<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:847</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-03T10:34:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.301.531/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:847">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:847</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-03T10:34:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:847 Gerechtshof Amsterdam , 01-04-2025 / 200.301.531/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:847:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>kopje volgt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:847:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer		: 200.301.531/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer rechtbank				: C/13/676708/HA ZA 19-1328</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 april 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>In zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van <emphasis role="bold">Maanwende B.V.</emphasis></para>
      <para>gevestigd te [plaats 1] .</para>
      <para>appellant,</para>
      <para>advocaat: mr. J.P.M.Borsboom te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [plaats 2] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.S.J. Supičić te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para>2.<emphasis role="bold"> [bedrijf] B.V</emphasis>.,</para>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [plaats 3] ,</para>
      <para>advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para>3. <emphasis role="bold">[geïntimeerde 2]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [plaats 3] ,.</para>
      <para>advocaat: mr. P.H. Kramer te Amsterdam,</para>
      <para>geïntimeerden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna de curator en [geïntimeerden] . genoemd. [geïntimeerden] worden afzonderlijk [geïntimeerde 1] , [bedrijf] en [geïntimeerde 2] genoemd. De gefailleerde vennootschap wordt Maanwende genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De zaak in het kort</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [geïntimeerde 1] is in de periode 2006-2010 bestuurder geweest van Maanwende, een vennootschap die is opgericht vanwege het gunstige Nederlandse fiscaal regime. Maanwende ontplooide geen ondernemingsactiviteiten en genereerde geen eigen inkomsten. Maanwende behoorde tot de Russische Areti-groep. Tijdens het bestuurderschap van [geïntimeerde 1] zijn, met gebruikmaking van door [geïntimeerde 1] verstrekte volmachten, leningen ten bedrage van USD 186 miljoen verstrekt aan drie vennootschappen in Belize en is een bedrag van USD 14 miljoen aan advieskosten betaald aan een vennootschap op Bermuda. Het totaalbedrag betrof (in ieder geval: vrijwel) het gehele vermogen van Maanwende. [geïntimeerde 2] heeft in de desbetreffende periode als advocaat een aantal werkzaamheden verricht. De leningen zijn nooit terugbetaald en er is nooit rente betaald. De Belastingdienst heeft Maanwende in verband met de leningen aanslagen Vpb opgelegd die onbetaald zijn gebleven. De curator acht [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijk voor het verdwijnen van het vermogen van Maanwende en heeft op basis daarvan een aantal vorderingen tegen hen ingesteld. Aan [bedrijf] verwijt de curator het faciliteren van de onttrekking en [bedrijf] is in zijn visie bovendien aansprakelijk als werkgever van [geïntimeerde 2] . De rechtbank heeft de vorderingen van de curator afgewezen. Het hof heeft een mondelinge behandeling gelast om nadere informatie te verkrijgen en oordeelt thans dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] en [bedrijf] niet toewijsbaar zijn en dat de vordering tegen [geïntimeerde 1] in beginsel toewijsbaar kan zijn tot het meer subsidiair gevorderde bedrag, maar dat eerst nog nadere memoriewisseling nodig is voordat daarover een beslissing kan worden genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het geding in hoger beroep tot 18 juni 2024 verwijst het hof naar zijn op die datum uitgesproken tussenarrest en de daarin vermelde stukken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bij dat arrest gelaste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van partijen nader toegelicht, voor de curator mr. S.C. Louer, kantoorgenoot van mr. Borsboom voornoemd, voor [geïntimeerde 1] zijn hierboven genoemde advocaat en voor [bedrijf] en [geïntimeerde 2] naast hun hierboven genoemde advocaat ook diens kantoorgenoot mr. L.A. Godwaldt. Daarbij hebben de advocaten gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Partijen en hun advocaten hebben voorts vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarna is wederom arrest gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Verdere beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De curator heeft negentien grieven aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. Grief I, die betrekking heeft op de feitenvaststelling, is deels al in het tussenarrest aan de orde geweest. De rol van [geïntimeerde 2] , waar de grief verder betrekking op heeft, komt hierna bij de behandeling van de overige grieven aan de orde. De grieven II tot en met IX hebben betrekking op de vordering tegen [geïntimeerde 1] , de grieven X tot en met XVI hebben betrekking op de vordering tegen [geïntimeerde 2] en grief XVII heeft betrekking op de vordering tegen [bedrijf] . Grief XVIII heeft een algemene strekking en bevat de stelling dat de vorderingen van de curator ten onrechte zijn afgewezen en dat de curator ten onrechte in de proceskosten inclusief nakosten is veroordeeld. Met grief XIX klaagt de curator erover dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn stellingen nader te bewijzen. Hij herhaalt in hoger beroep zijn bewijsaanbod.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het hof  ziet aanleiding eerst de grieven X tot en met XVI bespreken (ten aanzien van [geïntimeerde 2] ), vervolgens grief XVII (ten aanzien van [bedrijf] ) en daarna de grieven II tot en met IX (ten aanzien van [geïntimeerde 1] ). De grieven XVIII en XIX zullen bij de bespreking van de overige grieven worden betrokken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Ten aanzien van [geïntimeerde 2]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De curator heeft zich met grief X (onder a) primair – in het kader van zijn op artikel 6:74 jo. 7:401 BW gebaseerde vordering – op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde 2] handelde in opdracht van Maanwende. Dat zou meebrengen dat op [geïntimeerde 2] als haar advocaat een bijzondere zorgplicht rustte om te waken over de belangen van Maanwende. [geïntimeerde 2] heeft weersproken dat zij in opdracht van Maanwende handelde. Bij het tussenarrest van 18 juni 2024 heeft het hof overwogen dat het in het licht van het gemotiveerde verweer van [geïntimeerde 2] vooralsnog onvoldoende aanwijzingen in het dossier aanwezig acht voor de stelling van de curator dat [geïntimeerde 2] handelde in opdracht van Maanwende. Dit voorlopig oordeel handhaaft het hof thans als definitief oordeel. Het hof acht deze stelling van de curator dus onvoldoende nader onderbouwd. Hieromtrent geldt het volgende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De curator heeft, onder verwijzing naar brieven aan de notaris, een declaratieoverzicht en een factuur, aangevoerd dat tussen [geïntimeerde 2] en Maanwende een opdrachtrelatie bestond. Ter zitting heeft hij aangevuld dat als je daarbij nog alles optelt dat [geïntimeerde 2] met en voor Maanwende deed, je niet anders kan dan concluderen dat zij de advocaat van Maanwende was. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde 2] heeft hiertegenover aangevoerd dat zij door Itera is ingeschakeld en geen werkzaamheden voor Maanwende heeft verricht. Zij heeft verwezen naar haar betoog in eerste aanleg, waar zij heeft gewezen op een aantal door de curator overgelegde producties, met name brieven en e-mails, die in lijn zijn met haar betoog. Itera voldeed ook haar kosten; in eerste aanleg heeft zij uitgelegd dat betaling geschiedde uit een depot. Dat in brieven aan de notaris in de onderwerpregel; “ref: MJ/sj – Maanwende B.V.” stond vermeld en dat zij een dossier “Maanwende” aanhield, maakt niet dat een opdrachtrelatie bestond. Op de dossiernaam werden externe kosten geboekt, die door Itera werden betaald. Het rekeningoverzicht en de facturen hadden op die kosten betrekking, aldus [geïntimeerde 2] . Zij heeft herhaald dat zij nooit instructies ontving van Maanwende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Het hof constateert dat er geen producties zijn waaruit het bestaan van een opdrachtrelatie rechtstreeks blijkt. De producties waaruit de curator het bestaan van een opdrachtrelatie afleidt, wijzen in het licht van de uitleg die [geïntimeerde 2] daarover heeft gegeven niet klemmend in die richting. De werkzaamheden van [geïntimeerde 2] – waarover hieronder nader – kunnen goed in opdracht van Itera zijn verricht. Dat past bovendien bij de eigen overkoepelende stelling van de curator dat Maanwende in feite door Itera werd bestuurd en [geïntimeerde 1] slechts een stroman was. Dat bij een dergelijke rolverdeling [geïntimeerde 2] , als advocaat van Itera, een verregaande betrokkenheid heeft gehad bij de activiteiten van Maanwende, wat daarvan verder zij, maakt echter nog niet dat zij haar werkzaamheden in opdracht van en als advocaat van Maanwende heeft verricht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Dit betekent dat de vraag moet worden beantwoord of [geïntimeerde 2] dan wellicht in haar hoedanigheid van advocaat van Itera onrechtmatig heeft gehandeld jegens Maanwende en/of de gezamenlijke crediteuren van Maanwende. De curator heeft betoogd dat dit het geval is. De grieven X (onder b) tot en met XVI, die op deze vraag betrekking hebben, lenen zich voor gezamenlijke bespreking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Voor de beoordeling van het handelen van [geïntimeerde 2] in relatie tot Maanwende dan wel de gezamenlijke crediteuren van Maanwende geldt de maatstaf zoals de Hoge Raad die heeft geformuleerd in zijn arrest van 17 januari 2020, HR:ECLI:NL:HR:2020:61 (Banning). In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>(3.1.2) Een advocaat heeft de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt te behartigen en stelt zich daarbij partijdig op (art. 10a lid 1, onder b, Advocatenwet). Daarbij dient een advocaat wel oog te hebben voor de context van dat belang, alsmede voor de belangen van andere betrokkenen (zoals de wederpartij of derden). Zo nodig confronteert hij zijn cliënt met gerechtvaardigde belangen van die anderen. De advocaat moet voorts in ieder geval handelen overeenkomstig de wet, en de belangenbehartiging van cliënten mag dan ook alleen met rechtmatige middelen worden nagestreefd.</para>
        <para>(3.1.3) Onder omstandigheden kan een advocaat gehouden zijn bij zijn dienstverlening aan de cliënt rekening te houden met hem bekende of redelijkerwijs kenbare, gerechtvaardigde belangen van derden die in voor hen nadelige zin zouden kunnen worden geraakt door het (voorgenomen) handelen of nalaten waarop zijn dienstverlening betrekking heeft. Indien een advocaat weet, of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat sprake is van zodanige belangen en dat de betrokken derden door een (voorgenomen) handelen of nalaten op onaanvaardbare wijze in die belangen zouden kunnen worden geschaad, dient hij zijn dienstverlening aan de cliënt daarop af te stemmen. Daarbij valt te denken aan het ontraden van een voorgenomen transactie, of het waarschuwen van de cliënt voor de daaraan, in verband met de betrokken belangen van derden, verbonden risico’s..</para>
        <para>(3.1.4) Bij het voorgaande geldt dat een advocaat mag afgaan op de juistheid van de hem door de cliënt verstrekte gegevens zolang in redelijkheid aanwijzingen van het tegendeel ontbreken (…). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>De curator verwijt [geïntimeerde 2] dat zij als ‘facilitator’ een wezenlijke en leidende rol heeft gespeeld bij het mogelijk maken van het leeghalen van Maanwende en dit professioneel heeft georganiseerd. Zij onderhield de contacten met de aandeelhouder, zij heeft de nodige instructies gegeven aan [geïntimeerde 1] en hem de nodige documenten laten tekenen, zij heeft de talloze, daarvoor nodige formaliteiten verricht, de notarissen geïnstrueerd allerlei volmachten en andere documenten te legaliseren en te voorzien van apostilles en ook andere praktische zaken geregeld. Volgens de curator heeft zij daarmee de overdracht van de volledige bevoegdheid van [geïntimeerde 1] ten aanzien van het vermogen van Maanwende aan derden gerealiseerd en alles gedaan wat nodig was voor het mogelijk maken van het leeghalen, terwijl zij wist dat [geïntimeerde 1] de klakkeloze stroman van de Russische aandeelhouder was en wist van de wens van de aandeelhouder het hele vermogen van Maanwende weg te sluizen. Desondanks stelde zij geen vragen, waarschuwde niet, deed geen nader onderzoek en trof geen maatregelen in het belang van Maanwende, weigerde niets en trok zich ook niet terug, aldus de curator. In zijn visie kon [geïntimeerde 2] wel degelijk (naar objectieve maatstaven) voorzien dat Maanwende leeg zou achterblijven met een belastingschuld.    </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde 2] heeft het betoog van de curator betwist. Volgens haar is het gegaan om een aantal ondersteunende werkzaamheden, heeft zij enkele malen een algemene vraag beantwoord over de Nederlandse wetgeving en de statuten, en had zij geen zicht op beleidsmatige beslissingen of inhoudelijke stukken (zoals de overeenkomsten van geldlening) van Itera of Maanwende. Zij heeft voorts het volgende aangevoerd. Zij wist rond mei 2008 dat Maanwende twee bankrekeningen had geopend, dat Maanwende haar aandelen in OJSC Inga en OJSC Trans-Oil had verkocht, dat Itera van plan was uiteindelijk haar aandelen Maanwende te verkopen en dat vermoedelijk dividenduitkering zou plaatsvinden. Verder had zij begrepen dat  Itera (een deel van) het vermogen van Maanwende wilde uitlenen, waardoor zij niet uitsloot dat deze lening aan de koper van de aandelen Maanwende zou worden verstrekt. De geldleningen zijn verstrekt voordat zij daarvan kennis kreeg. Dat Itera haar op 23 juni 2008 vragen stelde over een dividenduitkering en aandelenoverdracht, bevestigde haar dat Itera voornemens was haar aandelen Maanwende uiteindelijk te verkopen en de terugbetaalde leningbedragen als dividend uit te keren. Dat was en is toegestaan en van onwettige intenties was zij niet op de hoogte, aldus tot zover [geïntimeerde 2] .  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Over de werkzaamheden die [geïntimeerde 2] voor Itera met betrekking tot Maanwende heeft verricht kan, voor zover hier van belang, het volgende worden geconstateerd, In de periode vanaf half 2006 heeft [geïntimeerde 2] regelmatig documenten naar de notaris gestuurd om deze te laten legaliseren en vervolgens te laten voorzien van een apostille (productie 79 in eerste aanleg). Op 29 augustus 2007 heeft zij de door [geïntimeerde 1] ondertekende brede volmacht aan Itera om Maanwende te vertegenwoordigen aan de notaris toegezonden (onderdeel van productie 79 en tussenarrest 2.8). In september 2007 heeft zij een tweetal pandovereenkomsten ter ondertekening doorgeleid aan [geïntimeerde 1] (tussenarrest onder 3.7). Zij heeft op 30 april 2008 de opdracht gekregen een volmacht voor het verstrekken van de geldleningen voor ondertekening aan [geïntimeerde 1] door te sturen en de volmacht vervolgens van een apostille te laten voorzien (tussenarrest onder 3.12). Zij heeft Itera bij e-mail van 14 mei 2008 laten weten dat [geïntimeerde 1] die dag zou tekenen en haar gewezen op het belang van artikel 4.4 statuten en artikel 2:207c BW die een beperking bevatten voor het uitlenen van geld aan de koper van haar aandelen en twee alternatieven genoemd (tussenarrest onder 3.13). Op 7 mei 2008 heeft zij de – op 24 april 2008 rechtstreeks aan [geïntimeerde 1] toegezonden – door [geïntimeerde 1] ondertekende, gelegaliseerde en van een apostille voorziene stukken toegezonden aan Itera, die nodig waren voor het openen van de bankrekening te Cyprus en het beschikken daarover door door Itera aangewezen personen (productie 62 bij inleidende dagvaarding en tussenarrest onder 3.11). Bij e-mail van 4 juni 2008 heeft [geïntimeerde 2] een niet gedateerde en niet ondertekende versie van de notulen van een ava van Maanwende van 26 mei 2008 ontvangen waarin is besloten de leningen aan de Belize-vennootschappen te verstrekken met het verzoek “<emphasis role="italic">to review the draft</emphasis>” (tussenarrest onder 3.18). In de e-mail van 23 juni 2008 waar zij naar verwijst (productie 63 bij inleidende dagvaarding) wordt haar gevraagd om opheldering over de vraag of er beperkingen gelden voor dividenduitkering van Maanwende aan haar aandeelhouders anders dan voorzien in de statuten, en of het mogelijk is op grond van een SPA aandelen Maanwende aan de koper van de aandelen over te dragen voordat de koopprijs wordt voldaan, bijvoorbeeld als op grond van een SPA pas een betalingsverplichting ontstaat wanneer de koper in het aandeelhoudersregister als nieuwe aandeelhouder wordt vermeld.  De reactie van [geïntimeerde 2] op deze e-mails is niet bekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Niet kan worden geconstateerd dat [geïntimeerde 2] door Itera voor meer of andere werkzaamheden is ingeschakeld dan ondersteunende werkzaamheden – als het laten ondertekenen van stukken door [geïntimeerde 1] , het door de notaris laten legaliseren van stukken en deze te doen voorzien van een apostille – en het incidenteel beantwoorden van vragen op het gebied van het Nederlandse recht. Onder verwijzing naar overgelegde stukken heeft [geïntimeerde 2] er nog op gewezen dat Itera een eigen juridische afdeling had, voor ‘grotere’ advieswerkzaamheden een Zuidas-kantoor inschakelde en een eigen belastingadviseur had. Dat [geïntimeerde 2] inhoudelijk bij de op Maanwende betrekking hebbende activiteiten van Itera werd betrokken dan wel dat zij een breder zicht had op de gang van zaken van Maanwende dan kenbaar was uit de stukken die zij onder ogen kreeg, blijkt niet. Dat zij Itera in de e-mail van 14 mei 2008 uit eigen beweging van advies heeft voorzien over een situatie die naar haar inschatting aan de orde zou kunnen komen, maakt dat niet anders. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Het vorenstaande neemt niet weg dat [geïntimeerde 2] er wel op bedacht moest zijn dat zij in het kader van haar beperkte opdracht geen onwettige activiteiten faciliteerde. Daarbij geldt dat zij in beginsel mocht afgaan op de juistheid van de haar verstrekte gegevens (zie rov. 3.1.4 van het hiervoor onder 3.8 vermelde arrest).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>De handelingen waar [geïntimeerde 2] aantoonbaar bij betrokken was, zijn niet van dien aard dat deze op zichzelf niet legitiem kunnen zijn. Het gaat dan in de eerste plaats om het ter tekening doorsturen aan [geïntimeerde 1] van de volmacht voor de leningen. Dit duidt niet per definitie op ongeoorloofde transacties. Zoals [geïntimeerde 2] heeft betoogd ging het om kortlopende leningen voor een jaar die dienden te worden goedgekeurd door de algemene vergadering van Maanwende en kan dat passen bij een voornemen tot dividenduitkering op termijn waarbij in de tussentijd vermogen rentedragend werd uitgeleend. Als advocaat van de aandeelhouder met een aldus beperkte opdracht van die aandeelhouder was zij niet gehouden tot verder onderzoek met het oog op de bescherming van de belangen van Maanwende of haar crediteuren. Het valt in die rol ook niet onder haar verantwoordelijkheid te controleren hoe [geïntimeerde 1] zijn rol als bestuurder invulde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Volgens de curator wist [geïntimeerde 2] dat Itera het hele vermogen wilde wegsluizen en dat een dividenduitkering op bezwaren stuitte en had Itera haar bovendien ook herhaaldelijk om advies gevraagd over het uit de vennootschap weghalen van geld. Dat zij de kennis had die de curator haar toedicht of dat zij had moeten begrijpen wat zou gebeuren, kan echter niet worden opgemaakt uit de producties waarnaar de curator verwijst. Dat door Itera aangewezen personen toegang kregen tot een door Maanwende te openen rekening in Cyprus, zegt op zichzelf onvoldoende. Dat geldt ook voor de inhoud van de e-mail van 30 april 2008. Deze e-mail kan er ook op duiden dat het vermogen eerst kortdurend zou worden uitgeleend, zoals ook steun vindt in de inhoud van de volmacht. De e-mail van 14 mei 2008 van [geïntimeerde 2] bevat geen advies waarvan [geïntimeerde 2] zich moest realiseren dat dit dienstbaar zou kunnen zijn bij een voornemen het vermogen met voorbijgaan aan fiscale verplichtingen weg te sluizen. De e-mail van 23 juni 2008 geeft steun aan de stelling van [geïntimeerde 2] dat zij ervan uitging dat het vermogen op termijn als dividend zou worden uitgekeerd. Dat [geïntimeerde 2] in 2008 al redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het oogmerk van Itera was het voor een korte periode uitgeleende vermogen van Maanwende via de leningconstructie te laten verdwijnen en de als gevolg daarvan ontstane belastingschuld onbetaald te laten, gaat te ver.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Dit wordt niet anders nu niet kan worden vastgesteld dat er in maart 2008 een door [geïntimeerde 2] genoemd advies van Baker&amp;McKenzie is geweest, inhoudende dat een dividenduitkering aan de Russische aandeelhouder op grond van het toen geldende belastingverdrag belastingvrij zou zijn geweest. Partijen verschillen van mening over de vraag of en zo ja hoe een dividenduitkering in de relevante periode werd belast, maar, hoe dit zij, dit leidt niet tot een ander oordeel over het handelen van [geïntimeerde 2] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <para>Slotsom van het vorenstaande is dat het hof de stelling van de curator dat [geïntimeerde 2] als advocaat van Itera onrechtmatig heeft gehandeld jegens Maanwende en/of haar gezamenlijke crediteuren niet volgt. Het bewijsaanbod (waarvoor de curator verwijst naar zijn in eerste aanleg gedane bewijsaanbod), verwerpt het hof als onvoldoende specifiek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>De overige verweren van [geïntimeerde 2] , waaronder het beroep op de klachtplicht en het verweer dat er geen causaal verband is tussen haar handelen en de door de curator gestelde schade van Maanwende en/of de gezamenlijke schuldeisers, kunnen onbesproken blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>De grieven X tot en met XVI treffen geen doel. Ten aanzien van [geïntimeerde 2] geldt hetzelfde voor de grieven XVIII en XIX. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Ten aanzien van [bedrijf]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20.</nr>
      <para>De vordering jegens [bedrijf] is in de eerste plaats gebaseerd op haar werkgeverschap van [geïntimeerde 2] . Nu [geïntimeerde 2] niet aansprakelijk wordt geacht jegens Maanwende en/of de gezamenlijke crediteuren, is evenmin sprake van werkgeversaansprakelijkheid, nog daargelaten dat [geïntimeerde 2] erop heeft gewezen dat zij in de van belang zijnde periode werkzaam was bij de maatschap [bedrijf] (die nog steeds bestaat), terwijl in de onderhavige zaak de BV is gedagvaard, waarbij zij naar haar stelling pas per 1 januari 2011 in dienst is getreden. Naar aanleiding daarvan heeft de curator bij zijn spreekaantekeningen in eerste aanleg (subsidiair) de grondslag van zijn vordering gewijzigd. Welke betekenis daaraan moet worden gehecht, kan in het midden blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21.</nr>
      <para>Dat [bedrijf] [geïntimeerde 1] ruimte en faciliteiten heeft verschaft leidt niet tot aansprakelijkheid van [bedrijf] . De curator heeft niet gesteld dat [bedrijf] zelf relevante kennis heeft gehad van de bestuurlijke activiteiten van [geïntimeerde 1] of daarbij inhoudelijk betrokken is geweest. Van een zelfstandige onrechtmatige daad van [bedrijf] is reeds daarom geen sprake. Bewijslevering is bij die stand van zaken niet aan de orde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22.</nr>
      <para>Grief XVII faalt. Ten aanzien van [bedrijf] falen ook de grieven XVIII en XIX. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Ten aanzien van [geïntimeerde 1] </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23.</nr>
      <para>De grieven II tot en met IX betreffen de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de curator uit hoofde van onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:9 BW en subsidiair onrechtmatige daad jegens de gezamenlijke schuldeisers (artikel 6:162 BW, de Peeters/Gatzen-vordering).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24.</nr>
      <para>Het hof stelt voorop dat vaststaat dat de onder 3.17 van het tussenarrest vermelde verstrekking van de geldleningen aan de drie Belize-vennootschappen van in totaal USD 186 miljoen en de onder 3.20 vermelde betaling van de <emphasis role="italic">advisory fee</emphasis> van USD 14 miljoen ertoe heeft geleid dat Maanwende uiteindelijk leeg en met een belastingschuld is achtergebleven, met dien verstande dat volgens [geïntimeerde 2] na de betaling van voormelde bedragen mogelijk nog ruim USD 400.000,- resteerde. Deze stelling heeft zij onder meer herhaald bij de mondelinge behandeling op 9 december 2024, waarbij alle partijen aanwezig waren.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25.</nr>
      <para>De vorderingen tegen [geïntimeerde 1] zijn door de rechtbank afgewezen op inhoudelijke gronden (samengevat in de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 van het tussenarrest). Kort gezegd (zoals ook al vermeld onder 4.6 van het tussenarrest) verwijt de curator de rechtbank te hebben miskend dat [geïntimeerde 1] zich als stroman heeft opgesteld, dat dergelijk handelen in het algemeen al in strijd is met de verplichtingen van een bestuurder van een bv en [geïntimeerde 1] bovendien een professional/voormalig advocaat was aan wiens handelen hoge eisen moeten worden gesteld, dat de voorzienbaarheid/wetenschap van schuldeisersbenadeling in een geval als het onderhavige moet worden geobjectiveerd omdat reeds in het algemeen kan en moet worden voorzien dat (de kans groot is dat) misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt en het geld verdwijnt en dat de feiten en omstandigheden in dit geval zelfs zozeer in strijd zijn met fundamentele beginselen van behoorlijk ondernemer- en bestuurderschap dat dit een risicoaansprakelijkheid voor de bestuurder meebrengt. De rechtbank heeft ten onrechte alle relevante feiten en omstandigheden niet cumulatief en in onderling verband beschouwd maar slechts afzonderlijk ‘afgevinkt’, aldus de curator. De curator heeft deze strekking van het hoger beroep voorop gesteld en een en ander nader uitgewerkt in de grieven II tot en met IX, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26.</nr>
      <para>Het verwijt dat de curator meer concreet aan [geïntimeerde 1] maakt is, kort gezegd, dat [geïntimeerde 1] , als bestuurder van Maanwende, op verzoek c.q. instructie van ( [geïntimeerde 2] namens) Itera, zonder enige zekerheden te bedingen, zonder vragen te stellen en zonder daarna nog enige controle of zicht daarop te kunnen hebben, aan hem volkomen onbekende (en niet in Nederland woonachtige) personen die hem door de aandeelhouders waren aangewezen een volmacht heeft verstrekt waarmee zij de volledige controle en zeggenschap kregen over de bedoelde USD 200 miljoen, zijnde (vrijwel) het gehele vermogen van Maanwende. [geïntimeerde 1] betwist dit alles op zichzelf ook niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27.</nr>
      <para>Het hof is van oordeel dat de curator [geïntimeerde 1] terecht verwijt dat hij zijn taak als bestuurder niet behoorlijk heeft vervuld en zich terecht op het standpunt stelt dat [geïntimeerde 1] ter zake een ernstig verwijt valt te maken. Voorop staat dat voor [geïntimeerde 1] , wiens taak op zichzelf beperkt was, dezelfde normen gelden als voor een reguliere bestuurder, zoals het hof al in het tussenarrest heeft gememoreerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28.</nr>
      <para>Dat brengt mee dat [geïntimeerde 1] in ieder geval zicht had moeten houden op de rechtshandelingen die namens de vennootschap werden verricht en daar in het belang van Maanwende zo nodig eisen aan had moeten stellen. Door het overlaten van de beschikking over de rekening in Cyprus aan door Itera aangewezen personen waarbij hij geen zicht behield op het verloop van die rekening en door het verlenen van de volmacht van 14 mei 2008 voor het verstrekken van geldleningen aan niet nader aangeduide leningnemers die vrijwel het hele vermogen van Maanwende konden betreffen, heeft hij zijn bestuurstaak in wezen geheel losgelaten. Daarmee heeft hij zijn verantwoordelijkheden als bestuurder veronachtzaamd. Het is overigens ook in strijd met de managementovereenkomst die hij met Itera heeft gesloten (productie 1 bij conclusie van antwoord) waarin onder meer staat dat hij gehouden is ervoor zorg te dragen dat de vennootschap handelt in overeenstemming met de Nederlandse wet- en regelgeving en met haar statuten, dat hij “<emphasis role="italic">shall take good care of the interests of the Company</emphasis>” en <emphasis role="italic">“reserves the right to refrain from any act which </emphasis>[he]<emphasis role="italic"> considers to be in conflict with the lawful interest of the Company</emphasis>.”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde 1] heeft aangevoerd dat hij te maken had met een grote partij die als enige belang had bij de vennootschap terwijl de belangrijke besluiten ook steeds goedkeuring van de algemene vergadering behoefden. Bovendien ging het volgens [geïntimeerde 1] om <emphasis role="italic">intercompany loans</emphasis>, Hij  kon niet vermoeden dat in strijd met het belang van de vennootschap zou worden gehandeld, aldus [geïntimeerde 1] . Dit neemt echter niet weg dat hij als bestuurder steeds een eigen verantwoordelijkheid hield om zich daarvan te vergewissen en daarbij zich ervan bewust te zijn dat de vennootschap ook rekening had te houden met haar wettelijke en statutaire verplichtingen en met andere belang(hebbend)en dan Itera. De vennootschap had geen eigen onderneming of activiteiten en genereerde geen eigen inkomsten, maar was fiscaal gedreven. Het had dan eens te meer op de weg van [geïntimeerde 1] gelegen ervoor te zorgen dat aan de fiscale verplichtingen zou kunnen worden voldaan. Het zonder enige controle of toezicht ter vrije beschikking van de aandeelhouder stellen van (het overgrote deel van het) vermogen zonder enige zekerheid dan wel zonder reservering voor de daaruit mogelijk voortvloeiende fiscale gevolgen, is in strijd met het belang van Maanwende. [geïntimeerde 1] heeft dit laten gebeuren en heeft daarmee het belang van Maanwende geschaad. Van het aldus volledig loslaten van zijn bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot (de belangen en wettelijke verplichtingen van) Maanwende valt hem  een ernstig verwijt te maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.30.</nr>
      <para>Dat niet USD 200 miljoen is uitgeleend maar USD 186 miljoen en daarna nog (in ieder geval) een bedrag van USD 14 miljoen resteerde dat – op grond van de volmacht van 29 augustus 2007 – als <emphasis role="italic">advisory fee </emphasis>is uitbetaald, maakt  het vorenstaande niet anders. Waar het gaat om het verwijt dat [geïntimeerde 1] kan worden gemaakt, is immers niet van belang wat de titel is geweest waaronder hij het vermogen van Maanwende ter beschikking heeft gesteld aan de aandeelhouder Itera dan wel aan anderen heeft uitbetaald; het verwijt is dat hij bij het laten verdwijnen van het vermogen van Maanwende (zonder vragen te stellen of zekerheden in te bouwen) geen zorg of aandacht heeft gehad voor de verplichtingen van Maanwende jegens anderen, en of Maanwende nog wel voldoende verhaal bood voor die verplichtingen jegens anderen. In dit geval zijn die verplichtingen jegens anderen beperkt tot de verplichtingen van Maanwende jegens de fiscus, waarvoor Maanwende geen verhaal biedt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.31.</nr>
      <para>De volgende vraag is welke schade aan de schending van [geïntimeerde 1] van zijn verplichting uit hoofde van artikel 2:9 BW kan worden toegerekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.32.</nr>
      <para>Dit is niet het volle bedrag van de verdwenen USD 200 miljoen. Immers, Maanwende is een fiscaal gedreven vehikel en [geïntimeerde 1] had zich met betrekking tot de strategische beslissingen ten aanzien van haar vermogen in beginsel te richten naar de wensen en instructies van de aandeelhouder Itera. Maanwende had er geen aanspraak op dat zij steeds over dat vermogen bleef beschikken. Als Itera wenste dat dit vermogen werd uitgekeerd of uitgeleend, was het niet aan Maanwende zich daartegen te verzetten. Maanwende had er echter wel een zelfstandig belang bij dat wettelijke en statutaire normen op de juiste wijze werden nageleefd. Dat betekent in het onderhavige geval dat zij haar fiscale verplichtingen moest kunnen nakomen. Voor Maanwende is een fiscale schuld ontstaan die zij niet heeft kunnen voldoen. Vanaf het moment dat [geïntimeerde 1] erin heeft bewilligd dat Maanwende (vrijwel) haar volledige vermogen aan haar aandeelhouder ter beschikking stelde om dat te doen uitlenen, diende hij - minst genomen -rekening te houden met de fiscale schuld die daardoor voor Maanwende zou kunnen ontstaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.33.</nr>
      <para>In dit verband heeft te gelden dat de taak en verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] als bestuurder van Maanwende meebracht zich rekenschap te geven van de fiscale verplichtingen die voor Maanwende konden ontstaan op grond van feiten die zich hebben voorgedaan in de periode waarin hij bestuurder was van Maanwende. Als bestuurder van Maanwende waren deze verplichtingen voor [geïntimeerde 1] kenbaar, althans behoorde hij ze te kennen, en had hij daarmee rekening behoren te houden zodat zijn aansprakelijkheid zich tot het daarop betrekking hebbende bedrag uitstrekt. Voor een naar omvang verdergaande schadeplicht ziet het hof echter geen goede grond. Met name ziet het hof geen grond om [geïntimeerde 1] aansprakelijk te houden voor schulden die pas zijn ontstaan in de bestuursperiodes van latere bestuurders van Maanwende. Ook voor aansprakelijkheid voor de kosten die verband houden met het in 2019 gevolgde faillissement, ziet het hof geen grond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.34.</nr>
      <para>Een en ander brengt mee dat de curator – waar het gaat om zijn vordering uit hoofde van artikel 2:9 BW – [geïntimeerde 1] slechts aansprakelijk kan houden voor de onverhaalbaar gebleven belastingschuld van Maanwende die is komen te ontstaan in de periode dat [geïntimeerde 1] bestuurder van Maanwende is geweest en waarvoor Maanwende toen al onvoldoende verhaal bood. Het hof merkt daarbij op, allicht ten overvloede, dat het moment waarop een belastingschuld ontstaat niet noodzakelijk samenvalt met het moment van de aanslag of het moment waarop zij opeisbaar wordt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.35.</nr>
      <para>De curator heeft in hoger beroep, na eiswijziging, meer subsidiair schadevergoeding gevorderd tot het bedrag van de vpb-aanslag over het belastingjaar 2009 van € 621.495 (€ 504,641 aanslag en € 116.854 rente, zie prod. A bij memorie van grieven) omdat die aanslag betrekking heeft op het belastingjaar waarin [geïntimeerde 1] nog bestuurder was van Maanwende, althans tot een bedrag dat het hof juist en rechtvaardig acht. Hierop heeft [geïntimeerde 1] nog niet met zo veel woorden gereageerd. De vraag of Maanwende ten tijde van het uittreden van [geïntimeerde 1] als bestuurder voldoende verhaal daarvoor bood, is ook nog niet met zoveel woorden door partijen aan de orde gesteld. Ten slotte leest het hof in de stellingen van [geïntimeerde 1] waarin hij wijst op de gevolgen voor hem van een toewijzend vonnis (conclusie van antwoord p. 22) en de onredelijke gevolgen van toewijzing in het licht van de geringe hoogte van de genoten contra-prestatie (€ 4.000,- per jaar) (memorie van antwoord p. 13 en spreekaantekeningen 16) een beroep op matiging als bedoeld in artikel 6:109 BW. Het debat daarover is echter nog onvoldoende uitgekristalliseerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.36.</nr>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat het hof de grieven II tot en met IX op zichzelf gegrond acht voor zover de curator daarmee klaagt dat de rechtbank het beroep op schending van artikel 2:9 BW ten onrechte heeft verworpen, maar dat over de schadeomvang nog nadere uitwisseling van standpunten nodig is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De formele verweren; verjaring en decharge</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.37.</nr>
      <para>Nader debat zou echter achterwege kunnen blijven als een van de formele verweren van [geïntimeerde 1] doel zou treffen. Dat betreft in de eerste plaats het beroep op verjaring.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.38.</nr>
      <para>Zoals het hof al in het tussenarrest heeft overwogen, betreft de vordering op grond van onbehoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 2:9 BW een schadevordering waarvoor geldt dat deze op grond van artikel 3:310 lid 1 verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.39.</nr>
      <para>In het tussenarrest heeft het hof ook al overwogen dat het bij deze vordering gaat om een vordering die aan de vennootschap zelf toekomt, dat de curator heeft gesteld dat Maanwende als gevolg van onbehoorlijk bestuur van [geïntimeerde 1] schade heeft geleden en dat, indien het handelen van [geïntimeerde 1] in de door de curator geschetste omstandigheden als onbehoorlijk bestuur moet worden aangemerkt, duidelijk is dat [geïntimeerde 1] als bestuurder in dat geval degene is die voor de als gevolg daarvan geleden schade aansprakelijk is. [geïntimeerde 1] is aansprakelijk gesteld bij brief van 7 november 2019 en vervolgens op 20 november 2019 gedagvaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.40.</nr>
      <para>In het voorafgaande heeft het hof geoordeeld dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is jegens Maanwende en dat zijn aansprakelijkheid is beperkt tot de schade van Maanwende die bestaat uit het bedrag van de onverhaalbaar gebleven belastingschuld van Maanwende die is komen te ontstaan in de periode dat [geïntimeerde 1] bestuurder van Maanwende is geweest. De vraag of de schadevordering van de curator die ziet op specifiek dat bedrag is verjaard, is nog niet in concreto onderwerp van debat geweest. Daarbij merkt het hof op dat in het kader van die vraag van belang is wanneer de schade daadwerkelijk door Maanwende is geleden en de schadevordering jegens [geïntimeerde 1] opeisbaar is geworden. Mogelijk is in dat verband ook van belang wie, voor zover dat nog niet de curator was, in de periode gedurende vijf jaar daarna de (feitelijk) bestuurder was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.41.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde 1] heeft voorts aangevoerd dat hem decharge is verleend door de vergadering van aandeelhouders. Hij voert aan dat dit is gebeurd bij zijn aftreden op 22 februari 2010 en nadien is bevestigd bij de vaststelling van de jaarrekening 2008 waarin de leningen waren opgenomen en dat dit toewijzing van een vordering ex artikel 2:9 BW in de weg staat. Ook op dit verweer is nog slechts in breder verband gereageerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vordering uit hoofde van artikel 6:162 BW jegens de gezamenlijke schuldeisers (de Peeters/Gatzen-vordering)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.42.</nr>
      <para>Zoals hiervoor is overwogen, acht het hof het primair gevorderde bedrag (USD 200 miljoen, met rente) niet toewijsbaar op grond van schending van [geïntimeerde 1] van zijn verplichting uit hoofde van artikel 2:9 BW. De vraag moet nog beantwoord worden of dit bedrag wel toewijsbaar is op grond van het subsidiair door de curator aangevoerde onrechtmatig handelen door [geïntimeerde 1]  jegens de gezamenlijke schuldeisers van Maanwende (de Peeters/Gatzen-vordering). Dit betreft derhalve een vordering namens de gezamenlijke schuldeisers wegens verhaalsbenadeling, strekkende tot herstel van hun verhaalsmogelijkheden. Zoals overwogen in het tussenarrest heeft de curator aangevoerd dat de door hem aan [geïntimeerde 1] verweten handelingen, kort gezegd het faciliteren van het doen verdwijnen van het vermogen van Maanwende onrechtmatig is jegens het collectief van de gezamenlijke schuldeisers van Maanwende en heeft geleid tot schade voor hen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.43.</nr>
      <para>Het hof acht de vordering op deze grondslag niet toewijsbaar. Zoals hiervoor al aan de orde kwam, is de betaling van USD 200 miljoen (USD 186 miljoen aan leningen en USD 14 miljoen aan <emphasis role="italic">advisory fee</emphasis>) op zich in beginsel niet onrechtmatig. Deze betalingen zijn geïnitieerd door Itera en Maanwende had deze betalingen mogen doen als zij rekening zou hebben gehouden met haar te verwachten fiscale verplichtingen. Andere crediteuren dan de Belastingdienst waren er niet en gelet op de aard van de vennootschap waren die ook niet te verwachten. Van onrechtmatige verhaalsbenadeling van de gezamenlijke crediteuren is daarmee geen sprake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.44.</nr>
      <para>Hiermee kan de vraag naar de mogelijke verjaring van deze vordering (en derhalve ook de vraag of de verjaringstermijn van een Peeters/Gatzen-vordering nooit eerder kan aanvangen dan op zijn vroegst op de faillissementsdatum) onbesproken blijven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nader debat</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.45.</nr>
      <para>Zoals volgt uit wat hiervoor is overwogen, acht het hof in verband met de vordering van [geïntimeerde 1] uit hoofde van artikel 2:9 BW op een aantal punten nader debat aangewezen (zie de rechtsoverwegingen 3.33-3.35, 3.40 en 3.41), Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten, en wel als volgt. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een nadere memorie door beide partijen tegelijkertijd. [geïntimeerde 1] kan zich dan uitlaten over het  schadebedrag, over wat hem bekend is over het banksaldo van Maanwende ten tijde van zijn aftreden, over de verjaring en over elementen die moeten worden betrokken bij het beroep op matiging  De curator kan zich dan eveneens uitlaten over het banksaldo ten tijde van het aftreden van [geïntimeerde 1] (zo mogelijk gedocumenteerd) en over de verjaring en voorts over de decharge en over de opvolgende bestuurders ten tijde van en in de periode na de opeisbaarheid van de vordering (een onderwerp dat bij de mondelinge behandeling deels al in wat algemener verband aan de orde is geweest, maar dat nog nader kan worden toegespitst.) Vervolgens zullen partijen op elkaars memories kunnen reageren en kan weer arrest worden gevraagd.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Slotsom in beide zaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.46.</nr>
      <para>De slotsom is dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] en [bedrijf] niet voor toewijzing vatbaar zijn. Deze zullen derhalve worden afgewezen, maar het hof zal dit pas in een dictum doen als ook op de vordering tegen [geïntimeerde 1] kan worden beslist, zodat de zaken bij elkaar blijven. Met betrekking tot de vordering tegen [geïntimeerde 1] uit hoofde van artikel 2:9 BW is nog nadere memoriewisseling nodig, zoals toegelicht in rechtsoverweging 3.45. De vordering uit hoofde van artikel 6:162 BW tegen [geïntimeerde 1] is niet toewijsbaar. De zaak tegen [geïntimeerde 1] zal worden verwezen naar de rol voor memoriewisseling en iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">In de zaak tegen [geïntimeerde 2] en [bedrijf]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de beslissing aan; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">In de zaak tegen [geïntimeerde 1] </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van  27 mei 2025 voor het nemen van een nadere memorie door beide partijen als bedoeld in rechtsoverweging 3.45;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, J.M. van den Berg en J.G. Sijmons, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>