<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:3675</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-09T17:53:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.356.761/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3675">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3675</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-09T17:50:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:3675 Gerechtshof Amsterdam , 18-07-2025 / 200.356.761/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3675:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking in artikel 12 Sv-zaak. Buiten zitting afgedaan. Tweede verzoek tot wraking. Geen nieuwe gronden aangevoerd, daarom is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Wrakingsverbod opgelegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3675:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM </bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer                  : 200.356.761/01</para>
      <para>zaaknummer hoofdzaak : K23/230386</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de wrakingskamer van 18 juli 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het wrakingsverzoek ingediend door </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>gemachtigde mevrouw [gemachtigde],</para>
      <para>hierna: verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De hoofdzaak betreft een beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie van 13 juli 2023 waarbij aan verzoekster is medegedeeld dat niet wordt overgegaan tot vervolging van verschillende artsen en instanties tegen wie verzoekster aangifte heeft gedaan van dood door schuld en valsheid in geschrift. Op 29 november 2023 heeft klaagster wederom aangifte gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft het Openbaar Ministerie op 7 mei 2024 een sepotbeslissing genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 4 juli 2024 is de hoofdzaak op zitting behandeld door mr. A.R.O. Mooy (hierna: de raadsheer) als voorzitter van de toenmalige zittingscombinatie. Verzoekster heeft op de zitting een verzoek tot wraking van de raadsheer gedaan (hierna: het eerste wrakingsverzoek). De wrakingskamer van dit hof heeft het eerste wrakingsverzoek op 31 juli 2024 ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 19 december 2024 is de hoofdzaak opnieuw op zitting behandeld door de raadsheer als voorzitter, mr. E. de Greeve en mr. A.W.T. Klappe. Verzoekster heeft op 6 maart 2025opnieuw een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheer (hierna: het tweede wrakingsverzoek). De wrakingskamer heeft dat tweede wrakingsverzoek (na een tussenbeslissing van 1 april 2025) bij beslissing van 20 mei 2025 (hersteld bij beslissing van</para>
        <para>4 juni 2025) afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Verzoekster heeft bij e-mail van 3 juni 2025 opnieuw een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheer (het derde wrakingsverzoek). Dit verzoek is bij beslissing van 10 juli 2025 afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Verzoekster heeft bij brief van 10 juli 2025, gericht aan de wrakingskamer, wederom een verzoek tot wraking gedaan jegens de raadsheer. Zij legt aan dit vierde wrakingsverzoek in wezen (nagenoeg) dezelfde grond ten grondslag die al in het tweede en derde wrakingsverzoek naar voren is gekomen, te weten dat de tweede aangifte niet bij de behandeling wordt betrokken. Daarnaast heeft verzoekster een mail doorgezonden van advocaat-generaal Bakker, waaruit volgt dat de advocaat-generaal kenbaar maakt dat zij ‘mails’ niet heeft ontvangen. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de raadsheer verantwoordelijk is voor het op de hoogte houden van de advocaat-generaal.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van het opvragen van de schriftelijke reactie van de raadsheer en afgezien van een mondelinge behandeling. De uitspraak is bepaald op vandaag. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen. Hoewel het wrakingsrecht in artikel 512 Sv niet is toegekend aan de klager in een artikel 12 Sv-procedure, moet worden aangenomen dat de klager in beginsel toch de raadsheren kan wraken die zijn belast met de behandeling van zijn klacht. Een en ander op grond van het fundamentele rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter. Voor de procedureregels wordt in dat geval aangesloten bij die van de artikelen 512 Sv en volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op grond van het Wrakingsprotocol gerechtshof Amsterdam<footnote-ref linkend="_3a24d859-cdd9-4f64-beaf-8e800ce08fcc" /> kan de wrakingskamer een verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting buiten behandeling stellen of niet-ontvankelijk verklaren, indien het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde raadsheer betreft, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de wrakingskamer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Verzoekster heeft aan het verzoek tot wraking geen nieuwe gronden ten grondslag gelegd. De wrakingskamer merkt daarbij op dat het niet ontvangen van mails door het openbaar ministerie niet aan de raadsheer toegerekend kan worden. Van relevante feiten en/of omstandigheden die pas na de eerdere wrakingsverzoeken aan verzoekster bekend zijn geworden, is daarom geen sprake. Om die reden zal de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De conclusie is dat verzoekster niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer constateert dat sprake is van meerdere vergeefs gedane</para>
        <para>wrakingsverzoeken in deze zaak (niet alleen jegens de raadsheer, maar ook jegens een andere raadsheer van de combinatie die de hoofdzaak behandelt) met (telkens) nagenoeg dezelfde gronden. Om die reden zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend verzoek tot wraking met betrekking tot de zaak met nummer K23/230386 niet in behandeling zal worden genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de zaak met nummer K23/230386 niet in behandeling zal worden genomen. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. F.J.P.M. Haas, A.V.T. de Bie en W.J. Blokland, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mrs. A.V.T. de Bie en W.J. Blokland zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier, 						de voorzitter,  </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3a24d859-cdd9-4f64-beaf-8e800ce08fcc" label="1">
    <para> Artikel 4 lid 2 onder f. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>