<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5564</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-03T12:11:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ5564</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.113.066/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656">Burgerlijk Wetboek Boek 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656&amp;artikel=259">Burgerlijk Wetboek Boek 1 259</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002656&amp;artikel=263b">Burgerlijk Wetboek Boek 1 263b</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=807">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 807</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JPF 2013/79 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5564">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5564</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:01:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5564 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-03-2013 / 200.113.066/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5564:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vader niet-ontvankelijk in zijn beroep tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg. Geen sprake van een beslissing op grond van artikel 1:263a BW. De minderjarige is niet uithuisgeplaatst.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5564:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Beschikking d.d. 12 maart 2013</para>
      <para>Zaaknummer 200.113.066 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</para>
      <para>Locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking in de zaak van </para>
      <para>	[appellant],</para>
      <para>	wonende te [woonplaats],</para>
      <para>	appellant in het principaal appel,</para>
      <para>	geïntimeerde in het incidenteel appel,</para>
      <para>	hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>	advocaat voorheen mr. A. Ombre, kantoorhoudende te Almere,</para>
      <para>	advocaat thans mr. W.F. Wienen, kantoorhoudende te Almere,</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>	tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Stichting Bureau Jeugdzorg Flevoland, </para>
      <para> 	kantoorhoudende te Almere, </para>
      <para>	geïntimeerde,</para>
      <para> 	hierna te noemen: BJZ. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	Belanghebbende:</para>
      <para>	[de moeder],</para>
      <para>	wonende te [woonplaats],</para>
      <para>	appellante in het incidenteel appel,</para>
      <para>	hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>	advocaat mr. B. Eskes, kantoorhoudende te Almere.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding in eerste aanleg</para>
      <para>Bij beschikking van 14 juni 2012 (zaaknummer 196620 / JL RK 12-293) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank), het verzoek van de vader tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van BJZ d.d. 16 maart 2012 afgewezen. Voorts heeft de rechtbank het zelfstandig verzoek van BJZ tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van de minderjarige [kind], geboren [in 2007] (hierna: [kind]) bij de moeder afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding in hoger beroep</para>
      <para>Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 september 2012, heeft de vader verzocht de beschikking van 14 juni 2012 te vernietigen voor zover daarbij het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is afgewezen en opnieuw te beslissen zoals het hof juist acht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 5 november 2012, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair ongegrond te verklaren, met zoveel nodig bekrachtiging van de beschikking van 14 juni 2012. </para>
    <para />
    <para>Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 1 november 2012, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht de beschikking van 14 juni 2012 te bekrachtigen voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van BJZ aan de vader, kosten rechtens.  </para>
    <para />
    <para>Tevens heeft de moeder bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 14 juni 2012 te vernietigen voor zover daarbij het verzoek van BJZ tot het verlenen van een machtiging tot plaatsing van [kind] bij de moeder is afgewezen en opnieuw beslissende het incidenteel appel van de moeder toe te wijzen en te beslissen dat het verzoek van BJZ tot plaatsing van [kind] bij de moeder wordt toegewezen, kosten rechtens. </para>
    <para />
    <para>Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 17 december 2012, heeft de vader het verzoek in het incidenteel appel bestreden en verzocht het incidenteel appel van de moeder af te wijzen, althans ongegrond te verklaren, althans de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, kosten rechtens. </para>
    <para />
    <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van 24 september 2012 van mr. Ombre. </para>
    <para />
    <para>Ter zitting van 15 februari 2013 is de zaak gelijktijdig en gezamenlijk met de zaak onder zaaknummer 200.117.433 behandeld. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door mr. Wienen, en de moeder, bijgestaan door mr. Eskes. Namens BJZ zijn verschenen mevrouw [namens BJZ 1] en mevrouw [namens BJZ 2]. Mr. Wienen en mr. Eskes hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beoordeling</para>
      <para>De vaststaande feiten</para>
      <para>1.	De vader heeft de rechtbank bij inleidend verzoek van 28 maart 2012, binnengekomen op de griffie van de rechtbank op 29 maart 2012, verzocht de schriftelijke aanwijzing van 16 maart 2012 ingevolge artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vervallen te verklaren en uit hoofde van artikel 1:236b (het hof begrijpt: 1:263b) BW een nieuwe zorgregeling vast te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.	BJZ heeft hiertegen bij verweerschrift van 24 april 2012, binnengekomen op de griffie van de rechtbank op 27 april 2012, verweer gevoerd en tevens zelfstandig verzocht om de hoofdverblijfplaats van [kind] te wijzigen naar de moeder. </para>
    <para />
    <para>3.	Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De vader heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ontvankelijkheid van de vader in zijn principaal appel</para>
      <para>4.	Allereerst is aan de orde of de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.	Het verzoek van de vader betreft een verzoek tot vervallenverklaring van een aanwijzing van de gezinsvoogdij-instelling. Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter op verzoek van de met het gezag belaste ouder een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. </para>
    <para />
    <para>6.	Ingevolge artikel 807 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen een beslissing van de kinderrechter op grond van artikel 1:259 BW geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet. Volgens vaste jurisprudentie is hoger beroep wel mogelijk als geklaagd wordt dat de rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het betreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast, of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. De vader heeft zich in hoger beroep niet op een dergelijke schending beroepen. </para>
    <para />
    <para>7.	Van een beslissing van een gezinsvoogdij-instelling op basis van artikel 1:263a BW is hoger beroep ingevolge artikel 807 Rv niet uitgesloten, nu een dergelijke aanwijzing heeft te gelden als een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:258 BW. Anders dan het hof in zijn beschikking van 8 mei 2012 heeft overwogen, betreffende een hoger beroep van de vader ten aanzien van een eerdere schriftelijke aanwijzing van BJZ, is in casu echter geen sprake van een beslissing van BJZ ingevolge artikel 1:263a BW. [kind] is immers niet op grond van een machtiging als bedoeld in artikel 1:261 BW uit huis geplaatst. </para>
    <para />
    <para>8.	Het vorenstaande in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat de vader niet  kan worden ontvangen in zijn hoger beroep van de bestreden beschikking. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het incidenteel beroep van de moeder</para>
      <para>9.	Naar het oordeel van het hof heeft de moeder geen belang meer bij het door haar ingestelde incidenteel beroep. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat het hof op heden tevens een beschikking heeft gegeven in de zaak met zaaknummer 200.117.433. Dit betreft het hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank van 14 november 2012, waarbij op verzoek van de moeder het hoofdverblijf van [kind] bij haar is bepaald. Het vorenstaande brengt mee dat het verzoek van de moeder in incidenteel hoger beroep moet worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Slotsom </para>
      <para>10.	Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.   </para>
      <para>De beslissing </para>
      <para>Het gerechtshof: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn principaal appel;</para>
    <para />
    <para>wijst af het verzoek van de vrouw in incidenteel appel. </para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, G. Jonkman en G.K. Schipmölder, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 maart 2013 in bijzijn van de griffier.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>