<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:514</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-22T10:58:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.350.213/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:514">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:514</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-22T10:56:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:514 Gerechtshof Amsterdam , 27-02-2025 / 200.350.213/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:514:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking in strafzaak. De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot wraking. Het eerste verzoek is te laat ingediend. Het tweede verzoek is niet gericht tegen een met de behandeling van de zaak belaste raadsheer. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat het verzoek zou zijn afgewezen in het geval het niet te laat zou zijn ingediend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:514:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">GeRechtshof Amsterdam</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 		: 200.350.213/01</para>
      <para>zaaknummer hoofdzaak	: 23-000734-22</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de wrakingskamer van 27 februari 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het wrakingsverzoek ingediend door </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats], </para>
      <para>hierna: verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De hoofdzaak betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2022, waarbij verzoeker is veroordeeld voor belaging en mishandeling van twee van zijn buren en het beschadigen van meerdere toegangsdeuren en een lift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 11 november 2022 heeft in de hoofdzaak een regiezitting plaatsgevonden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verzoeker heeft bij op 20 januari 2025 ingekomen schriftelijk stuk de wraking verzocht van de raadsheren mrs. W.S. Ludwig en H.A. van Eijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Mrs. Ludwig en Van Eijk hebben op 23 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Verzoeker heeft bij op 4 februari 2025 ingekomen schriftelijk stuk voorts de wraking verzocht van de raadsheren mrs. J.J.J. Schols en E. Mijnsberge. Verzoeker heeft zowel dit stuk als het onder 1.3 bedoelde stuk in diverse e-mails nader toegelicht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Het wrakingsverzoek is op 6 februari 2025 door de wrakingskamer in het openbaar behandeld. Op de zitting waren aanwezig:</para>
        <para>-	verzoeker,</para>
        <para>- 	mr. M. Spruit, advocaat-generaal. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Verzoeker heeft een pleitnota voorgedragen, nadere stukken overgelegd en het wrakingsverzoek voor zover dat was gericht tegen mr. Schols ter zitting ingetrokken, omdat mr. Schols niet langer bij het hof werkzaam is en dus ook niet betrokken zal zijn bij de verdere behandeling van de hoofdzaak, noch bij het eventueel horen van andere getuigen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit de schriftelijke verzoeken. Samengevat vindt verzoeker dat (i) uit het afwijzen van een groot aantal verzoeken tot het horen van getuigen blijkt dat mrs. Ludwig en Van Eijk vooringenomen zijn, (ii) valsheid in geschrifte en meineed is gepleegd door mrs. Ludwig en Van Eijk, aangezien op de regiezitting van 22 november 2022 allerlei dingen zijn gezegd en gebeurd die niet in het proces-verbaal zijn opgenomen, (iii) vooringenomenheid daarnaast blijkt uit het feit dat verzoeker geen in VvE-recht gespecialiseerde advocaat toegewezen krijgt door het hof en dat hierover ook niets in het proces-verbaal is opgenomen, terwijl civiel recht op de hoofdzaak van toepassing is en de raadsheren dit op de regiezitting met verzoeker eens waren en (iv) de raadsheren in strijd hebben gehandeld met het recht, het legaliteitsbeginsel en de grondwet. Daarnaast heeft verzoeker de wraking van mr. Mijnsberge verzocht in verband met zijn rol als raadsheer-commissaris bij het horen van getuigen in de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Mrs. Ludwig en Van Eijk hebben in hun schriftelijke reactie meegedeeld dat zij niet in het verzoek tot wraking berusten. Inhoudelijk hebben zij niet op het wrakingsverzoek gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Een griffier kan niet worden gewraakt. Volgens artikel 513, lid 1, Sv moet het verzoek worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling in deze zaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof stelt allereerst vast dat mr. Mijnsberge niet – zoals verzoeker stelt – betrokken is (geweest) bij het horen van getuigen in de hoofdzaak. Mr. Schols was als enige raadsheer-commissaris belast met het horen van de getuigen. Dat er uit naam van mr. Mijnsberge brieven aan verzoeker zijn gestuurd, had een louter administratieve achtergrond; hij is niet als raadsheer bij de zaak betrokken (geweest). Het verzoek mist derhalve feitelijke grondslag en heeft geen betrekking op een met de behandeling van de zaak belaste raadsheer. Om die reden verklaart de wrakingskamer het verzoek voor zover gericht tegen mr. Mijnsberge niet-ontvankelijk.</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Ten aanzien van het verzoek dat is gericht tegen mrs. Ludwig en Van Eijk overweegt de wrakingskamer als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, moet een verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die daarvoor aanleiding geven aan verzoeker bekend zijn geworden. Na indiening van het verzoek wordt de procedure namelijk direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode ten aanzien waarvan later wordt vastgesteld dat hij of zij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de procedure te voorkomen. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn allemaal terug te voeren op de regiezitting die op 11 november 2022 heeft plaatsgevonden. Het verzoek is echter pas gedaan op 20 januari 2025. Voor dat tijdsverloop is door verzoeker geen redelijke verklaring gegeven. Het verzoek is daarom te laat ingediend en dus om deze reden niet-ontvankelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Ten overvloede overweegt de wrakingskamer ten slotte dat het verzoek zou zijn afgewezen in het geval het verzoek niet te laat zou zijn ingediend. Verzoeker heeft weliswaar duidelijk gemaakt dat hij van mening is dat in de procedure veel ontoelaatbaars is voorgevallen en onjuiste beslissingen zijn genomen, maar hij heeft geen concrete feiten naar voren gebracht waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de raadsheren of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot wraking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. J. Piena, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en A.R. Sturhoofd in tegenwoordigheid van mr. C.M. Dermout als griffier en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>