<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2014:4893</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-01T16:52:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1400051</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2015:679" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:679</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2014/1865</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2014-2173</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2014091925</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:4893">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2014:4893</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-09-11T09:11:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2014:4893 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-06-2014 / 1400051</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2014:4893:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Inkomstenbelasting. Bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Arbeidskorting en doorwerkbonus.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2014:4893:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN</bridgehead>
    <para>Afdeling belastingrecht</para>
    <para>Locatie Arnhem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>nummer 14/00051</para>
      <para>uitspraakdatum: <emphasis role="bold">17 juni 2014</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X] </emphasis>te <emphasis role="bold">[Z]</emphasis> (hierna: belanghebbende)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2013, nummer AWB 13/2991, in het geding tussen belanghebbende en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de <emphasis role="bold">inspecteur </emphasis>van de<emphasis role="bold"> Belastingdienst/Kantoor Utrecht</emphasis> (hierna: de Inspecteur)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Aan belanghebbende is voor over het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.409. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 206. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Tegen deze aanslag is belanghebbende in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 19 december 2013 ongegrond verklaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de Inspecteur. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Belanghebbende is geboren op 9 februari 1947. Hij is in 2009 op 62-jarige leeftijd vervroegd met pensioen gegaan.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar gedurende het gehele jaar een vut-uitkering. Naast deze uitkering heeft belanghebbende in het onderhavige jaar geen ander inkomen uit tegenwoordige arbeid genoten. Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2011 zijn vut-uitkering aangegeven als inkomen uit tegenwoordige arbeid. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2011 de vut-uitkering van belanghebbende aangemerkt als inkomen uit een vroegere dienstbetrekking. Als gevolg hiervan is aan belanghebbende geen arbeidskorting en doorwerkbonus toegekend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De aanslag IB/PVV 2011 is gedagtekend 27 februari 2013. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend dat, blijkens een daarop geplaatst stempel, door de Inspecteur is ontvangen op 11 april 2013. De Inspecteur heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>In geschil is of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Voor zover deze vraag ontkennend moet worden beantwoord is voorts in geschil of belanghebbende recht heeft op de arbeidskorting en de doorwerkbonus. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2011.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De aanslag IB/PVV 2011 is gedagtekend 27 februari 2013. De termijn waarbinnen rechtsgeldig een bezwaarschrift kon worden ingediend eindigde derhalve op 10 april 2013. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend dat, blijkens een daarop geplaatst stempel, door de Inspecteur is ontvangen op 11 april 2013.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Belanghebbende stelt dat hij het bezwaarschrift persoonlijk aan het einde van de laatste dag van de termijn, en derhalve tijdig, heeft bezorgd bij het Belastingkantoor. Hij maakt zijn stelling met hetgeen hij heeft aangevoerd echter, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk. Nu belanghebbende het bezwaarschrift zelf heeft afgegeven en niet per post heeft verzonden, kan de regel van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht hem niet baten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, zijn naar het oordeel van het Hof niet gebleken.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het bezwaarschrift terecht door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <parablock>
        <para>Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond en de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ten overvloede</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Belanghebbende genoot in het onderhavige jaar gedurende het gehele jaar een vut-uitkering die moet worden aangemerkt als inkomen uit een vroegere dienstbetrekking. Hij heeft in zijn aangifte voor 2011 de vut-uitkering derhalve ten onrechte als inkomen uit tegenwoordige arbeid aangegeven. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor 2011 geen andere inkomsten uit tegenwoordige arbeid aangegeven. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard in 2011 geen arbeid te hebben verricht.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>De arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die in het desbetreffende belastingjaar met tegenwoordige arbeid winst uit onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet. De arbeidskorting wordt berekend over de arbeidskortinggrondslag (artikel 8.11 Wet IB 2001). De doorwerkbonus geldt – kort gezegd – voor de belastingplichtige die (ten minste) de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt en in het desbetreffende belastingjaar een arbeidskortinggrondslag heeft (artikel 8.12 van de Wet IB 2001).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>Gelet op de in 4.6 genoemde omstandigheden heeft belanghebbende in het onderhavige jaar geen recht op de arbeidskorting en de doorwerkbonus.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9</nr>
      <para>Daar doet niet aan af dat de regeling van de doorwerkbonus is ingevoerd toen belanghebbende, naar hij stelt, nog inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking genoot. Het gaat immers om de feitelijke situatie in 2011 en in dat jaar heeft belanghebbende geen arbeid meer verricht en genoot hij nog slechts inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Evenmin doet daaraan af dat de vut-uitkering rechtstreeks wordt betaald door de voormalige werkgever van belanghebbende. Dit verhindert immers niet dat een vut-uitkering het karakter heeft van inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10</nr>
      <para>Gelet hierop heeft de Inspecteur de aanslag juist vastgesteld.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11</nr>
      <para>Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
          <?linebreak?>
          <?linebreak?>Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Proceskosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, lid van de achtste enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. N.G.U. Bezemer als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is op <emphasis role="bold">17 juni 2014</emphasis> in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het lid van de enkelvoudige kamer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	(J.P.M. Kooijmans)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 10 september 2014</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij: 	</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">	Postbus 20303, </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">	2500 EH  Den Haag. </emphasis>
      </para>
      <para>Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. de dagtekening;</para>
      <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para> 	d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>