<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2013:5575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T14:25:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-07-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CR 200.123.545-01 25-7-2013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:5575">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:5575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-09T13:37:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2013:5575 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 25-07-2013 / CR 200.123.545-01 25-7-2013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2013:5575:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opheffing onderbewindstelling. De rechthebbende heeft haar leven weer voldoende op de rit.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2013:5575:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Beschikking d.d. 25 juli 2013</para>
  <para>Zaaknummer 200.123.545 </para>
  <section>
    <title>HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</title>
    <bridgehead role="bold">Locatie Leeuwarden</bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beschikking in de zaak van </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>	wonende te [woonplaats],</para>
      <para>	appellante,</para>
      <para>	hierna te noemen: <emphasis role="bold underline">de rechthebbende</emphasis>,</para>
      <para>	advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt, kantoorhoudende te Emmeloord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	Belanghebbende:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>OBIN B.V.,</title>
    <parablock>
      <para>	gevestigd te Culemborg,</para>
      <para>	hierna te noemen: <emphasis role="bold underline">de bewindvoerder</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding in eerste aanleg</title>
    <para>Bij beschikking van 18 december 2012 (zaaknummer 608265 BM VERZ 12-477) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter) het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen, afgewezen. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het geding in hoger beroep</title>
    <para>Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 maart 2013, heeft de rechthebbende verzocht de beschikking van 18 december 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende het inleidende verzoek alsnog toe te wijzen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 22 april 2013, heeft de bewindvoerder het verzoek bestreden en het hof geadviseerd het bewind in stand te laten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief, met bijlage, van 18 maart 2013 van mr. Uijt de boogaardt. </para>
      <para>Ter zitting van 1 juli 2013 is de zaak behandeld. Verschenen is de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat. Namens de bewindvoerder is verschenen mevrouw M.H. Caeyers.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="underline">De vaststaande feiten</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>Bij beschikking van de kantonrechter van 16 augustus 2011 is over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende een bewind ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>Bij ongedateerde brief, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 10 mei 2012, heeft de rechthebbende de kantonrechter verzocht het bewind op te heffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft op dit verzoek beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep richt zich tegen deze beslissing. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De overwegingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De beslissing van de kantonrechter om het verzoek tot opheffing van het bewind af te wijzen behelst noodzakelijkerwijs een oordeel over het nog immer bestaan van de gronden die tot instelling van het bewind hebben geleid, zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 1:449 lid 2 BW. De afwijzing van het verzoek tot opheffing betekent dan ook dat de kantonrechter ingevolge het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 BW heeft geoordeeld dat de rechthebbende nog altijd als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>De rechthebbende heeft in 2011 op verzoek van Kwintes - bij welke instantie zij destijds onder behandeling stond - een verzoek tot onderbewindstelling ingediend. Volgens de rechthebbende stelde Kwintes als voorwaarde voor behandeling dat de zij een verzoek tot onderbewindstelling zou indienen. De rechthebbende was destijds, naar zij zelf ook stelt, vanwege psychische problematiek niet in staat zelf ten volle haar vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven niet meer aanwezig zijn. Het hof baseert dit op de volgende gronden.</para>
        <para>In een door de rechthebbende overgelegde brief van GGZ Centraal Meerzicht aan de huisarts van de rechthebbende d.d. 20 januari 2013 zijn de resultaten van een psychiatrisch onderzoek van de rechthebbende opgenomen. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de klachten welke de rechthebbende in het verleden omschreef, lijken voort te vloeien vanuit borderlinepersoonlijkheidsproblematiek. Er hebben zich ernstige traumatische ervaringen voorgedaan in het leven van de rechthebbende. De rechthebbende is gelovig geworden wat er toe leidt dat zij beter met haar klachten om kan gaan. Thans kan niet gesproken worden van een stoornis. Wel zijn er trekken van een borderlinepersoonlijkheidsstructuur. Daarnaast heeft de rechthebbende momenteel een stabiele relatie en ervaart zij meer rust in haar leven. Volgens de GGZ is er op dit moment geen indicatie voor behandeling, omdat er bij de rechthebbende geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld.</para>
        <para>Naar het oordeel van het hof heeft de rechthebbende ter zitting in hoger beroep ook een stabiele indruk gemaakt.</para>
        <para>Verder is gebleken dat de rechthebbende inmiddels over zelfstandige woonruimte beschikt en lijkt zij haar leven op de rit te hebben.</para>
        <para>Aldus is naar het oordeel van het hof niet meer sprake van een zodanige psychische problematiek dat de rechthebbende als gevolg daarvan niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk te behartigen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof betrekt bij dit oordeel dat de rechthebbende - zo heeft zij ter zitting verklaard - inziet dat zij bij haar financiële zaken en een aantal praktische zaken nog begeleiding nodig heeft. Daarom heeft zij reeds op eigen initiatief contact opgenomen met de Gemeentelijke Kredietbank. De Gemeentelijke Kredietbank heeft inmiddels een plan van aanpak opgesteld. Uit dit plan blijkt dat de Gemeentelijke Kredietbank bereid is een schuldhulpverleningsovereenkomst met de rechthebbende aan te gaan. Het hof vertrouwt erop dat de rechthebbende dit traject zal inzetten, zoals zij ter terechtzitting ook heeft aangegeven.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para>Het gerechtshof:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">en opnieuw beslissende</emphasis>:</para>
      <para>heft op het op 16 augustus 2011 ingestelde bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan [appellante], geboren [in 1987], met ingang van heden; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, G.M. van der Meer en R. Feunekes, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 juli 2013 in bijzijn van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>