<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHARL:2013:4712</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T21:08:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Arnhem-Leeuwarden" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-07-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CD 200.108.039-01 2-7-2013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:4712">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2013:4712</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-07-11T10:29:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHARL:2013:4712 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 02-07-2013 / CD 200.108.039-01 2-7-2013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHARL:2013:4712:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Huwelijksvoorwaarden. Vergoedingsrechten ter zake van hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHARL:2013:4712:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>locatie Leeuwarden</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer gerechtshof 200.108.039/01</para>
      <para>(zaaknummer rechtbank Assen 84940/ HA ZA 11-110)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de tweede kamer van 2 juli 2013</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats 1],</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>in eerste aanleg: eiseres,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[appellante]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. W.H. Bussink, kantoorhoudend te Emmen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 2],</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>in eerste aanleg: gedaagde,</para>
      <para>hierna: <emphasis role="bold">[geïntimeerde]</emphasis>,</para>
      <para>advocaat: mr. M. Hoekman-Haan, kantoorhoudend te Stadskanaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 11 mei 2011 en 21 maart 2012 van de rechtbank Assen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure is als volgt:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding in hoger beroep d.d. 25 mei 2012,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van grieven,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de memorie van antwoord,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een akte van [appellante] van 27 november 2012,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een akte van niet dienen voor een antwoordakte van [geïntimeerde].</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering van [appellante] luidt:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"te vernietigen het vonnis d.d. 21 maart 2012 door de Rechtbank Assen </emphasis>(hof: dat) <emphasis role="italic">onder zaaknummer 84940/HA ZA 11-110 is uitgesproken tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde, en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">onderhavige kwestie zelf af te doen overeenkomstig het als volgt gevorderde:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">1.	Geïntimeerde, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [appellante] te betalen € 33.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2011;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">2.	Geïntimeerde, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad,</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Primair: te veroordelen om aan [appellante] te betalen € 44.231,24 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 februari 2011;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Subsidiair: te veroordelen om aan [appellante] af te geven de blokhut die zich thans bij de woning van [geïntimeerde] bevindt, een Cattle baron tafel, een Cattle baron salontafel; zes eetstoelen; een longhorn hide small, een custom lamp, een Cattle baron barset, een handweeftapijt, twee Cattle Baron Captain Chairs, een relax fauteuil infinity, een Cattle Baron small, twee longhorn kussens, één fauteuil rundleer party handel, een kleuren t.v. merk Loewe Xelos A32DR +- 100 HA grafit, een wasdroger, een grasmachine merk Sabo 47 EA Vario;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Meer subsidiair: te verdelen de gezamenlijke roerende zaken die door appellante en geïntimeerde ten tijde van hun huwelijk zijn verkregen te weten: de blokhut die zich thans bij de woning van [geïntimeerde] bevindt, een Cattle baron tafel, een Cattle baron salontafel; zes eetstoelen; een longhorn hide small, een custom lamp, een Cattle baron barset, een handweeftapijt, twee Cattle Baron Captain Chairs, een relax fauteuil infinity, een Cattle Baron small, twee longhorn kussens, één fauteuil rundleer party handel, een kleuren t.v. merk Loewe Xelos A32DR + - 100 HA grafit, een wasdroger, een grasmachine merk Sabo 47 EA Vario;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">3.	Geïntimeerde te veroordelen, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan [appellante] te betalen € 1.788,- wegens buitengerechtelijke incassokosten;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met veroordeling van geïntimeerde in beide instanties in de proceskosten".</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De grieven</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] heeft twee grieven opgeworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Over de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.3 van het bestreden vonnis van 21 maart 2012 bestaat geen geschil, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, aangevuld met enkele andere feiten:</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Partijen zijn in 2004 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Het huwelijk van partijen is op 17 september 2010 door echtscheiding ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers van de burgerlijke stand.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>In de huwelijksvoorwaarden is onder meer het volgende opgenomen:</para>
        <para>"<emphasis role="bold">Algehele uitsluiting</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 1</emphasis>
        </para>
        <para>De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.</para>
        <para>(...)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Vergoedingen</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 4</emphasis>
        </para>
        <para>De echtgenoten zijn, voor zover zij niet anders overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking. </para>
        <para>Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] was eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats 2], hierna: de woning. In 2010 is de woonkamer, achterkamer en keuken van de woning verbouwd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <parablock>
        <para>Op 7 augustus 2007 hebben partijen een onderhandse akte opgemaakt, waarin is opgenomen: </para>
        <para>"Partijen (…)</para>
        <para>Verklaren hierbij dat alle schulden en vorderingen tegenover elkaar voor en t/m augustus 2007 zijn verrekend."</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>
        [appellante] heeft in april 2008 een bedrag van € 33.500,- aan [geïntimeerde] geleend. Daarvan is een overeenkomst van geldlening opgesteld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>In oktober 2012 heeft [geïntimeerde] de woning verkocht. Daarna heeft hij het van [appellante] geleende bedrag van € 33.500,- aan haar terugbetaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De vorderingen van [appellante] en de beslissing in eerste aanleg</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        [appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd - zakelijk weergegeven - [geïntimeerde] te veroordelen (1) tot betaling van € 33.500,-, vermeerderd met wettelijke rente en (2) tot betaling van € 44.231,24 in verband met de door haar betaalde roerende zaken en kosten van de verbouwing van de woning van [geïntimeerde] en subsidiair veroordeling om die roerende zaken aan haar af te staan en daarnaast een totaal bedrag van € 8.818,80 vermeerderd met wettelijke rente aan haar te betalen, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.788,- conform de aanbevelingen van rapport Voorwerk en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten inclusief de kosten van het conservatoir beslag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] als onvoldoende onderbouwd afgewezen en [appellante] vanwege de wijze waarop zij heeft geprocedeerd veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [geïntimeerde].</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Vermeerdering van eis</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        [appellante] heeft in hoger beroep haar eis aldus vermeerderd dat zij meer subsidiair verdeling van de gezamenlijke roerende zaken, voor zover aanwezig, heeft gevorderd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellante]. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>Ter zake van de vordering van [appellante] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De grieven</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>
        [appellante] heeft bij akte van 27 november 2012 de op de geldlening betrekking hebbende <emphasis role="underline">grief I</emphasis> ingetrokken, zodat het hof niet toekomt aan de beoordeling daarvan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grief II</emphasis> richt zich tegen de afwijzing van de (overige) vorderingen van [appellante] als onvoldoende onderbouwd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>Het door [appellante] primair gevorderde bedrag van € 44.231,24 (overigens komt een juiste optelling uit op € 44.231,64) valt in de volgende vorderingen uiteen:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>.	een totaalbedrag van € 21.061,84 in verband met de door haar betaalde blokhut;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>. 	een totaalbedrag van € 10.068,- in verband met door haar betaalde meubels;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>. 	een bedrag van € 2.799,- in verband met een door haar betaald TV-toestel;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>. 	een bedrag van € 2.365,40 wegens door haar betaalde kosten betreffende de vorige echtscheiding van [geïntimeerde];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>. 	een bedrag van € 2.000,- wegens door haar betaalde kosten in verband met de verbouwing van de kamer en achterkamer in de woning van [geïntimeerde];</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>. 	een bedrag van € 334,- in verband met de aanschaf van een wasdroger;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>. 	een bedrag van € 2.240,- in verband met de betaling van de door [geïntimeerde] bij Scheidegger gevolgde cursus;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>.	een bedrag van € 1.150,- in verband met de aanschaf van een grasmaaier;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>.	een bedrag van € 2.213,40 in verband met door haar betaalde kosten van verbouwing van de keuken van [geïntimeerde].</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <para>
        [appellante] heeft deze vorderingen gebaseerd op artikel 4 van de huwelijksvoorwaarden, waarin is bepaald dat een vergoedingsrecht ontstaat ter zake hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de ander.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De roerende zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5</nr>
      <para>Niet in geschil is dat de roerende zaken, ten aanzien waarvan [appellante] terugbetaling van de koopsom heeft gevorderd, in eigendom aan haar toebehoren. Het hof constateert dat het hier gaat om de meubels, het TV-toestel, de wasdroger, de grasmaaier en - nu partijen er kennelijk vanuit gaan dat dit een roerende zaak is - de blokhut. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6</nr>
      <para>Nu deze zaken eigendom van [appellante] zijn, is onvoldoende gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] door de betaling door [appellante] van de aanschaf van die zaken is gebaat. [appellante] kan derhalve niet op grond van het bepaalde in artikel 4 van de huwelijksvoorwaarden terugbetaling van de koopsom(men) vorderen. De primair gevorderde veroordeling tot betaling van de hiervoor genoemde sub a, b, c, f, en h bedragen wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.7</nr>
      <para>Omdat het gaat om aan [appellante] in eigendom toebehorende zaken is de vordering om [geïntimeerde] te veroordelen die zaken aan haar af te staan toewijsbaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.8</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord gesteld dat hij die zaken vele malen aan [appellante] heeft aangeboden, maar dat zij even zo vaak heeft geweigerd c.q. nagelaten die zaken af te halen, hetgeen [appellante] heeft betwist, en dat hij door de verhuizing afstand heeft moeten doen van een aantal zaken, die hij vanwege ruimtegebrek niet heeft kunnen meenemen. [geïntimeerde] heeft niet gespecificeerd om welke zaken het gaat en wat hij hiermee heeft gedaan. Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen bij akte te specificeren welke van de hiervoor in rechtsoverweging 7.5 genoemde zaken hij aldus niet meer aan [appellante] zal kunnen afgeven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De verbouwing van de woning</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.9</nr>
      <para>Uit de als productie 7 bij inleidende dagvaarding overgelegde bankafschriften blijkt van de door [appellante] gestelde opnames van € 1.000,- op 2 februari 2010 respectievelijk 26 februari 2010 (vordering sub e) ten behoeve van de verbouwing van de woonkamer en achterkamer van [geïntimeerde].  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.10</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft in zijn conclusie van antwoord betwist dat [appellante] kosten van de verbouwing van zijn woning (hiermee) heeft betaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.11</nr>
      <para>Het hof acht onvoldoende aangetoond dat [appellante] met de twee opgenomen bedragen van € 1.000,- contante betalingen ten behoeve van de verbouwing van de woonkamer en de achterkamer van de woning heeft gedaan. Nu [appellante] zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv op haar de bewijslast van deze stelling. Omdat [appellante] in hoger beroep geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan en het hof geen aanleiding ziet dit bewijs ambtshalve aan haar op te dragen, is dit niet komen vast te staan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.12</nr>
      <para>Het hof zal daarom het gevorderde bedrag van € 2.000,- afwijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.13</nr>
      <para>Voor wat betreft de verbouwing van de keuken van [geïntimeerde] heeft [appellante] het bedrag van de factuur van Impact groot € 2.213,40 gevorderd. [appellante] heeft niet, althans niet voldoende, gesteld dat en op welke wijze zij deze factuur van Impact heeft betaald. Dat de uit productie 11 bij inleidende dagvaarding blijkende opname van € 1.250,- op 20 maart 2010 hiervoor is gebruikt, is gesteld noch gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.14</nr>
      <para> Het in verband hiermee gevorderde bedrag van € 2.213,40 is daarmee evenmin toewijsbaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Cursusgeld Scheidegger</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.15</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft in onderdeel 32 van de conclusie van antwoord erkend dat [appellante] de door hem gevolgde cursus heeft betaald (sub g) en in hoger beroep niet gemotiveerd betwist dat [appellante] aldus op grond van artikel 4 van de huwelijksvoorwaarden in beginsel recht heeft op vergoeding van het cursusgeld van € 2.240,-. Hij heeft zich in zijn akte in eerste aanleg erop beroepen dat die vordering is tenietgegaan middels verrekening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.16</nr>
      <para>De in rechtsoverweging 4.5 weergegeven onderhandse akte behelst naar het oordeel van het hof een vaststellingsovereenkomst, waarbij partijen hebben vastgesteld dat alle vorderingen over en weer tot en met augustus 2007 zijn verrekend. Het cursusgeld is betaald op 16 februari 2005 (productie 9 bij inleidende dagvaarding), zodat de vordering tot terugbetaling van het cursusgeld onder de vaststellingsovereenkomst valt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.17</nr>
      <para>Deze vordering is daarom niet toewijsbaar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Kosten van de vorige echtscheiding van [geïntimeerde]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.18</nr>
      <para>Dat [appellante] het door haar gevorderde bedrag van € 2.365,40 van de kosten van de echtscheiding (sub d) voor [geïntimeerde] heeft betaald blijkt afdoende uit het door haar als productie 6 bij inleidende dagvaarding overgelegde bankafschrift van de op haar naam gestelde bankrekening. Daarin is de overschrijving van dit bedrag opgenomen aan <?linebreak?>mr. H.R. Slot <emphasis role="italic">"inzake [geïntimeerde] [X] dekl. nr: [nummer] </emphasis> op 28 mei 2008. Nu [geïntimeerde] met deze betaling is gebaat, hetgeen hij ook niet heeft betwist, is de vordering van [appellante] tot terugbetaling van dat bedrag toewijsbaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.19</nr>
      <para>Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden totdat [geïntimeerde] een akte en [appellante] een antwoordakte hebben genomen, zoals hiervoor is overwogen (rechtsoverweging 7.8). </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerechtshof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar <emphasis role="bold">de rol van dinsdag 30 juli 2013</emphasis> teneinde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten zoals hiervoor onder 7.8 overwogen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. W. Breemhaar, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en G.K. Schipmölder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 juli 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>