<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:3761</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T09:00:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/3459</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3761">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3761</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T17:03:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:3761 Gerechtshof Amsterdam , 23-12-2025 / 24/3459</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3761:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schending artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ; vergoeding griffierecht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3761:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>kenmerk 24/3459</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>23 december 2025 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X] B.V.</emphasis>, gevestigd te [Z] , belanghebbende,</para>
      <para>(gemachtigde: D. van der Locht van Previcus B.V.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van 28 juni 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/151 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente [A] , </emphasis>de heffingsambtenaar.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 25 februari 2022 voor het kalenderjaar 2022 op de waardepeildatum 1 januari 2021 (hierna: de waardepeildatum) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] te [A] (hierna: de niet-woning) vastgesteld op € 5.478.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker bekend gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ’eiseres’):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">“Beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank:</para>
        <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
        <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-;</para>
        <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een proceskostenvergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 218,75.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 13 augustus 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Partijen zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting op 25 november 2025. Op 24 november 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende het Hof en de heffingsambtenaar bericht dat er van de zijde van belanghebbende niemand aanwezig zal zijn. Daarvan op de hoogte gesteld, heeft de heffingsambtenaar verklaard af te zien van een onderzoek ter zitting. De heffingsambtenaar heeft het incidenteel hoger beroep op 25 november 2025 ingetrokken. Daarop heeft het Hof het onderzoek gesloten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="underline">Feiten</emphasis></para>
      <para>1. Eiseres is gebruiker van de onroerende zaak. Het gaat om een winkelruimte in winkelcentrum [B] in [A] met een totale oppervlakte van 740 m².”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil in hoger beroep </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden en of voor het instellen van beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht aan belanghebbende dient te worden vergoed. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het oordeel van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft als volgt – ten aanzien van het geschil in hoger beroep – overwogen en beslist: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="underline">Wat vindt de rechtbank van deze zaak?</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De op de zaak betrekking hebbende stukken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiseres voert aan dat zij in de bezwaarfase heeft verzocht om stukken over de onderbouwing van de huurwaarde. Deze stukken zijn pas met de bestreden uitspraak overgelegd. Deze stukken hadden op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ al eerder moeten worden overgelegd.</para>
    <para />
    <para>7. De heffingsambtenaar heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze grond pas op de zitting is aangevoerd en daarom door de rechtbank buiten beschouwing moet worden gelaten omwille van de goede procesorde. De rechtbank ziet niet in dat deze grond niet tijdig voor de zitting had kunnen worden aangevoerd. De heffingsambtenaar heeft zich op deze stelling niet voor hoeven bereiden en is door de late inbreng van de grond de mogelijkheid ontnomen om gedegen na te gaan hoe de uitwisseling van stukken in de bezwaarfase is verlopen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">WOZ-waarde</emphasis>
      </para>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Eiseres heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.</para>
    <para />
    <para>13. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, waarbij de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar is gesteld op zes maanden en voor de behandeling van het beroep op anderhalf jaar. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend (21 maart 2022) en loopt door tot de datum van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank doet vandaag in deze zaak uitspraak, zodat de behandeling in totaal en afgerond twee jaar en vier maanden heeft geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn met vier maanden is overschreden.</para>
    <para />
    <para>14. Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding is de vergoedingsnorm € 500,- per (afgerond) half jaar overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook recht op een schadevergoeding van (1 x € 500,- =) € 500,-. Omdat de bezwaartermijn is overschreden met vier maanden zal de rechtbank de heffingsambtenaar veroordelen tot betaling van € 500,- aan eiseres als vergoeding van door hem geleden immateriële schade.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskostenvergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>15. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding wordt vastgesteld op een totaalbedrag van € 218,75 (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor zeer licht, omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend verband houdt met het verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn [voetnoot 3: Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660 en van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526]. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.</para>
    <para />
    <para>16. Door eiseres is verzocht om wettelijke rente over de proceskostenvergoeding. De rechtbank zal dat toewijzen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>17. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>18. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft eiseres gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor was eiseres geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.”</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Griffierecht rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Belanghebbendes betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het griffierecht niet aan haar hoeft te worden vergoed, slaagt. Het Hof sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 31 mei 2024, r.o. 7.1.1 en 7.1.2 (ECLI:NL:HR:2024:567) heeft overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“7.1.1 Voor gevallen waarin de rechter het beroep, het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, handhaaft de Hoge Raad niet langer zijn rechtspraak op grond waarvan het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende moet worden vergoed [voetnoot: Zie voor die rechtspraak HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.]. De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, en voor vergoeding daarvan door het bestuursorgaan bestaat alleen aanleiding indien dat beroep gegrond is en dus terecht is ingesteld, of indien het weliswaar ongegrond is maar is ingesteld als gevolg van een andere tekortkoming van dat bestuursorgaan. De Hoge Raad is thans van oordeel dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht daarom niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is, [voetnoot: Vgl. ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160, rechtsoverweging 6.1, en CRvB 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102, rechtsoverweging 3.3.] als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb wordt beslist.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>7.1.2</nr>
        <para>De hiervoor in 7.1.1 weergegeven wijziging geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van griffierecht geëerbiedigd die voortvloeit uit een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.”</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Aangezien het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van beroep voldoet aan de voorwaarden genoemd in r.o. 7.1.2, zal de heffingsambtenaar worden opgedragen aan belanghebbende het voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende heeft het Hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten en het griffierecht, in overeenstemming met dat wat is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Het Hof overweegt dat de belastingrechter niet bevoegd is een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de (proces)kostenvergoeding moet plaatsvinden. Een geschil over de uitbetaling van die vergoeding zal moeten worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter (vgl. HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4).</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schending artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Gezien de hiervoor opgenomen overwegingen van het Hof is het hoger beroep gegrond. Belanghebbende heeft recht op een proceskostenvergoeding. Naar ’s Hofs oordeel kan in het midden blijven of sprake is van een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, omdat dit indien dit het geval is niet tot een hogere proceskostenvergoeding zou leiden. In het bijzonder niet omdat ook in dat geval het Hof geen reden ziet een hogere wegingsfactor wegens het gewicht van de zaak dan 0,25 in aanmerking te nemen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht. Het hoger beroep is gegrond.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Kosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit en met inachtneming van artikel 30a van de Wet WOZ, stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op afgerond € 22,68 (= 1 punt [hogerberoepschrift] x 0,25 [wegingsfactor gewicht] x € 907 per punt x 0,10 [omdat de bestreden WOZ-beschikking in stand blijft, het hoger beroep is ingesteld na inwerkingtreding van artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ en van de zijde van belanghebbendes gemachtigde geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat in dezen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoel in de laatste zin van artikel 30a, lid 2, van de Wet WOZ die toepassing van de eerste zin van dat artikellid verhinderen]). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para>- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de beslissing over het niet vergoeden van het griffierecht betreft;</para>
    <para>- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep (€ 365) en het hoger beroep (€ 559) heeft betaald, in totaal € 924, en</para>
    <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep, vastgesteld op in totaal € 22,68. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, J-P.R. van den Berg en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 23 december 2025 in het openbaar uitgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. </emphasis></para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan<emphasis role="bold"> de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). </para>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>              a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>              b. de dagtekening;</para>
      <para>              c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>              d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toelichting rechtsmiddelverwijzing</emphasis>
      </para>
      <para>Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Digitaal procederen</emphasis>
      </para>
      <para>Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. </para>
      <para>Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Per post procederen</emphasis>
      </para>
      <para>Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>