<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2014:6362</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:22:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-08-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.148.523</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=1019w">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=1019cc">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019cc</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RBP 2014/80</rdf:li>
          <rdf:li>JA 2014/140</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:6362">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:6362</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-09-29T11:40:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2014:6362 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-08-2014 / 200.148.523</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2014:6362:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Moet het hoger beroep in de deelgeschilprocedure bij dagvaarding of bij verzoekschrift worden ingeleid?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2014:6362:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Arnhem<?linebreak?><?linebreak?></para>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.148.523</para>
      <para>(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 2161321 (deelgeschilprocedure) en 2740131 (bodemprocedure))</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de derde civiele kamer van 12 augustus 2014</emphasis>
        <?linebreak?>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,<?linebreak?>hierna: [verzoekster],</para>
      <para>advocaat: mr. S.J. de Groot,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
      <para>
        <?linebreak?>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Albert Heijn B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Zaandam,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna: Albert Heijn,</para>
      <para>advocaat: mr. H.C. Tonino.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van <?linebreak?>30 oktober 2013 die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, kantonrechter, locatie Utrecht) tussen [verzoekster] als verzoekende partij enerzijds en Albert Heijn als verwerende partij anderzijds heeft gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 29 april 2014, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking, heeft zij twee grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en zeven producties in het geding gebracht. Zij heeft verzocht dat het hof:<?linebreak?>1.	zal vernietigen de beschikking waarvan beroep;<?linebreak?>2.	alsnog zal bepalen dat Albert Heijn aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden <?linebreak?> 	en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het arbeidsongeval dat <?linebreak?> 	plaatsvond op 7 december 2010;<?linebreak?>3.	a.	primair de kosten van [verzoekster] zal begroten op grond van hetgeen zij heeft <?linebreak?> 		aangegeven in haar beroepschrift onder de nummers 51 tot en met 54 en zal beslissen </para>
        <para> 		dat Albert Heijn in de begrote kosten van deze beroepschriftprocedure wordt <?linebreak?> 		veroordeeld evenals in de begrote kosten van de deelgeschilprocedure (inclusief de </para>
        <para> 		kosten van de in eerste instantie gehouden voorlopige getuigenverhoren), te </para>
        <para> 		vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum van betekening </para>
        <para> 		van het ten deze te wijzen arrest;<?linebreak?> 	b.	subsidiair Albert Heijn zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties <?linebreak?> 		(en in de kosten van de in eerste instantie gehouden voorlopige getuigenverhoren), te </para>
        <para> 		vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum van betekening </para>
        <para> 		van het ten deze te wijzen arrest. <?linebreak?><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 7 juli 2014, heeft Albert Heijn <?linebreak?>verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft verzocht dat het hof [verzoekster] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar beroep dan wel de beschikking van de kantonrechter van 30 oktober 2013 zal bekrachtigen, met veroordeling van <?linebreak?>[verzoekster] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van deze procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Vervolgens heeft het hof met het oog op de wisselbepaling van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) beschikking bepaald. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De motivering van de beslissing in hoger beroep</title>
    <paragroup>
      <para>
        <?linebreak?>3.1		Het onder 2.1 vermelde beroepschrift is gericht tegen een beschikking die is gegeven in een deelgeschilprocedure betreffende letsel- en overlijdensschade op de voet van artikel 1019w e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De deelgeschilprocedure betreft een verzoekschriftprocedure waarop de bepalingen van titel <?linebreak?>3 van het Eerste boek Rv van toepassing zijn, tenzij anders is bepaald. Ingevolge artikel 1019bb Rv staat tegen de beschikking op het verzoek geen voorziening open, onverminderd artikel 1019cc, derde lid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In artikel 1019cc lid 1 Rv is bepaald dat, voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze is gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure. In artikel 1019cc lid 3 Rv is bepaald dat in de procedure ten principale van de beschikking, voor zover zij beslissingen als bedoeld in het eerste lid bevat, bij het gerechtshof hoger kan beroep worden ingesteld als van een tussenvonnis:</para>
      <para>a.	binnen drie maanden, te rekenen van de eerste roldatum, dan wel, indien de beschikking <?linebreak?> 	nadien is gegeven, binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak van de <?linebreak?> 	beschikking, met dien verstande dat de appellant, binnen de grenzen van artikel 332, in </para>
      <para> 	het hoger beroep slechts ontvankelijk zal zijn, indien de rechter in eerste aanleg deze <?linebreak?> 	mogelijkheid heeft geopend op een daartoe binnen dezelfde termijn door een der partijen <?linebreak?> 	gedaan verzoek, waarover de wederpartij is gehoord;</para>
      <para>b. 	tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft bij exploot van 29 januari 2014 een bodemprocedure aanhangig gemaakt. In deze procedure heeft zij zich evenals in de deelgeschilprocedure erop beroepen dat haar werkgever Albert Heijn, op grond van primair artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en subsidiair artikel 6:170 jo. artikel 6:162 BW, jegens haar aansprakelijk is voor de schade die zij op 7 december 2010 in de uitoefening van haar werkzaamheden als algemeen medewerkster heeft geleden. De zaak is bij de rechtbank Midden-Nederland geregistreerd onder zaaknummer 2740131. Bij vonnis van <?linebreak?>19 februari 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland, op verzoek van [verzoekster], hoger beroep toegestaan van de in de deelgeschilprocedure gegeven bestreden beschikking zoals in artikel 1019cc lis 3 onder a Rv is bedoeld en de zaak in afwachting van de procedure in hoger beroep aangehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Thans ligt allereerst de vraag voor of het beroep bij dit hof overeenkomstig de regels van de dagvaardingsprocedure moet worden ingeleid bij dagvaarding of overeenkomstig de regels van de verzoekschriftprocedure bij beroepschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft gesteld dat uit de wettekst kan worden afgeleid dat het beroep bij dagvaarding moet worden ingesteld, maar dat zij gelet op het arrest van het hof <?linebreak?>’s-Hertogenbosch van 11 februari 2014, die is vermeld op de website www.letselschademagazine.nl/2014/hof-s-hertogenbosch -110214, ook een beroepschrift heeft uitgebracht teneinde het recht op hoger beroep zeker te stellen. Albert Heijn heeft gesteld dat [verzoekster] in de onderhavige verzoekschriftprocedure niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het beroep bij dagvaarding had moeten worden ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat het hoger beroep, na daarvoor in de bodemprocedure verkregen verlof, bij dagvaarding moet worden ingeleid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>In artikel 1019cc lid 3 Rv is in de aanhef vermeld dat <emphasis role="underline">in de procedure ten principale</emphasis> van de beschikking bij het hof hoger beroep kan worden ingesteld (onderstreping hof). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <parablock>
        <para>In de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade komen diverse passages voor waaruit volgt dat tegen de beschikking in de deelgeschilprocedure zelf geen hoger beroep kan worden ingesteld, doch dat het hoger beroep daartegen in de bodemprocedure moet worden ingesteld. In de memorie van toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 58, <?linebreak?>nr. 3, is vermeld op pagina 19:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">(…)</emphasis><?linebreak?><?linebreak?><emphasis role="bold italic">Artikel 1019bb</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">In de deelgeschilprocedure staat</emphasis>
          <emphasis role="italic"> tegen de beslissing op het verzoek </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">geen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">voorziening open.</emphasis>
          <emphasis role="italic"> Het openstaan van een rechtsmiddel verdraagt zich</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bezwaarlijk met de ratio van de deelgeschilprocedure. Deze procedure</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">biedt een extra mogelijkheid om de rechter te raadplegen, die verder geen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">afbreuk doet aan de mogelijkheid om een bodemprocedure aan te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">spannen. Met de verwijzing naar artikel 1019cc wordt gedoeld op de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">omstandigheid dat de deelgeschilbeschikking in de bodemprocedure een</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">zekere bindende kracht heeft, in verband waarmee tegen </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">de inhoud</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">daarvan in de bodemprocedure in hoger beroep kan worden opgekomen</emphasis>
          <emphasis role="italic">(…) </emphasis>(onderstrepingen hof).”,<?linebreak?>alsmede op pagina 21 behorend bij het kopje “<emphasis role="bold italic">Artikel 1019cc</emphasis>”:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">(…) Het verdient evenwel de voorkeur dat in de deelgeschilprocedure zelf</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">geen hoger beroep openstaat en ook in de bodemprocedure als uitgangspunt pas hoger beroep kan worden ingesteld gelijk met dat tegen het</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">eindvonnis. Voor gevallen dat het wenselijk is dat wél hoger beroep kan</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen, kan toepassing</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">worden gegeven aan artikel 1019cc, lid 3, onder a. (…)</emphasis>”, <?linebreak?>en op pagina 22:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">(…) Door de mogelijkheid te openen van </emphasis><emphasis role="underline italic">hoger beroep in de bodemprocedure</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">tegen de deelgeschilbeschikking</emphasis> (onderstreping hof)<emphasis role="italic">, is het voorts mogelijk om dat hoger</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beroep ook te doen plaatsvinden vóórdat een eindvonnis is gewezen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(onderdeel a). Aan die mogelijkheid kan behoefte bestaan als de beschikking</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">een cruciale kwestie betreft die in feite bepalend is voor de afloop</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">van de zaak. Net als wanneer een dergelijke kwestie in de bodemprocedure</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">in een tussenvonnis zou zijn behandeld, kan het doelmatig zijn</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">wanneer partijen deze kwestie bij het gerechtshof (en eventueel bij de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoge Raad) kunnen uitprocederen, zonder dat zij gedwongen zijn om</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">eerst de gehele bodemprocedure in eerste aanleg af te ronden (met alle</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kosten en vertraging door bijvoorbeeld nadere bewijslevering door getuigenverhoren</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">of deskundigenberichten)(…).</emphasis>” <?linebreak?><?linebreak?>In de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 518, nr. 8 is op pagina 12 vermeld:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">(…)</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">3.7 Hoger beroep en status deelgeschiluitspraak</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De leden van de PvdA-fractie merken op dat geen hoger beroep openstaat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">tegen de beslissing van de rechter in de deelgeschilprocedure. Zij vragen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">of het wel mogelijk is om de uitspraak in het deelgeschil in het hoger</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">beroep in de bodemprocedure aan de rechter voor te leggen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat is inderdaad mogelijk. (…).</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Bij arrest van 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943, heeft de Hoge Raad onder 5.3.2 overwogen:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">(…) Volgens art. 1019cc lid 3 in verbinding met lid 1 Rv kan hoger beroep tegen een beschikking in een deelgeschil (…) slechts worden ingesteld </emphasis><emphasis role="underline italic">binnen het bestek van een bodemprocedure</emphasis><emphasis role="italic">. </emphasis>(onderstreping hof) <emphasis role="italic">(…).</emphasis>”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de beslissing neemt het hof eveneens in aanmerking dat het hoger beroep ingevolge artikel 1019cc lid 3 onder b Rv bij dagvaarding tegelijk met dat van het eindvonnis (in de bodemprocedure) kan worden ingesteld. In de memorie van toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 581, nr. 3, is hieromtrent op pagina 22 behorend bij het kopje “<emphasis role="bold italic">Artikel 1019cc</emphasis>” vermeld:<?linebreak?>“<emphasis role="italic">(…) Het derde lid houdt een regeling in voor het instellen van hoger beroep</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">tegen rechterlijke vaststellingen in de deelgeschilbeschikking. In overeenstemming</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">met artikel 337, tweede lid, Rv kan het hoger beroep in elk</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">geval tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis worden ingesteld</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(onderdeel b). Anders dan in het voorontwerp is uitdrukkelijk bepaald dat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">het hoger beroep kan worden ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">doch slechts tegen daarin opgenomen bindende eindbeslissingen over de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">materiële rechtsverhouding van partijen. Hierdoor kan de appellant rechtstreeks</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">grieven tegen de deelgeschilbeschikking formuleren en kan </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">bodemrechter </emphasis>(onderstreping hof) <emphasis role="italic">in hoger beroep de deelgeschilbeschikking vernietigen,</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voor zover de grieven doel treffen. (…).</emphasis>”<?linebreak?>Het is zeer wel denkbaar dat in het tussenvonnis of eindvonnis méér overwegingen zijn vervat dan (alleen) de in de deelgeschilbeschikking gegeven bindende eindbeslissingen. Tegen dergelijke overwegingen in het vonnis in de bodemprocedure zal hoger beroep bij dagvaarding moeten worden ingesteld. Uit een oogpunt van systematiek en het vermijden van onnodige praktische complicaties moet dan ook worden geoordeeld dat ook van de deelgeschilbeschikking, op de voet van artikel 1019cc Rv, hoger beroep dient te worden ingesteld op de wijze die voor de bodemprocedure geldt. Bij een ander oordeel zou immers de situatie ontstaan dat voor een deel van het hoger beroep de verzoekschriftprocedure wordt gevolgd en voor een deel de dagvaardingsprocedure. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat van een beschikking in deelgeschilprocedure, voor zover zij bindende eindbeslissingen bevat, hoger beroep kan worden ingesteld als van een tussenvonnis. Er is dus in wezen sprake van een hoger beroep in de bodemprocedure. De behandeling in het hoger beroep dient derhalve plaats te vinden conform de regels van de dagvaardingsprocedure en dient te leiden tot een arrest (niet een beschikking) in het hoger beroep. Hieruit volgt dat ook dit geding met een dagvaarding dient te worden ingeleid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <para>Het hof zal op grond van artikel 69 Rv bevelen dat de onderhavige procedure in de stand waarin deze zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure in hoger beroep en zal verstaan dat partijen kunnen voortprocederen ter rolzitting van 26 augustus 2014. In het vervolg van de procedure zal het beroepschrift als memorie van grieven en het verweerschrift als memorie van antwoord worden aangemerkt. De zaak zal naar de rol van 26 augustus 2014 worden verwezen voor beraad. [verzoekster] heeft Albert Heijn tevens bij dagvaarding van 24 april 2014 aangezegd dat zij van de bestreden beschikking in hoger beroep komt, welke dagvaarding, na een herstelexploot, is aangebracht op de rol van 5 augustus 2014. De partijen zullen zich op de roldatum van 12 augustus 2014 mede kunnen uitlaten over de vraag of zij in deze procedure wensen voort te procederen, dan wel in de bij appeldagvaarding aanhangig gemaakte procedure en wat zij in dat laatste geval met deze procedure wensen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof, beschikkende in hoger beroep:</para>
      <para>
        <?linebreak?>beveelt dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure in hoger beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 augustus 2014 te 10.00 uur voor beraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.J.N. van Osch, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 augustus 2014.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>