<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2016:1790</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-03-30T11:29:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-03-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.155.863/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:1790">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2016:1790</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-03-30T11:28:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2016:1790 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-03-2016 / 200.155.863/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2016:1790:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geschil tussen ex-echtgenoten omtrent beschadigingen in de voormalige echtelijke woning.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2016:1790:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht, handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.155.863/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 586569 / CV EXPL 13-5650)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van 8 maart 2016 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [A] ,</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellante]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. N. Hollander, kantoorhoudend te Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [B] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiser,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In eerste aanleg is als volgt geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in:<?linebreak?>- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de rechtbank) van 26 maart 2013, waarin de vordering tot schadevergoeding van [geïntimeerde] is verwezen naar de afdeling Privaatrecht, locatie Groningen, kamer voor kantonzaken (hierna: de kantonrechter);<?linebreak?>-  de tussenvonnissen van 27 augustus 2013, 29 april 2014 en 15 juli 2014 van de kantonrechter. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De kantonrechter heeft bij genoemd tussenvonnis van 15 juli 2014 alsnog tussentijds hoger beroep opengesteld tegen het tussenvonnis van 29 april 2014.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure is als volgt:</para>
      <para>- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 juli 2014,</para>
      <para>- de memorie van grieven, <?linebreak?>- een akte van depot zijdens [geïntimeerde]<?linebreak?>- de memorie van antwoord (met producties).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering van [appellante] in hoger beroep luidt:</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">"(…) bij arrest te vernietigen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, afdeling Privaatrecht, op 29 april 2014 onder zaaknummer 586569 / CV EXPL 13-5650, gewezen, en, opnieuw rechtdoende, doende wat de kantonrechter in eerste aanleg, had behoren te doen, alsnog bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van geïntimeerde alsnog af te wijzen zulks met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties</emphasis>."<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten  </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In deze zaak staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast.<?linebreak?></para>
      <paragroup>
        <nr>3.1.1</nr>
        <para>Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van 21 augustus 2012 van de rechtbank is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 september 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.  Bij beschikking van 26 maart 2013 is de vordering tot schadevergoeding van [geïntimeerde] verwezen naar de kantonrechter.<?linebreak?></para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2</nr>
        <para>Vanaf de feitelijke verbreking van de relatie in januari 2012 tot aan het vertrek van [appellante] in mei 2012 hebben [appellante] en [geïntimeerde] de echtelijke woning aan de [a-straat] 77 te [B]  gescheiden bewoond. [appellante] en haar dochter woonden in het achterhuis en [geïntimeerde] in het voorhuis.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3</nr>
        <para>De woning aan de [a-straat] 77 is eigendom van [geïntimeerde] .<?linebreak?></para>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] - samengevat - gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van € 22.000,-, vermeerderd met rente, wegens vernieling, beschadiging of het meenemen van aan [geïntimeerde] toebehorende zaken, deel uitmakend van zijn woning. Het zou daarbij gaan om het volgende: <?linebreak?>- alle wanden en plafonds van het achterhuis zijn door [appellante] bekrast of vernield;</para>
      <para>- de keuken van het achterhuis moet vervangen worden (de kantonrechter heeft deze stelling aldus begrepen dat [appellante] de keuken zou hebben vernield);</para>
      <para>- de deuren van het achterhuis zijn vernield of beschadigd;</para>
      <para>- verwarmingselementen zijn bekrast;</para>
      <para>- een bankje in het achterhuis is vernield;</para>
      <para>- de ventilatieleidingen in het achterhuis zijn vernield;</para>
      <para>- de kozijnen zijn vernield door het indraaien van schroeven;</para>
      <para>- een buitenlamp, buitenstopcontact, voordeurbel, kattenluik, ledverlichting buiten, schutting, tuinplanten, regenpijp en slotcilinders zijn vernield;</para>
      <para>- gereedschap en spullen uit de bedrijfsruimte van [geïntimeerde] zijn meegenomen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Ter comparitie in eerste aanleg van 25 juni 2014 heeft [geïntimeerde] zijn eis verminderd in die zin dat hij niet langer aanspraak maakt op vergoeding van gereedschap en spullen die uit zijn bedrijfsruimte zijn meegenomen. Tijdens deze comparitie heeft [geïntimeerde] voorts verklaard dat hij het bankje inmiddels heeft weggegooid.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Bij genoemd tussenvonnis van 27 augustus 2013 heeft de kantonrechter aan [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat [appellante] de genoemde zaken heeft vernield of beschadigd, alsmede dat hij dientengevolge schade heeft geleden voor een bedrag van € 22.000,-.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Bij het bestreden tussenvonnis van 29 april 2014 heeft de kantonrechter bewezen geacht dat [appellante] de door [geïntimeerde] gestelde beschadigingen heeft aangericht. Voorts heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, omdat partijen verschillen over de omvang van het schadebedrag. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Met betrekking tot de grieven</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grief I</emphasis> houdt in dat de kantonrechter in rechtsoverweging 2.2 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen:<?linebreak?><emphasis role="italic">"De kantonrechter leidt uit de getuigenverklaringen af dat [appellante] op de bewuste avond erg overstuur was en dat die avond in het door haar bewoonde gedeelte van de woning vernielingen zijn aangericht. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd gesteld dat [appellante] degene is geweest die de vernielingen heeft verricht. Geen van de getuigen heeft verklaard daadwerkelijk te hebben gezien dat [appellante] aan het vernielen was, maar uit de verklaringen in onderling verband en samenhang beschouwd concludeert de kantonrechter dat ook de getuigen daarvan uitgaan. [appellante] heeft ook niet betwist dat van de zijde van haar aanwezige familieleden tegen [geïntimeerde] is gezegd dat zij het huis zouden opruimen en daar ook geen andere verklaring voor aangedragen dan dat zij verantwoordelijk was voor de ravage."</emphasis><?linebreak?>In de toelichting op deze grief betoogt [appellante] dat op basis van de getuigenverklaringen, zelfs wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd, niet kan worden geconcludeerd dat zij degene is geweest die de vernielingen heeft aangericht.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grief II</emphasis> houdt in dat de kantonrechter in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen:<?linebreak?><emphasis role="italic">"Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [appellante] niet langer kan volstaan met de blote ontkenning dat zij de vernielingen heeft aangericht. Een en ander heeft zich in haar woning afgespeeld. Mocht er een andere oorzaak zijn geweest voor de - ook</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">door haar eigen familieleden geconstateerde - schade in haar woning dan de door [geïntimeerde]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gestelde, dan had het, gelet op hetgeen de getuigen hebben verklaard, op de weg van [appellante]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gelegen om de andere oorzaak voor die schade gemotiveerd te stellen en zo nodig te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bewijzen. Dat geldt mutatis mutandis ook voor de door [geïntimeerde] gestelde aard van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">schade, temeer gelet op de door [geïntimeerde] in dat verband overgelegde foto's. [appellante] heeft</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">evenwel in dat verband niets aangevoerd en ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid in contra- enquête getuigen voor te brengen."</emphasis>
          <?linebreak?>In de toelichting op deze grief betoogt [appellante] dat haar eigen familieleden niet hebben verklaard dat zij schade hebben geconstateerd. Alleen haar oom, de heer [C] , heeft verklaard dat er een paar gipsplaten kapot waren, alsmede dat een deur hard zou zijn dichtgeslagen. Ten aanzien van de deuren heeft [appellante] in eerste aanleg gesteld dat het juist [geïntimeerde] is geweest die een deur heeft ingetrapt en dat het [geïntimeerde] is geweest die deuren heeft dichtgeschroefd met alle schade van dien. Verder heeft [appellante] ten aanzien van een keukenkastdeurtje erkend dat dit per ongeluk, dus niet opzettelijk, door haar toedoen is ontzet. Ten aanzien van de gipsplaten stelt [appellante] dat deze door [geïntimeerde] zelf beschadigd moeten zijn. Zij betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij niet zou mogen volstaan met een blote ontkenning. Zolang [geïntimeerde] , op wie de bewijslast in deze rust, het bewijs niet heeft geleverd, mocht zij volstaan met een blote ontkenning, aldus [appellante] .<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Deze grieven stellen in essentie de vraag aan de orde of de kantonrechter terecht tot een bewezenverklaring is gekomen. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.<?linebreak?>Bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] het aan hem opgedragen bewijs heeft geleverd, stelt het hof voorop dat aan de getuigenverklaring van [geïntimeerde] zelf slechts beperkte bewijskracht toekomt. Ingevolge artikel 164 lid 2 Rv kan de verklaring van een partijgetuige omtrent door hem te bewijzen feiten immers geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Met dit laatste wordt gedoeld op aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [geïntimeerde] heeft als getuige, voor zover thans van belang, het volgende verklaard:<?linebreak?><emphasis role="italic">"(…)</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Een paar maanden later werd ik door de overbuurman gebeld, terwijl ik bij de Odd Fellows</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">was. Hij vertelde dat hij vanuit mijn woning herrie hoorde en gaf aan dat hij vermoedde dat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [appellante] nogal tekeer ging. Ik vond het emotioneel te zwaar om naar huis te gaan en heb daarom</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [appellante] 's moeder gebeld. Die is met een aantal familieleden naar [appellante] gegaan. Zij vertelde me</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">later dat ze ook nog 112 had gebeld.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toen ik later die avond thuis kwam, trof ik de familie van [appellante] . Een oom van haar zei dat er</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">door haar nogal wat was aangericht, maar dat de familie dat zou opruimen. Men wilde niet</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">dat ik zelf polshoogte zou gaan nemen. Om de zaak niet te laten escaleren heb ik dat toen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ook niet gedaan. Een paar dagen later kwamen er weer familieleden van [appellante] om op te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ruimen. Toen ben ik wel gaan kijken en trof in het achterhuis één grote ravage aan, zoals in het vonnis, dat u mij op dat punt nu voorleest, onder 2.2 staat vermeld.</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">(…)"</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>De getuigen [D] en [E] , respectievelijk moeder en zus van [appellante] , hebben zich beiden beroepen op hun verschoningsrecht.  <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <parablock>
        <para>De getuige [F] , nicht van [appellante] , heeft het volgende verklaard: <?linebreak?><emphasis role="italic">"U vraagt mij wat ik kan vertellen over vernielingen waarvan [appellante] door haar ex wordt</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beschuldigd. Ik was daar niet bij.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uit haar omgeving heb ik wel gehoord dat er iets dergelijks is voorgevallen, onder andere</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van een nichtje. Ik heb [appellante] daar nooit op aangesproken, want ze is een beetje overspannen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik ben in het door haar bewoonde deel van het huis geweest bij de verhuizing. Ik vond het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">toen wel meevallen met de vernielingen. Maar de één is de ander niet; wat de één een ravage</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">vindt, vindt de ander wel meevallen. Details over vernielingen kan ik niet geven, want ik heb</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">daar niet zo op gelet.</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Op vragen van mr. Van Horssen antwoord ik het volgende:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toen ik de spullen van [appellante] -voor haar verhuizing- heb helpen inpakken, woonde [appellante] bij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">mijn ouders. Mijn vader heeft mij verteld dat hij haar op een avond heeft opgehaald, omdat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zij overspannen was en hij bang was dat de situatie zou escaleren. Mijn vader heeft mij</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">verder geen details over de aanleiding om haar op te halen verteld." </emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <parablock>
        <para>De heer [C] , oom van [appellante] , heeft het volgende verklaard:<?linebreak?><emphasis role="italic">"Op een avond werd ik gebeld, door mijn zus en later door [E] . Ze vroegen of ik mee wilde gaan naar [appellante] , want die zou een zenuwinzinking hebben. Ik ben toen naar de woning van [appellante] gegaan en zij was geheel over de toeren.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als u mij vraagt of ik sporen van vernielingen heb aangetroffen, dan antwoord ik dat ik een paar kleine beschadigingen heb gezien. Als je hard met je vuisten tegen gipsplaten slaat, dan gaan die stuk. Er waren een paar gipsplaten kapot. Verder kon ik wel zien dat er hard met een deur was geslagen. Maar dat heb je bij scheidingen als deze. Dan gebeurt er over en weer wel eens wat.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik wilde voorkomen dat de zaak verder zou escaleren, gelet op de overspannen toestand van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [appellante] . Daarom heb ik haar toen meegenomen naar ons huis.</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Ik heb de offerte van [G] over de schade gezien. Het moet mij van het hart dat ik die</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zeer dubieus vindt. Ik krijg echt de indruk dat geprobeerd wordt hier een slaatje uit te slaan.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op vragen van mr. Van Horssen antwoord ik het volgende;</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op de avond waarover ik zojuist sprak, waren ook [E] en mijn zus aanwezig. Ik heb die</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">avond niet met [geïntimeerde] gesproken. Later wel. Hij heeft mij toen gevraagd wat er was</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gebeurd. Ik heb toen niet met hem over de vernielingen gesproken.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op een vraag van mr. Hollander antwoord ik:</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Zojuist heb ik gezegd, dat ik heb gezien dat er beschadigingen in de woning waren. Ik heb niet gezien dat [appellante] vernielingen heeft aangericht."</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat op grond van deze getuigenverklaringen zowel op zich als in onderlinge samenhang beschouwd, mede gelet op het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv, niet (voorshands) bewezen kan worden geacht dat [appellante] de door [geïntimeerde] gestelde beschadigingen aan de woning heeft toegebracht. Weliswaar lijken [C] (oom) en [F] (nicht) er blijkens hun verklaringen van uit te gaan dat [appellante] enige vernielingen heeft aangericht,  maar naar het oordeel van het hof is dit niet voldoende voor het slagen van het aan [geïntimeerde] opgedragen bewijs. Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking.<?linebreak?>[C] (oom) heeft tevens verklaard dat hij niet heeft gezien dat [appellante] vernielingen heeft aangericht. Bovendien heeft hij slechts enkele beschadigingen genoemd, te weten dat hij kon zien dat er hard met een deur was geslagen en dat er een paar gipsplaten kapot waren. Ten aanzien van de deuren in het achterhuis heeft [appellante] juist aangevoerd dat het [geïntimeerde] is geweest die een deur heeft ingetrapt en die deuren heeft dichtgeschroefd met alle schade van dien, hetgeen zij heeft onderbouwd met foto's (productie 1 bij de conclusie van dupliek).<?linebreak?>[F] (nicht) heeft omtrent het aanrichten van vernielingen door [appellante] een weinig concrete verklaring afgelegd, waarbij zij zich bovendien slechts baseert op 'horen zeggen'. Ten aanzien van de vernielingen zelf heeft zij verklaard dat die in haar ogen wel meevielen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9</nr>
      <para>Voor zover de overwegingen van de kantonrechter aldus dienen te worden begrepen, dat hij van oordeel is dat [appellante] in het licht van het voorliggende bewijsmateriaal onvoldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de stelling van [geïntimeerde] dat zij de door hem genoemde vernielingen heeft aangericht, overweegt het hof als volgt.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10</nr>
      <para>Naar het oordeel van het hof is de grief van [appellante] tegen dit oordeel gegrond. Daartoe neemt het hof het volgende in aanmerking.<?linebreak?>De getuigen hebben vrijwel niets over de aard en oorzaak van de vernielingen verklaard. Het gaat er na de bewijslevering om te beoordelen welke invloed die constatering op de bewijswaardering heeft. Het ligt dan niet op de weg van [appellante] om ten aanzien van alle door [geïntimeerde] genoemde beschadigingen/vernielingen (nader) gemotiveerd uiteen te zetten dat zij deze niet heeft veroorzaakt. Het ligt al helemaal niet op haar weg om dit, zoals de kantonrechter heeft overwogen, zo nodig te bewijzen. Dit zou immers neerkomen op bewijs van het tegendeel, dan wel een omkering van de bewijslast, waarvoor in casu geen grond bestaat. <?linebreak?>Het is dan ook aan [geïntimeerde] om nader bewijs te leveren van zijn stelling dat de door hem genoemde beschadigingen door [appellante] zijn veroorzaakt. Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen om - conform zijn bewijsaanbod (memorie van antwoord onder 46) - dit nader bewijs te leveren. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11</nr>
      <para>In het kader van grief II betwist [appellante] dat er hoe dan ook sprake is van de door [geïntimeerde] gestelde beschadigingen (memorie van grieven onder 19). Volgens [geïntimeerde] is dit een gepasseerd station, aangezien [appellante] in eerste aanleg de aanwezigheid van deze beschadigingen - expliciet dan wel impliciet - heeft erkend. Ten bewijze van de gestelde schade heeft [geïntimeerde] in hoger beroep een CD-Rom ter griffie van dit hof gedeponeerd. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12</nr>
      <para>Het hof overweegt dienaangaande als volgt.<?linebreak?>Volgens artikel 154 Rv is een gerechtelijke erkentenis het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij. Naar het oordeel van het hof is van zo'n uitdrukkelijke erkenning door [appellante] geen sprake. De enkele omstandigheid dat [appellante] de beschadigingen in eerste aanleg niet (uitdrukkelijk) heeft betwist, is daartoe ontoereikend. Evenmin is sprake van een gedekt verweer als bedoeld in artikel 348 Rv. Uit de proceshouding van [appellante] volgt immers niet ondubbelzinnig dat zij dit verweer heeft prijsgegeven.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13</nr>
      <para>Aangezien [appellante] nog niet op de CD-Rom met foto's heeft kunnen reageren, zal het hof haar in de gelegenheid stellen bij akte een reactie daarop te geven.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14</nr>
      <para>Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>alvorens nader te beslissen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>draagt [geïntimeerde] op te bewijzen feiten of omstandigheden waaruit volgt dat [appellante] de volgende onderdelen van zijn woning heeft beschadigd of vernield:<?linebreak?>- alle wanden en plafonds van het achterhuis;</para>
    </parablock>
    <para>- de keuken van het achterhuis;</para>
    <para>- de deuren van het achterhuis ;</para>
    <para>- verwarmingselementen van het achterhuis;</para>
    <para>- een bankje in het achterhuis;</para>
    <para>- de ventilatieleidingen van het achterhuis;</para>
    <para>- de kozijnen van het achterhuis door het indraaien van schroeven;</para>
    <para>- een buitenlamp, buitenstopcontact, voordeurbel, kattenluik, ledverlichting buiten, schutting, tuinplanten, regenpijp en slotcilinders;<?linebreak?>alsmede de omvang van de schade die hij dientengevolge heeft geleden;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.E.L. Fikkers, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van <emphasis role="underline">beide</emphasis> partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de <emphasis role="underline">roldatum dinsdag </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="underline">22 maart 2016</emphasis>, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) vaststelt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>stelt <emphasis role="bold">[appellante]</emphasis> in de gelegenheid om op de roldatum bij akte te reageren op de door [geïntimeerde] ter griffie van dit hof gedeponeerde CD-Rom met foto's;<?linebreak?></para>
      <para>het hof zal de procesdossiers van partijen onder zich houden; wanneer partijen te zijner tijd wederom arrest vragen, zal het hof hen in de gelegenheid stellen om aanvullend te fourneren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. M.E.L. Fikkers en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 maart 2016. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>