<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:92</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-10T11:00:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.342.196/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:92">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:92</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-10T10:58:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:92 Gerechtshof Amsterdam , 14-01-2025 / 200.342.196/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:92:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>hoofdverblijfplaats, huurrecht woning en kinderalimentatie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:92:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
    <para>Team III (familie- en jeugdrecht)</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 200.342.196/01 </para>
      <para>Zaaknummer rechtbank: C/13/734181 / FA RK 23-3405 (FL/MG)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking van de meervoudige kamer van 14 januari 2025 in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats A] , </para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>advocaat: mr. K. Withagen te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats A] , </para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt: </para>
      <para>- de minderjarige [minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de procedure heeft een adviserende taak:</para>
      <para>de Raad voor de Kinderbescherming, </para>
      <para>gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , het huurrecht van de voormalige gezinswoning en de kinderalimentatie voor [minderjarige] <emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft op 7 maart 2024 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en het huurrecht van de voormalige gezinswoning aan de moeder toegewezen (hierna: de bestreden beschikking). Ten laste van de vader is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] bepaald. </para>
        <para>De vader is het daar niet mee eens en wil samen met [minderjarige] in de voormalige gezinswoning wonen en geen bijdrage voor [minderjarige] betalen aan de moeder. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De vader is op 5 juni 2024 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De moeder heeft op 9 juli 2024 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:</para>
      <para>- een bericht van de zijde van de vader van 13 september 2024 met bijlagen, </para>
      <para>- een bericht van de zijde van de moeder van 11 november 2024 met bijlagen, en </para>
      <para>- een bericht van de zijde van de vader van 14 november 2024 met bijlagen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken, in het bijzijn van de griffier. Van dat gesprek heeft de voorzitter ter zitting een samenvatting gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De zitting heeft op 25 november 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: </para>
      <para>- de vader, bijgestaan door mr. M.M.E. Rietjens, advocaat te Amsterdam, </para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,</para>
      <para>- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.</para>
      <para>De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>De vader en de moeder hebben een geregistreerd partnerschap gehad, gesloten op 19 juni 2018 en ontbonden op 4 juli 2024. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2012.</para>
        <para>De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij de – in zoverre niet – bestreden beschikking is als voorlopige zorgregeling bepaald dat [minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zal zijn. De definitieve beslissing met betrekking tot de zorgregeling is pro forma aangehouden tot 10 juni 2024, waarbij partijen uiterlijk tien dagen voordien de rechtbank schriftelijk dienden te informeren over de stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure (met het oog op te hervatten hulpverlening van het OKT).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder. De vader had verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.</para>
        <para>Verder is op het verzoek van de moeder bepaald dat zij huurster zal zijn van de woning aan het adres [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning) met ingang van de dag waarop de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de vader om hem het huurrecht van de woning toe te kennen is, zo begrijpt het hof, afgewezen.</para>
        <para>Daarnaast is met ingang van dag waarop de beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] bepaald van € 448,- per maand. De moeder had verzocht de bijdrage te bepalen op € 500,- per maand.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de verzoeken van de moeder ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , het huurrecht en de bijdrage voor [minderjarige] alsnog af te wijzen en zijn verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en het huurrecht alsnog toe te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Partijen zijn vooral verdeeld over de vraag bij wie [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats moet hebben. De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald en aan de moeder het huurrecht van de woning toegewezen. In die woning woont ook de heer [naam] (hierna: [naam] ), met wie de moeder sinds maart 2023 een relatie heeft. [naam] heeft twee kinderen uit een eerdere relatie: een dochter van de leeftijd van [minderjarige] , die eveneens staat ingeschreven op het adres van de moeder, en een jongere zoon die de helft van de tijd bij [naam] en de moeder verblijft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>In haar gesprek bij het hof heeft [minderjarige] te kennen gegeven dat zij graag bij de moeder (in de woning) wil blijven wonen. Ook de moeder wil die situatie handhaven. </para>
        <para>De vader maakt zich echter zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en over de opstelling van de moeder, die volgens hem in de weg staat aan het goede contact van de vader met [minderjarige] . Hij wil daarom graag dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem (in de woning) wordt bepaald zodat een co-ouderschapsregeling kan worden uitgevoerd. De vader verwijt de moeder dat zij hem niet betrekt bij beslissingen over [minderjarige] , dat zij hem buitensluit en dat zij [minderjarige] geen emotionele toestemming geeft om bij de vader te zijn, met als gevolg dat [minderjarige] hem afwijst. De moeder stelt op haar beurt dat de vader haar stalkt en dat hij haar en [minderjarige] bestookt met e-mails en appberichten die bovendien een bedenkelijke toon hebben; hij heeft het volgens haar dan ook aan zichzelf te wijten dat [minderjarige] zich terugtrekt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zorgen over [minderjarige]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof constateert dat de verstandhouding van de vader en de moeder niet goed is en dat die steeds meer verslechtert. Inmiddels is Jeugdbescherming Regio [plaats A] in het drangkader betrokken (nadat het OKT heeft opgeschaald), maar er is nog geen gezinsmanager aan partijen toegewezen. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het belang van de inzet van hulpverlening benadrukt: het wantrouwen tussen de ouders en de escalaties nemen toe en daarvan heeft [minderjarige] last. Zij wordt betrokken bij de strijd tussen haar ouders. [minderjarige] wijst de vader steeds meer af, zo maakt de raad op uit de overgelegde appcommunicatie, waarbij mogelijk de frequentie en de toon van de berichten van de vader een rol spelen. </para>
        <para>Het hof deelt de zorgen van de raad op het punt van de opstelling van [minderjarige] jegens de vader, waarbij voor nu in het midden kan blijven welk aandeel de vader daarin zelf heeft. Daarnaast baren de meldingen bij Veilig Thuis het hof zorgen. Vlak na de behandeling bij de rechtbank werd de eerste melding bekend: op 17 januari 2024 heeft Veilig Thuis een melding van de politie ontvangen over een incident van een dag eerder waarbij [naam] de moeder zou hebben mishandeld in een café terwijl [minderjarige] en de dochter van [naam] alleen thuis waren. </para>
        <para>Inmiddels zijn er twee meldingen gevolgd: op 6 mei 2024 heeft Veilig Thuis een melding ontvangen van de politie vanwege een ruzie tussen de vader en [naam] op 4 mei 2024. [minderjarige] verbleef toen bij de vader en nadat zij berichten aan de moeder had gestuurd, zijn de moeder en [naam] [minderjarige] gaan ophalen, naar de melding beschrijft : onder invloed van alcohol. [naam] is vervolgens aangehouden voor vernieling van de auto van de vader. De vader heeft aangifte gedaan. </para>
        <para>Op 4 juli 2024 heeft Veilig Thuis een melding ontvangen van een moeder van een vriendin van [minderjarige] nadat deze vriendin (samen met andere vriendinnen) een slaapfeestje had bij de moeder thuis. Deze melding hield het volgende in:</para>
        <para>“Melder geeft aan dat zij zich zorgen maakt om de veiligheid van een minderjarig kind in dit gezin. De dochter van melder (11 jaar) had een slaapfeestje bij de dochter van dit gezin met andere vriendinnen. Bij aankomst was er te zien dat moeder een beetje alcohol op had. Op goede hoop is dit kind hier gebleven en hebben de kinderen het slaapfeest gehouden. In de avond waren de kinderen aan het spelen en is er per ongeluk een telefoon hard tegen een van de kinderen hun hoofd gekomen. Dit veroorzaakte een bloedende snee. Toen de kinderen hiervoor om hulp vroegen bij de ouders, waren deze niet aanspreekbaar. Beide ouders zouden door het alcoholgebruik niet aanspreekbaar zijn geweest na meerdere keren proberen. De kinderen hebben toen een andere ouder gebeld die het kind met de snee in haar hoofd naar het ziekenhuis hebben gebracht. Ook bij de aankomst van de andere ouders, werden de ouders van dit gezin niet wakker. Bij het ontbijt kregen de kinderen redbull en mochten zij sigaretten en vape roken. De melder maakt zich zorgen om deze situatie en de veiligheid in het gezin</para>
        <para>met name voor de minderjarige en de beschikbaarheid van ouders.” Het hof begrijpt dat met de andere ouder de nieuwe partner van de moeder, [naam] , is bedoeld. </para>
        <para>
          [naam] heeft vanwege het incident van 4 mei 2024 een contact- en locatieverbod voor de duur van zes maanden gekregen met ingang van 27 augustus 2024. Hij heeft op zijn beurt aangifte tegen de vader gedaan (door de vader bestempeld als een valse aangifte).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Raadsonderzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>Gezien het voorgaande, maar ook gezien het verzuim van [minderjarige] op school (waarvoor het zorgteam van school is ingeschakeld), leven er bij het hof te veel zorgen en vragen om nu al te beslissen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Onduidelijk is welke weerslag het op [minderjarige] heeft dat zij getuige is van ruzies en agressie tussen haar ouders (en [naam] ) en dat zij wordt belast met volwassenproblematiek (de communicatie tussen de ouders loopt ook via [minderjarige] ). Het hof heeft goede nota genomen van de wens van [minderjarige] om bij de moeder te wonen en de tweewekelijkse zorgregeling met de vader te handhaven, maar wenst nader voorgelicht te worden door de raad over de vraag welke hoofdverblijfplaats, gelet op alle omstandigheden van het geval, het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden met het verzoek aan de raad om onderzoek te doen naar deze vraag en daarover rapport uit te brengen aan het hof.</para>
        <para>Dat brengt mee dat het hof ook de beslissing op de verzoeken ten aanzien van het huurrecht van de woning, de kinderalimentatie en de proceskostenveroordeling zal aanhouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Dit leidt tot de volgende beslissing.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>alvorens verder te beslissen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verzoekt de raad onderzoek te verrichten naar de vraag welke hoofdverblijfplaats het meest in het belang van [minderjarige] is en verzoekt de raad hieromtrent schriftelijk rapport uit te brengen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de behandeling in afwachting van het rapport pro forma aan tot zondag 24 augustus 2025;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 14 januari 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>