<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2014:9243</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T16:09:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.149.035-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2015-0044</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:9243">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:9243</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-03T13:26:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2014:9243 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-10-2014 / 200.149.035-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2014:9243:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Erfrecht. Beneficiaire aanvaarding. Vereffening. Opheffing van de vereffening. Art. 4:209 BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2014:9243:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof: 200.149.035/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 372409\OV VERZ 13-41).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>beschikking van de tweede kamer voor burgerlijke zaken van 3 oktober 2014</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [appellante],</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>in eerste aanleg: verzoekster,</para>
      <para>hierna te noemen <emphasis role="bold">[appellante]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. C.H.P. Groot-van Ederen, kantoorhoudende te Alkmaar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>		1.  <emphasis role="bold underline">[geïntimeerde 1]</emphasis>,</para>
      <para>		2.  <emphasis role="bold underline">[geïntimeerde 2]</emphasis>,</para>
      <para>		beiden wonende te [plaats],</para>
      <para>		verweerders,</para>
      <para>		in eerste aanleg: verweerders,</para>
      <para>		hierna te noemen: <emphasis role="bold">[geïntimeerden]</emphasis>,</para>
      <para>		advocaat: mr. I.J. Janssens, kantoorhoudende te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>		Belanghebbende:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, </para>
      <para>		wonende te [woonplaats],</para>
      <para>		hierna te noemen: <emphasis role="bold">[belanghebbende]</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para>In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 18 februari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen (kantonrechter), hierna te noemen de kantonrechter.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 mei 2014, is [appellante] in hoger beroep gekomen van de genoemde beschikking van 18 februari 2014, hierna te noemen de beroepen beschikking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zij heeft bij het verzoekschrift verzocht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">'de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, sector kanton, van 18 februari 2014 te vernietigen en de vereffening van de nalatenschap van [de erflater] op te heffen en te bepalen dat. voor zover publicatie noodzakelijk is, bekendmaking van de opheffing middels publicatie op uw website rechtspraak.nl plaatsvindt.'</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [geïntimeerden] hebben bij het op 11 juli 2014 ingekomen verweerschrift tegen de inwilliging van het verzoek van [appellante] verweer gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>    [appellante] heeft op 15 september 2014 een tweetal producties overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [geïntimeerden] hebben vervolgens op 26 september 2014 een negental producties</para>
      <para>overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft ter zitting van 29 september 2014 plaatsgehad, alwaar verschenen zijn [appellante], bijgestaan door mr. C.H.P. Groot-van Ederen, [geïntimeerden], bijgestaan door mr. I.J. Janssens, alsmede [belanghebbende].</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De grieven</title>
    <para>
      [appellante] heeft één grief opgeworpen.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="underline">De nagekomen producties</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De door [geïntimeerden] op 26 september 2014 overgelegde producties moeten naar het oordeel van het hof buiten beschouwing worden gelaten, nu deze niet tijdig in het geding zijn gebracht. Bij dit oordeel is tevens aanmerking genomen, dat [appellante] bezwaar heeft gemaakt dat de producties, die zij overigens niet volledig en deels onleesbaar heeft ontvangen,  mede aan de beoordeling van de zaak ten grondslag worden gelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De vaststaande feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist staat in hoger beroep het volgende vast:</para>
      <para>(i)	Op [in 2011] is in de gemeente [X] overleden [de erflater], geboren  te [geboorteplaats] op [geboortedatum], hierna te noemen de erflater.</para>
      <para>(ii)	De erflater is gehuwd geweest met [Y]. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Uit het huwelijk zijn geboren en in leven twee kinderen, te weten [geïntimeerden].</para>
      <para>(iii)	De erflater is op [in 1973] op huwelijkse voorwaarden gehuwd met </para>
      <para>
        [appellante]. Dit huwelijk is door het overlijden van de erflater ontbonden. Uit het huwelijk is geboren en in leven één kind, te weten [belanghebbende].</para>
      <para>(iv)	De akte van huwelijkse voorwaarden, op 9 februari 1973 verleden voor [notaris 1], destijds notaris te [plaats] (prod. 1 bij beroepschrift), vermeldt onder meer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">'Artikel 1</emphasis>
        <emphasis role="italic">. Er zal tussen de echtgenoten geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd, bestaan, wordende alzo de algehele gemeenschap van goederen, die van winst en verlies en die van vruchten en inkomsten uitdrukkelijk uitgesloten.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Artikel 3</emphasis>
        <emphasis role="italic">. De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten der verzorging en 	opvoeding van de kinderen, zullen door de man worden gedragen.'</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(v)	De erflater heeft blijkens het openbaar testament, op 13 december 2002 verleden voor de waarnemer van mr. [notaris 2], destijds notaris te [X] (prod. 2 bij beroepschrift), onder meer een ouderlijke boedelverdeling, als bedoeld in art. 1167 e.v. (oud) BW ten behoeve van </para>
      <para>
        [appellante] gemaakt<emphasis role="bold">.</emphasis></para>
      <para>(vi)	Ter zake van de genoemde ouderlijke boedelverdeling vermeldt het openbare testament onder meer:	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">'II.	</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">ERFSTELLING EN VERDELING</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">		(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">B.	</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">Verdeling </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     	Ik verdeel met gebruikmaking van de door artikel 1167 Boek 4 en volgende 	van het Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid bij deze mijn nalatenschap 	tussen mijn echtgenote en mijn overige erfgenamen als volgt:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">   	     	1. 	Ik deel toe aan mijn echtgenote: alle zaken en vermogensrechten die 				tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren, zulks onder de 					verplichting voor haar om:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	a. 	voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen: 		alle schulden die ten laste van mijn nalatenschap zullen 		blijken te bestaan alsmede de uitvaartkosten;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	b. 	de door mijn overige erfgenamen uit mijn nalatenschap 			verschuldigde successierechten alsmede ieders aandeel in de 		taxatie- en boedelkosten voor haar rekening te nemen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	c.	mijn overige erfgenamen voor alle aanspraken van derden 		deswege te vrijwaren.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     	2. 	Door de daardoor plaatshebbende overbedeling zal mijn echtgenote 			aan ieder van mijn overige erfgenamen schuldig zijn een bedrag gelijk 			aan de waarde van het erfdeel van de betrokken erfgenaam, berekend 			in het saldo van mijn nalatenschap en verminderd met ieders aandeel 			in de uitvaartkosten, eventuele successierechten, voor zover een en 			ander door mijn echtgenote is voldaan als sub 1.b. bepaald.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">     	3. 	Ik deel toe aan ieder van mijn overige erfgenamen de hiervoor sub 2 			gemelde vordering wegens overbedeling ten laste van mijn 				echtgenote.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Terzake van deze vorderingen behoeft door mijn echtgenote geen 	zekerheid te worden gesteld.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">C.	B</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">epalingen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">    	Deze verdeling vindt plaats onder de volgende bepalingen:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">    	1.	De waardering van de activa en passiva van mijn nalatenschap zal 	moeten geschieden in onderling overleg tenzij binnen zes maanden na 	mijn overlijden daaromtrent geen overeenstemming is bereikt. In dat 	geval dient de waardering te geschieden door één of meer in 	onderling overleg te benoemen deskundige(n). Indien mijn 	erfgenamen het	onderling ook daaromtrent niet eens worden, 	geschiedt de benoeming en de vaststelling van het aantal deskundigen 	door de kantonrechter in wiens ambtsgebied de activa zich bevinden. 	Betreft het activa in het 	buitenland of passiva dan geschiedt deze 	benoeming en vaststelling door de kantonrechter van mijn 	laatste woonplaats.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">   	2. 	De sub B.3. aan mijn overige erfgenamen toegedeelde vorderingen ten 			laste van mijn echtgenote zullen eerst opeisbaar zijn bij haar 				overlijden.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">   	3. 	Over de hoofdsommen is mijn echtgenote rente verschuldigd vanaf de 			dag van mijn overlijden tot die van de voldoening van het 				verschuldigde, zonder dat er sprake kan zijn van rente op rente.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">				Deze rente zal worden berekend tegen een percentage, gelijk aan de 				wettelijke rente ten tijde van mijn overlijden, tenzij betrokkenen na mijn 				overlijden anders overeenkomen. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">                          (…).'</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(vii)	Voorts heeft de erflater ingevolge de genoemde uiterste wil als enige erfgenamen van zijn nalatenschap achtergelaten [appellante] voor 1/100, [geïntimeerden] ieder voor 25/200, alsmede [belanghebbende] voor 74/100.</para>
      <para>(viii)	[appellante] en [belanghebbende] hebben de nalatenschap van de erflater op 8 maart 2012 aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. [geïntimeerden] hebben dat op 29 augustus 2013 gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het geding in eerste aanleg</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	[appellante] heeft blijkens het inleidende verzoekschrift verzocht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">'de vereffening van de nalatenschap van de heer [de erflater] op te heffen en verzoekster te ontslaan van de verplichting de opheffing te publiceren ex artikel 4:209 lid 4 BW.'</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	   4.	Het dictum van de beroepen beschikking luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">'wijst af het verzoek tot opheffing ex art. 4:209 BW van de vereffening van de nalatenschap van erflater.' </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepasselijke recht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>                 5.       Aangezien de erflater onder het huidige erfrecht is overleden, is op grond van art. 68a </para>
      <para>             Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek dit recht te dezen van toepassing met dien</para>
      <para>             verstande dat op grond van art. 129 lid 4 van die wet de door de erflater gemaakte</para>
      <para>             ouderlijke boedelverdeling moet worden geëerbiedigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Met betrekking tot de grief</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Met de grief komt [appellante] op tegen de afwijzing van haar verzoek door de kantonrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat het verzoek van [appellante] tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap van de erflater voor inwilliging vatbaar is, nu [appellante] onweersproken, althans onvoldoende weersproken, heeft gesteld, dat zij - in overeenstemming met het bepaalde in het genoemde openbare testament onder II.B.1 - de daar bedoelde schulden en kosten voor haar rekening heeft genomen en als eigen schulden heeft voldaan. Bij dit oordeel is tevens in aanmerking genomen dat de regeling van de opheffing van de vereffening van een nalatenschap in art. 4:209 BW niet als uitputtend kan worden aangemerkt. Bij het vorenstaande tekent het hof voorts nog aan dat een geschil tussen de langstlevende echtgenoot en de afstammelingen van een erflater omtrent de vorderingen van de afstammelingen ten laste van de langstlevende echtgenoot uit hoofde van een tot verzorging van de langstlevende echtgenoot gemaakte ouderlijke boedelverdeling, zoals die onder tot 1 januari 2003 geldende erfrecht op grond van art. 4:1167 e.v. (oud) BW kon worden gemaakt, naar het oordeel van het hof niet aan een opheffing van de in afd. 4.6.3 BW bedoelde vereffening in de weg staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	Nu ter zake van de aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving geen publicatie van de zijde van partijen in de Staatscourant en in nieuwsbladen heeft plaatsgehad, ontheft het hof [appellante] van de verplichting tot publicatie van deze beschikking aldaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9.	De grief treft derhalve doel.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10.	De beroepen beschikking moet worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof  beslissen als in het dictum van deze beschikking zal worden omschreven. Gelet op de aanverwantschap tussen partijen zal het hof de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep compenseren in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beroepen beschikking, en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">opnieuw rechtdoende</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>heft de vereffening van de nalatenschap van de erflater op;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ontheft [appellante] van de verplichting tot publicatie van deze beschikking, als bedoeld in</para>
      <para>art. 4:209 lid 4 in verbinding met art. 4:206 lid 6 BW;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gelast de griffier van dit hof om een authentiek afschrift van deze beschikking te zenden aan de</para>
      <para>griffier van de rechtbank Noord-Nederland ten einde deze in de gelegenheid te stellen de</para>
      <para>opheffing van de vereffening van de nalatenschap van de erflater op de voet van art. 2 in   </para>
      <para>verbinding met art. 1 onder k van het Besluit boedelregister in het daar gehouden boedelregister </para>
      <para>in te schrijven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in die zin dat</para>
      <para>elke partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijs af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De beschikking is gegeven door mr. W. Breemhaar, mr. M.E.L. Fikkers en mr. G.K. Schipmölder en uitgesproken ter openbare zitting van dit hof van vrijdag 3 oktober 2014 in het bijzijn van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>