogte van de coniferenhaag opgemeten en heeft hoogtes gemeten aan de voorzijde van de houten schutting respectievelijk aan de achterzijde daarvan van 1,77 respectievelijk 1,78, 1,81 respectievelijk 1,80 en 1,93 respectievelijk 1,99 meter.</para>
        <para>Met betrekking tot de beukenhaag zijn metingen gedaan van 2,045, 2,10 en 2,07 meter.</para>
        <para>Daarnaast heeft hij onder meer het volgende geconstateerd:</para>
        <para>"<emphasis role="italic">Aldaar heb ik geconstateerd dat over voornoemde lengte van 6 meters van voormelde</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beukenhaag de grond zich bevindende achter de beukenhaag na enkele centimeters schuin</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">omhoog gaat, naar een rij zich aldaar bevindende betonbanden (...). Deze betonbanden</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bevinden zich naar mijn inschatting op een hoogte van ongeveer 20 centimeter boven de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">hoogte van de hiervoor genoemde trottoirbanden en een geschatte afstand van 30 a 40</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">centimeter vanaf de stammen van voormelde beukenhaag</emphasis>."</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <parablock>
        <para>Op 23 april 2015 hebben [geïntimeerden] per deurwaardersexploot aan [appellanten] aangezegd</para>
        <para>dat genoemde dwangsommen zijn verbeurd en bevel gedaan om binnen twee dagen na de</para>
        <para>datum van exploot aan de inhoud van het arrest te voldoen.</para>
        <para>Per brief van 24 april 2015 heeft mr. Martens namens [appellanten] meegedeeld dat zij</para>
        <para>geen uitvoering zullen geven aan genoemd bevel.</para>
        <para>Op 29 april 2015 hebben [geïntimeerden] executoriaal beslag doen leggen op de woning</para>
        <para>van [appellanten] , onder de bank en op twee auto’s van [appellanten]</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>
        [appellanten] hebben na hun veroordeling in eerste aanleg (zie hieronder) aan Ingenieursbureau MUG opgedragen metingen te verrichten. In een brief van 24 juni 2015 staan de bevindingen van MUG, onder meer dat de hoogte van de hagen, gemeten aan de binnenzijden daarvan respectievelijk 1.78 meter (de beukenhaag) en 1.77 meter (de coniferenhaag) bedraagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil en de beslissing in eerste aanleg</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellanten] hebben [geïntimeerden] gedagvaard en gevorderd, samengevat, het staken van de executie, het opheffen van de beslagen, teruggave van de in beslag genomen auto's, betaling van schadevergoeding en proceskosten en een voorschot daarop van € 6.943,49, vermeerderd met rente.  </para>
        <para>
          [geïntimeerden] hebben verweer gevoerd.</para>
        <para>De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de kosten van de procedure. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Eiswijziging/spoedeisend belang/bespreking diverse vorderingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        [appellanten] hebben in de appeldagvaarding hun eis gewijzigd. Deze is thans komen te luiden zoals hiervoor onder 2.3 is weergegeven. Tegen die eiswijziging is op zichzelf geen bezwaar aangevoerd. Nu het hof de eiswijziging ook ambtshalve niet strijdig oordeelt met de beginselen van een goede procesorde, zal het hof recht doen op de gewijzigde eis. Deze strekt in de eerste plaats tot het geven van een verklaring voor recht. Voor toewijzing van een zodanige vordering is in kort geding evenwel geen plaats. Voorts strekt de eis tot terugbetaling van betaalde dwangsommen en executiekosten. Het spoedeisend belang bij die vordering is onderbouwd met de stelling dat [appellanten] een lening hebben moeten afsluiten om aan de veroordeling in eerste aanleg te kunnen voldoen en dat dit bedrag op korte termijn moet worden terugbetaald. Deze stelling is niet (gemotiveerd) weersproken zodat het hof in zoverre het spoedeisend belang aanwezig acht. Ten slotte is gevorderd  vergoeding van alle gemaakte advocaatkosten, proceskosten, kosten van derden en overige schade. Deze vordering is evenwel niet gespecificeerd en omtrent het spoedeisend belang is niets gesteld. Deze vordering is reeds daarom niet toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De grieven</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>De grieven luiden als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief I</emphasis>: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter: “<emphasis role="italic">Door [geïntimeerden] is overgelegd de toelichting op art 1 lid 2 Bor, waarvan de inhoud door [appellanten] niet is betwist</emphasis>”;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief II</emphasis>: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter: “<emphasis role="italic">Ter zitting is voldoende gebleken dat [appellanten] de gemiddelde hoogte hebben gemeten vanaf de bovenkant van de betonbandjes, zoals ook blijkt uit de email van de gemeente [gemeente] , d.d. 24 november 2014</emphasis>”;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief III</emphasis>: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter: “<emphasis role="italic">Beide percelen lopen schuin af naar [straatnaam adres 2] ” </emphasis>en <emphasis role="italic">“aan de zijkant van het perceel van [appellant] staat, grenzend aan de stoep van [straatnaam adres 2] , een beukenhaag</emphasis>”;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief IV</emphasis>: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter: “<emphasis role="italic">Hiermee is naar het oordeel van de Voorzieningenrechter niet voldaan aan het arrest van het Hof, dat voor de meetwijze uitgaat van het Bor. In de toelichting is immers nadrukkelijk bepaald dat niet gemeten dient te worden met een gemiddelde terreinhoogte. Dat is in deze zaak ook van belang omdat het terrein schuin afloopt. Bij meting met een gemiddelde terreinhoogte is de haag op het laagste punt hoger dan elders.</emphasis>”</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief V</emphasis>: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter: “<emphasis role="italic">Uit de door [geïntimeerden] overgelegde metingen van de deurwaarders blijkt afdoende dat de hagen, gemeten vanaf de grond waarin de struiken staan en dus niet zoals [appellanten] suggereert vanaf het perceel van [geïntimeerden] danwel vanaf [straatnaam adres 2] op diverse punten te hoog zijn</emphasis>”;</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief VI</emphasis>: Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter: “<emphasis role="italic">[geïntimeerden] mocht dan ook overgaan tot het nemen van executiemaatregelen. De dwangsommen zoals door [geïntimeerden] zijn aangezegd zijn verbeurd</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De bespreking van de grieven</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <parablock>
        <para>De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. In de kern betogen [appellanten] dat zij na het arrest van het hof van 19 augustus 2014 door [sierbestratingsbedrijf] de hagen hebben laten terugsnoeien tot een hoogte van 1 meter 75. Voorts hebben zij [sierbestratingsbedrijf] het gazon laten vervangen en betonnen opsluitbanden achter de hagen laten aanbrengen. Daarbij is het terrein volgens hen niet verhoogd. De hoogte van de opsluitbanden is gelijk aan de hoogte van de rest van het perceel. Gemeten vanaf die opsluitbanden is de hoogte van de hagen minder dan 1 meter 80. Dit blijkt uit de meting door de gemeente en ook uit het overgelegde rapport van Ingenieursbureau MUG d.d. 24 juni 2015 (hierna: het rapport MUG). Anders dan de voorzieningenrechter heeft aangenomen, is dus niet gemeten vanaf een gemiddelde hoogte. De voorzieningenrechter is voorts voorbijgegaan aan het derde lid van artikel </para>
        <para>1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), waarin is bepaald dat het deel van een bouwwerk dat gelegen is op de erfgrens gemeten moet worden aan de kant waar het aansluitend afgewerkte terrein het hoogst is. In dit geval is dat vanaf de opsluitbanden. Op grond hiervan betogen [appellanten] dat zij aan de veroordeling door het hof hebben voldaan en dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd. [geïntimeerden] hebben deze stellingen bestreden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof overweegt als volgt. Beoordeeld dient te worden of [appellanten] hebben voldaan aan hetgeen waartoe zij zijn veroordeeld door dit hof in zijn arrest in de bodemzaak van </para>
        <para>19 augustus 2014. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag vanaf welke punten de hoogte van de hagen dient te worden gemeten. Die vraag is van belang omdat uit de stukken blijkt dat het perceel van [appellanten] afloopt naar respectievelijk [straatnaam adres 2] (de openbare weg) en het perceel van [geïntimeerden] . Grief III lijkt dit weliswaar te bestrijden, maar uit de toelichting volgt dat [appellanten] niet betwisten dat hun perceel afloopt, zij stellen slechts dat het perceel van [geïntimeerden] sterker afloopt naar [straatnaam adres 2] dan hun perceel. Ook uit het door [appellanten] zelf overgelegde rapport MUG blijkt het afschot: “<emphasis role="italic">Ter plaatse hebben wij geconstateerd dat het perceel [adres 1] (…) een verloop op afschot heeft om (…) aansluiting te vinden bij [straatnaam adres 2] en (…) bij het perceel [adres 2]</emphasis>.” Uit de processen-verbaal van beide gerechtsdeurwaarders met bijbehorende foto’s leidt het hof af dat dit afschot niet gering is; volgens inschatting van deurwaarder [Z] gaat het (wat de coniferenhaag betreft) om een hoogteverschil van 20 cm over een afstand van 30 à 40 cm tussen de trottoirband en de betonbanden in de tuin van [appellanten] . De stammen van de coniferenhaag staan in de grond gelegen naast de trottoirband en die grond ligt nog op ongeveer gelijke hoogte met de trottoirband. Daarachter loop de grond omhoog (zie de foto op blz. 6 van het PV van [Y] ). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof heeft wat betreft de vraag hoe er moet worden gemeten in zijn arrest van </para>
        <para>19 augustus 2014 aansluiting gezocht bij bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het begrip “<emphasis role="italic">Peil</emphasis>” is door het hof in zijn genoemde arrest omschreven als “<emphasis role="italic">het terrein waarop de hagen zich bevinden, waarbij geen rekening is gehouden met niet bij het verloop van het terrein passende verhogingen of verdiepingen</emphasis>” (r.o. 7.16) Die omschrijving  is rechtstreeks ontleend aan artikel 1 lid 2 van bijlage II bij het Bor. Op zichzelf kan het hof dan ook met [appellant] meegaan voor zover zij betogen dat voor de beantwoording van de vraag of zij hebben voldaan aan de veroordeling door het hof zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het Bor.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellanten] beroepen zich op het derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het Bor, waarin is bepaald dat het deel van een bouwwerk dat gelegen is op de erfgrens gemeten moet worden aan de kant waar het aansluitend afgewerkte terrein het hoogst is. Om die reden menen zij dat de hoogte van de haag gemeten moet worden vanaf de betonnen opsluitbanden die zij op hun perceel, dus aan de binnenzijde van de hagen, hebben aangebracht en die volgens hen op een gelijke hoogte zijn gelegen als de rest van hun perceel. Het hof kan hen daarin niet volgen. Uit de stukken (waaronder de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 2 februari 2011 p. 2 bovenaan en de uitspraak van het hof van </para>
        <para>19 augustus 2014 onder 4.3) blijkt namelijk dat beide hagen niet op of tegen de erfgrenzen zijn geplant. Op de erfgrens met het perceel van [geïntimeerden] staat een houten schutting. Daarachter, op de grond van [appellant] derhalve, staat de coniferenhaag. Op de erfgrens met [straatnaam adres 2] stond (of staat wellicht nog gedeeltelijk) een hekwerk bestaande uit houten staanders met daartegen draadgaas. Achter dit hekwerk (bezien vanaf [straatnaam adres 2] ) is de beukenhaag geplant. Ook deze haag bevindt zich dus op eigen grond van [appellant] . Het enkele feit dat aan de buitenzijde van de hagen de uiteinden van de takken mogelijk gelijklopen met (een loodlijn op) de erfgrens maakt dit niet anders. Feit is dat, anders dan wat het geval zou zijn geweest bij een muur of schutting die op of tegen de erfgrens is geplaatst, de grond aan beide zijden van de stammen toebehoort aan dezelfde eigenaar, namelijk [appellanten] . Dit brengt mee dat een vergelijking met artikel 1 lid 3 bijlage II BOR naar het oordeel van het hof niet opgaat. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat overeenkomstig het tweede lid van genoemd artikel de hoogte gemeten moet worden “vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.” Dit “aansluitend afgewerkte terrein” is dus de grond van [appellanten] waarin de hagen staan, zoals het hof ook al heeft aangegeven in r.o. 7.16 van het arrest van 19 augustus 2014. Uit de nota van toelichting op het Bor (Stb. 2010, 143)</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6</nr>
      <para> blijkt dat daarbij rondom het bouwwerk gemeten moet worden. Het hof citeert: “<emphasis role="italic">Voor de goede orde wordt erop gewezen dat de hoogte van het bouwwerk rondom gemeten moet worden. Het bouwwerk dient daarbij, rondom gemeten, te voldoen aan de gestelde hoogtebepalingen. Er dient dus niet gemeten te worden met een gemiddelde terreinhoogte of vanaf een enkel meetpunt bij de hoofdtoegang van het bouwwerk of het laagste of het hoogste punt van het aansluitende afgewerkte terrein.</emphasis>” Uit de metingen van beide deurwaarders blijkt naar het oordeel van het hof overduidelijk dat indien rondom de stam wordt gemeten, er sprake is van diverse overschrijdingen van de maximale hoogte van 1 meter 80. Dit is als zodanig ook door de voorzieningenrechter vastgesteld en niet gemotiveerd door [appellant] betwist. [appellant] stelt in de toelichting op grief V enkel dat indien vanaf de betonbanden wordt gemeten (dus aan de binnenzijden van de hagen), er geen overschrijding heeft plaatsgevonden (appeldagvaarding onder 6.2, slot en onder 6.3). Die benadering is echter hiervoor verworpen. Op deze constatering falen de grieven. Voor het overige behoeven zij geen afzonderlijke bespreking.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <para>Het bestreden vonnis zal, met verbetering van gronden, worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, tot heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op … aan verschotten en overeenkomstig 1 ½ punt, tarief II aan geliquideerd salaris van de advocaat. Het hof merkt nog op dat voor de comparitie geen punt is berekend omdat [geïntimeerden] zonder advocaat zijn verschenen, hetgeen een nodeloze nadere aktewisseling veroorzaakte. Tegen de gevorderde hoofdelijke veroordeling is geen verweer gevoerd, zodat deze toewijsbaar is.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het gerechtshof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 juni 2015;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 311,- aan verschotten en € 1.341,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. W. Breemhaar en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 maart 2016. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>