<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:3785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-06T16:42:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-000220-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3785">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3785</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-06T16:38:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:3785 Gerechtshof Amsterdam , 20-11-2025 / 23-000220-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3785:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweer niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie verworpen. Opzettelijk geen aangifte doen van een geldbedrag bij de douane. Geldboete van € 500,-.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3785:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>Afdeling strafrecht</para>
    <para>Parketnummer: 23-000220-24 </para>
    <para>Datum uitspraak: 20 november 2025 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 96-172011-22 tegen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), </para>
    <para>adres: [adres] .</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en haar raadsman naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zij, op of omstreeks 4 januari 2022 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) aangifte als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) nummer 1889/2005 van het Europese Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft zij, verdachte toen daar geen, een onvolledige of onjuiste aangifte gedaan terwijl hij die Gemeenschap binnenkwam of verliet en liquide middelen ten bedrage van 10.000 euro of meer vervoerde, te weten een geldbedrag van (in totaal) 11.600 euro. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. Het hof zal verder de tenlastelegging verbeterd lezen in die zin dat in plaats van </para>
      <para>“<emphasis role="italic">de Verordening (EU) nummer 1889/2005 van het Europese Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005</emphasis>” </para>
      <para>wordt gelezen: </para>
      <para>“<emphasis role="italic">de Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005</emphasis>” </para>
      <para>(hierna: de Verordening), nu het materieel om hetzelfde strafrechtelijke verwijt gaat en ook de advocaat-generaal en de raadsman daarvan uitgaan. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie geen vervolgingsrecht had, omdat sprake is van de overtredingsvariant van het tenlastegelegde feit. Het strafrecht is een ultimum remedium, zodat de politierechter niet de bevoegde instantie was om over dit feit te oordelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de politierechter bevoegd was – en daarmee ook het hof bevoegd is – om over de zaak te oordelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof constateert dat (impliciet primair) is ten laste gelegd de opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10:1, vierde lid, van de Algemene douanewet (hierna: de Douanewet). Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat degene die een in het vierde lid omschreven feit opzettelijk begaat, wordt gestraft met – voor zover hier van belang – een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. Artikel 10:13 van de Douanewet bepaalt dat de bij deze wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, misdrijven zijn. Daarmee was in eerste aanleg de politierechter bevoegd van dit feit kennis te nemen. Het verweer wordt verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling van het bewijs</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, nu in zijn visie de verdachte het feit niet opzettelijk heeft begaan. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet de juiste verordening ten laste is gelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat bij haar sprake was van verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van het geld dat in de ruimbagage is aangetroffen. Er is geen sprake van opzet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof begrijpt het standpunt van de verdediging aldus dat de verdachte niet wist en ook niet hoefde te weten dat er een geldbedrag van € 1.600,00 in de ruimbagage zat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof kan dit verweer niet volgen. Uit de stukken en uit wat er op de terechtzitting is besproken, komt het volgende naar voren.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 januari 2022 werd de al ingecheckte ruimbagage op naam van de verdachte voor een uitgaande vlucht richting Dubai in de bagagekelder van Schiphol gecontroleerd. Na het weghalen van enige kledingstukken werd in een opgevouwen topje een stapel van 16 biljetten van € 100,00 aangetroffen.<footnote-ref linkend="_8e7c70c8-d6a6-4437-9db5-4e5397cbe62c" /> Vervolgens is na een gatestop om de handbagage van de verdachte te controleren een Proces-Verbaal Liquide middelen/Meldrecht met nummer 2022-0213-00206 opgemaakt.<footnote-ref linkend="_0305108f-e72c-41f4-aa78-b6f401e533ae" /> Bij “<emphasis role="italic">Aanvullende gegevens</emphasis>” is in dit proces-verbaal genoteerd dat de verdachte nadat haar was gevraagd met hoeveel contant geld zij reisde, heeft geantwoord “<emphasis role="italic">10.000</emphasis>” (het hof begrijpt: € 10.000,00). Op de vraag of zij hiervoor aangifte had gedaan, antwoordde zij “<emphasis role="italic">Nee</emphasis>”. Verder is in dit proces-verbaal gerelateerd dat de verdachte in een roze handtas € 10.000,00 had en in de ruimbagage de eerdergenoemde € 1.600,00. Bij haar verhoor heeft de verdachte volgens dit proces-verbaal op de vraag waarom zij geen aangifte had gedaan, verklaard: “<emphasis role="italic">Ik wist niet dat ik iets fout had gedaan.</emphasis>”.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het alsnog uitgereikte, ingevulde en door de verdachte ondertekende aangifteformulier<footnote-ref linkend="_2cc90940-d934-4224-b1f1-836068985c08" /> is – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – opgenomen dat de verdachte € 10.000,00 vervoerde (50 biljetten van € 200,00, in een roze handtas) en dat zij in haar ruimbagage de eerdergenoemde € 1.600,00 vervoerde (16 biljetten van € 100,00). Daarbij is blijkens dit formulier door de verdachte tevens verklaard dat zij de enige eigenaar van deze geldbedragen was en dat zij het geld had opgenomen van haar zakelijke ING-rekening, wat zij kon aantonen op haar mobiele telefoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de verdachte is een fiscale strafbeschikking uitgevaardigd van 31 januari 2022, waarbij een geldboete van € 1.160,00 is opgelegd, voor – kort en zakelijk weergegeven – het op 4 januari 2022 bij het uitgaan van de Europese Unie vervoeren van € 10.000,00 of meer aan liquide middelen zonder dat daarvoor (op juiste wijze) de door de Douanewet vereiste aangifte was gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft hiertegen verzet aangetekend. Bij de akte instellen verzet van 11 februari 2022 heeft zij – voor zover hier van belang – het volgende aangevoerd: </para>
      <para>“<emphasis role="italic">Ik ben het niet eens met de beslissing, omdat zowel in mijn koffer niet alleen mijn kleding maar ook de kleding van mijn dochter in 1 koffer lag. Ik heb de koffer voor twee personen ingepakt. Het standpunt dat 1 koffer gezien wordt als 1 persoon, daar ben ik het niet mee eens. Ik heb voor twee personen ingepakt en heb hierdoor gedacht dat ik meer dan € 10000,-- mee mocht nemen. Dit was geen bewuste actie.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte, zoals blijkt uit het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal, het volgende verklaard: </para>
      <para>“<emphasis role="italic">Ik wist dat je niet meer dan € 10.000,- mee mocht nemen zonder aan te geven bij de Douane. Ik was met mijn dochter van 7 maanden. Ik heb mijn eigen geld altijd in mijn tasje. Door de zwangerschapsdementie ben ik waarschijnlijk vergeten dat er geld in mijn koffer zat. Het geld was van mijn dochtertje. Mensen hebben dit gegeven als kraamcadeau na de bevalling. Ik heb geen aparte koffer voor haar. Mijn dochter reisde met haar eigen paspoort met dit geld, daardoor heb ik het maximum niet bereikt.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard – zo begrijpt het hof haar verklaring – dat zij zonder het te weten een fout heeft gemaakt omdat ze niet wist dat ze het geld van haar dochter had meegenomen. Ze heeft zowel gezegd dat het een vergissing was, als dat er sprake was van vergeetachtigheid. Verder verklaarde zij dat ze niet wist dat het zoiets ernstigs was en dat haar advocaat haar heeft uitgelegd dat ze eigenlijk niet op de hoogte was van de situatie. Het geld in de ruimbagage, zo begrijpt het hof, zou zijn geschonken aan haar dochtertje als geboortegeschenk, en in een envelop gedaan, waarna die envelop onbewust is ingepakt. Verder heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat zij een bedrag van € 10.000,00 in haar handtas had, en dat ze dat niet expres of bewust heeft gedaan, maar dat ze de regel van € 10.000,00 wel kent. Daarna heeft zij verklaard dat het bedrag in haar handtas net onder de € 10.000,00 zou zijn geweest en dat zij er verder niet over heeft nagedacht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof constateert dat de verdachte verre van eenduidig heeft verklaard over haar wetenschap van hoeveel geld zij mee mocht nemen zonder daarvan aangifte te hoeven doen, over hoeveel geld zij daadwerkelijk bij zich had of waar ze zich van bewust was en over van wie het aangetroffen geld was. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte opzettelijk bij het uitreizen uit de Europese Unie niet heeft voldaan aan haar verplichting aangifte te doen van het door haar vervoerde geldbedrag van in totaal </para>
      <para>€ 11.600,00. Daarbij overweegt het hof nog het volgende. De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter terechtzitting verklaard dat zij bekend was met de aangifteplicht voor bedragen van meer dan of vanaf € 10.000,00. Geconfronteerd met het feit dat de regel behelst dat aangifte moet worden gedaan van elk geldbedrag van € 10.000,00 of meer, heeft zij gezegd dat ze net iets minder in haar handtas vervoerde. Dit wordt weersproken door de inhoud van het hiervoor genoemde en door de verdachte ondertekende aangifteformulier. Het bedrag van € 1.600,00 is aangetroffen in de op naam van de verdachte staande ruimbagage, zodat zij als vervoerder ook daarvoor op grond van de geldende regelgeving verantwoordelijk was. Voor zover de verdachte heeft verklaard dat zij vergeten was dat het geldbedrag van € 1.600,00 in haar ruimbagage zat, acht het hof die verklaring ongeloofwaardig en bovendien in strijd met de inhoud van de akte instellen verzet, te weten dat zij dacht meer dan </para>
      <para>€ 10.000,00 te mogen meenemen omdat zij met haar dochter reisde. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat het uitreizen met 50 biljetten van € 200,00 en 16 biljetten van € 100,00, verdeeld over twee stuks bagage, mede in het licht van het voorgaande niet duidt op wat de raadsman noemt ‘verontschuldigbare onbewustheid’. Het impliciet primair tenlastegelegde opzet is dan ook wettig en overtuigend bewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zij op 4 januari 2022 te Schiphol, in de gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk niet heeft voldaan aan haar verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) nummer 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005, immers heeft zij, verdachte, toen en daar geen aangifte gedaan terwijl zij die Unie verliet en liquide middelen ten bedrage van € 10.000,00 of meer vervoerde, te weten een geldbedrag van in totaal € 11.600,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie nog zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Strafbaarheid van het bewezenverklaarde</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10:1, vierde lid, van de Algemene douanewet</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Strafbaarheid van de verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Oplegging van straf</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde in de overtredingsvariant zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring zal komen, verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toe te passen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte met de door haar geëxploiteerde coffeeshop is toegelaten tot het zogenoemde wietexperiment en om die reden een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) nodig heeft. Bij toepassing van artikel 9a Sr zal, indien de verdachte stukken moet aanleveren voor een Bibob-onderzoek, duidelijk zijn dat het bewezenverklaarde geen strafrechtelijke consequentie diende te hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof wil aannemen dat de verdachte er veel belang bij heeft dat zij gunstig uit een Bibob-onderzoek komt en over een VOG kan beschikken. Dat neemt alleen niet weg dat er hier sprake is van een misdrijf, het opzettelijk niet doen van een verplichte aangifte. Door zo te handelen heeft de verdachte de controle door de autoriteiten op de uitvoer van liquide middelen ontdoken. Toepassing van artikel 9a Sr, als door de raadsman bepleit, doet hieraan geen recht. Er zal een straf van enige substantie moeten volgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de verklaringen van de verdachte maakt het hof op dat zij zich destijds niet of onvoldoende heeft gerealiseerd dat dit een ernstig feit betreft en dat zij, als zij het over kon doen, dit nooit meer zo zou doen. Het hof houdt hiermee rekening bij het bepalen van de op te leggen straf. Verder houdt het hof er rekening mee dat uit het op haar naam staande Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 oktober 2025 blijkt dat zij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10:1 van de Algemene douanewet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 31 januari 2022 met kenmerk [nummer] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 500,00 (vijfhonderd euro)</emphasis>, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door <emphasis role="bold">10 (tien) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. H.A. Stalenhoef en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mrs. Stalenhoef en Gielen zijn niet in de gelegenheid dit arrest te ondertekenen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8e7c70c8-d6a6-4437-9db5-4e5397cbe62c" label="1">
    <para> Proces-verbaal van 5 januari 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0305108f-e72c-41f4-aa78-b6f401e533ae" label="2">
    <para> Proces-verbaal van 11 januari 2022, opgemaakt op de door de wet voorgeschreven wijze door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] op 11 januari 2022. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2cc90940-d934-4224-b1f1-836068985c08" label="3">
    <para> Vragenformulier onderzoek liquide middelen Verordening 2018/1672 &amp; Meldrecht. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>