<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2014:8036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T18:36:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.156.364-01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Leeuwarden</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:8036">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:8036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-10-21T14:03:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2014:8036 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-10-2014 / 200.156.364-01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2014:8036:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot vaststelling dwangakkoord afgewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2014:8036:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 200.156.364/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank 159541 FT RK 1000/14)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de derde civiele kamer van 16 oktober 2014</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>hierna te noemen: <emphasis role="bold underline">[appellante]</emphasis>, </para>
      <para>advocaat: mr. S. Kleerebezem, kantoorhoudende te Lelystad,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de coöperatie de coöperatieve Rabobank Meppel-Staphorst-Steenwijkerland</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Meppel,</para>
      <para>hierna te noemen: <emphasis role="bold underline">Rabobank</emphasis></para>
      <para>gemachtigde: Gerechtsdeurwaarders [gemachtigde],</para>
      <para>geïntimeerde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 15 september 2014 is het verzoek van [appellante] tot vaststelling van een dwangakkoord (ex artikel 287a Faillissementswet) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 22 september 2014, heeft [appellante] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat Rabobank wordt gedwongen in te stemmen met de schuldregeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 3 oktober 2014, de brief met bijlagen van 6 oktober 2014 en drie afzonderlijke faxberichten van mr. Kleerebezem, alle van 7 oktober 2014 en alle met bijlage(n).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014, waarbij [appellante] is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.</para>
        <para>Hoewel behoorlijk opgeroepen is namens Rabobank niemand verschenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 292, lid 3 Faillissementswet en het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012: BY0966) kan [appellante] in haar hoger beroep tegen de afwijzing van het dwangakkoord worden ontvangen, nu zij haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar bij de rechtbank heeft ingetrokken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Op grond van artikel 287a, vijfde lid, Fw dient het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling te worden toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Eerste aanleg</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat - samengevat - Rabobank, op grond van haar grote belang in de totale schuldenlast en het geringe uitkeringspercentage, in redelijkheid tot de weigering heeft kunnen komen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beroep en verweer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en komt daartegen in beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Van [gemachtigde], de gemachtigde van Rabobank, is in hoger beroep geen verweerschrift ontvangen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van het hof</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling - waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand doet van zijn recht op voldoening - te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <parablock>
        <para>
          [appellante] heeft op of omstreeks 21 november 2013 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Dit aanbod houdt - samengevat weergegeven - het navolgende in: aan de</para>
        <para>preferente schuldeisers is aangeboden op een termijn van 36 maanden 2,79 % van hun</para>
        <para>vordering uit te betalen en aan de concurrente schuldeisers, eveneens op een termijn van</para>
        <para>36 maanden, is aangeboden 1,40% van hun vordering te betalen tegen verlening door de</para>
        <para>schuldeisers van finale kwijting. In beide gevallen is het voorstel gebaseerd op een prognose. Rabobank heeft niet ingestemd met het aanbod. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <parablock>
        <para>De totale schuldenlast van [appellante] bedraagt € 208.814,85. De schuld aan Rabobank bedraagt € 177.206,48. Vaststaat dat de schuldeiser die weigert in te stemmen met het aangeboden akkoord een financieel belang vertegenwoordigt van € 177.206,48.</para>
        <para>Rabobank vertegenwoordigt daarmee bijna 85 % van de totale schuldenomvang en krijgt slechts 1,40 % van haar vordering uitgekeerd bij instemming met de schuldregeling. Onder</para>
        <para>genoemde omstandigheden kan niet licht worden geoordeeld dat Rabobank in redelijkheid niet tot weigering heeft kunnen komen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Bovendien is ter zitting gebleken dat niet vaststaat dat [appellante] met het aanbod het uiterste heeft geboden waartoe zij financieel in staat moet worden geacht. [appellante] heeft immers desgevraagd erkend dat zij een, naar haar stellige verwachting: vruchtbaar, beroep had kunnen doen op haar netwerk ten einde haar schuldeisers, waaronder de Rabobank, een beter aanbod te kunnen doen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>Daarnaast kent het hof betekenis toe aan het feit dat in de aangeboden schuldregeling de waarborgen ontbreken die de Faillissementswet in het kader van een wettelijke schuldsaneringsregeling biedt met betrekking tot de vaststelling van en het toezicht op de inkomens- en vermogenspositie van [appellante] door de bewindvoerder en de rechter-commissaris en is er bij het akkoord geen maandelijkse controle op nakoming van de sollicitatie- en informatieplicht en geen postblokkade. Er vindt slechts jaarlijks een inkomenstoets plaats door de aanbieder van het akkoord. </para>
        <para>Namens [appellante] is nog de stelling betrokken dat een wettelijke schuldsaneringsregeling minder gunstig voor de schuldeisers is, omdat daaraan ook kosten zijn verbonden zodat voor de schuldeisers een lager - of geen - bedrag overblijft. Aan die stelling gaat het hof voorbij. Immers, het hof dient tegen elkaar af te wegen, enerzijds het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Deze door de wet voorgeschreven afweging is van een andere orde en omvat meer dan slechts de vergelijking tussen de gevolgen van een dwangakkoord c.q. een schuldsaneringsregeling. Bovendien kan uit het hiervoor overwogene worden afgeleid dat het hof vraagtekens plaatst bij de feitelijke juistheid van deze op toekomstvoorspellingen gebaseerde stelling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Nu [appellante] naar het oordeel van het hof ook overigens heeft nagelaten om specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen, dient het beroep van [appellante] te worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Binnen het - beperkte - toetsingskader van de procedure van artikel 287a, vijfde lid, Fw kan [appellante] geen oordeel van het hof vragen over de rechtmatigheid van het vorderingsrecht van de Rabobank als zodanig. Het ligt op de weg van [appellante] om, in een andere procedure, de vordering van de Rabobank te betwisten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <para>Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat Rabobank op grond van haar grote belang in de totale schuldenlast en het geringe uitkeringspercentage in redelijkheid tot de weigering heeft kunnen komen.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, recht doende in hoger beroep:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van</para>
      <para>15 september 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. G.M. van der Meer en mr. W. Foppen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van </para>
      <para>16 oktober 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>