<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2014:9734</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T09:44:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-07-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">TBS P14/0145</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:9734">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:9734</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-15T15:23:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2014:9734 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-07-2014 / TBS P14/0145</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2014:9734:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het voor de tweede achtereenvolgende keer niet tijdig indienen van vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling niet relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dragend voor de beslissing van de rechtbank is evenwel dat, hoewel de vordering nog wel binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, géén sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de termijn eist. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stukken blijkt dat sprake is van een zodanig laag recidiverisico dat deze bijzondere omstandigheden niet aanwezig zijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2014:9734:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">TBS P14/0145 </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beslissing d.d. 3 juli 2014</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [naam terbeschikkinggestelde]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],</para>
    <para>verblijvende te [woonplaats]. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 7 februari 2014, houdende de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:</para>
  </parablock>
  <para>- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;</para>
  <para>- de beslissing waarvan beroep;</para>
  <para>- de akte van beroep van officier van justitie van 13 februari 2014;</para>
  <para>- de appelschriftuur van de officier van justitie, gedateerd 21 februari 2014;</para>
  <para>- de aanvullende informatie van Reclassering Nederland van 17 juni 2014.</para>
  <parablock>
    <para>Het hof heeft ter zitting van 19 juni 2014 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr W. Anker, advocaat te Leeuwarden, en de advocaat-generaal mr G.J. de Haas.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het advies van de reclassering</emphasis>
      </para>
      <para>De reclassering adviseert in het aanvullende advies om de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar, met wijziging van de voorwaarden. De verplichting tot het innemen van libidoremmende medicatie en de verplichting om zich te houden aan behandelvoorschriften van de behandelaars komen te vervallen. Verder dient de terbeschikkinggestelde mee te werken aan controles van de PC en/of de telefoon en dient de terbeschikkinggestelde een behandeling bij FPP Kairos of een soortgelijke instelling te volgen, ook als dat inhoudt een groepsbehandeling voor zedendaders, een en ander indien, en voor zover en zolang, de reclassering dat nodig acht. Met verlenging van de maatregel kan er verder gewerkt worden aan vermindering van het recidiverisico. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De terbeschikkinggestelde heeft zich ter zitting van het hof op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd. Hij heeft een goede behandeling gehad, intensieve therapieën gevolgd en beschikt thans over veel vrijheden. Er is geen sprake van incidenten en er is slechts zeer beperkt contact met de reclassering. Hij heeft veel aan zijn behandeling gehad en kan zich zelfstandig handhaven in de maatschappij. Dit heeft hij al een geruime tijd laten zien. De terbeschikkinggestelde heeft opgemerkt dat het hem bevreemdt dat zijn handtekening onder het recente reclasseringsadvies staat, terwijl hij het advies pas de ochtend van de zitting gezien heeft en het nooit heeft ondertekend.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, nu op de appelschriftuur het voor bepaling van de datum van inkomst leidende rechtbankstempel ontbreekt. </para>
      <para>Subsidiair heeft de raadsman man bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling, omdat deze vordering niet binnen de wettelijke termijn van artikel 509o, eerste lid van het wetboek van Strafvordering ( Sv.)    is ingediend, en geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 509oa, eerste lid Sv. De rechtbank heeft volgens de raadsman juist geoordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geval het hof de zaak inhoudelijk zal beoordelen heeft de raadsman bepleit dat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd. De recente risicotaxatie is gunstig, zijn cliënt beschikt over veel vrijheden en het contact de reclassering zeer beperkt. In de afgelopen periode zijn er geen signalen ontvangen die duiden op een verhoogd risico. De maatregel heeft zijn werk gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van het openbaar ministerie</emphasis>
      </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd de beslissing van de rechtbank te vernietigen en het openbaar ministerie ontvankelijk te verklaren in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De rechtbank heeft een onjuiste maatstaf gehanteerd door te overwegen dat het openbaar ministerie voor een tweede maal de vordering niet tijdig heeft ingediend. De tardieve indiening van de vordering is te wijten aan de veranderingen binnen de organisatie van het openbaar ministerie. Gelet op de aard van de indexdelicten, het feit dat de terbeschikkingstelling pas in 2011 is aangevangen, en de omstandigheid dat er geen sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling, kon bij de terbeschikkinggestelde niet het  vertrouwen ontstaan dat geen verlengingsvordering zou worden ingediend. Nu daarnaast ook slechts sprake is van een zeer geringe overschrijding van de termijn en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling eist, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vordering. Het ontbreken van een stempel met de datum waarop de schriftuur bij de rechtbank is ingekomen leidt op zichzelf ook niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep. </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft, verwijzende naar het advies van de reclassering, gevorderd de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar onder wijziging van de voorwaarden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Ontvankelijkheid openbaar ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Appelschriftuur</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie in het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu op de appelschriftuur het dagstempel van de rechtbank ontbreekt en ook overigens niet duidelijk is wanneer de schriftuur is ingekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt vast dat zich in het dossier een op 21 februari 2014 gedateerde appelschriftuur van de officier van justitie bevindt. Niet is vast te stellen wanneer en waar de officier van justitie deze schriftuur heeft ingediend nu een stempel ter zake van datum en locatie ontbreekt. Het dossier is op 6 maart 2014 - na controle op volledigheid daarvan - ingekomen bij het hof. De schriftuur was in ieder geval op dat moment ingediend. </para>
      <para>Gelet op artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering <emphasis role="italic">kan</emphasis> het niet (tijdig) indienen van een appelschriftuur tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Hetzelfde geldt als de appelschriftuur niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is ingediend. De wet verbindt echter aan een tardief en/of niet op de wettelijke wijze ingediende appelschriftuur niet dwingend de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn hoger beroep. Aldus is de appelrechter de discretionaire bevoegdheid en ruimte gegeven om anders te beslissen. </para>
      <para>Het hof is van oordeel dat, mede gezien de aard en de beperkte ernst van de verzuimen, het maatschappelijke belang van het in hoger beroep kunnen geven van een inhoudelijk oordeel over de vraag of de aan de terbeschikkinggestelde opgelegde maatregel al dan niet moet worden verlengd in dit geval zwaarder dient te wegen dan het belang van de terbeschikkinggestelde bij niet ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het hof zal derhalve het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling</emphasis>
      </para>
      <para>Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de omstandigheid dat het openbaar ministerie thans voor de tweede (achtereenvolgende) keer de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling niet tijdig heeft ingediend niet relevant voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn voorliggende vordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dragend voor de beslissing van de rechtbank is evenwel dat, hoewel de vordering nog wel binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, géén sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, verlenging van de termijn eist. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de stukken blijkt dat sprake is van een zodanig laag recidiverisico dat deze bijzondere omstandigheden niet aanwezig zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat de rechtbank met inachtneming van het voorgaande overigens op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met verbetering van de gronden worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bevestigt</emphasis> de beslissing van de rechtbank Gelderland van 7 februari 2014 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde <emphasis role="bold">[naam terbeschikkinggestelde]</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,</para>
      <para>mr A.J. Smit en mr J.W. Rijkers als raadsheren, </para>
      <para>en dr. W. van Kordelaar en dr.W.J. Canton als raden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr B.T.H. Janssen als griffier,</para>
      <para>en op 3 juli 2014 in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>