<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:3652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T14:28:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-001458-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_materieelStrafrecht">Strafrecht; Materieel strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3652">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3652</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T14:26:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:3652 Gerechtshof Amsterdam , 30-10-2025 / 23-001458-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3652:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3652:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling strafrecht</para>
      <para>parketnummer: 23-001458-20 (ontneming)</para>
      <para>datum uitspraak: 30 oktober 2025 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>TEGENSPRAAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 13-669170-16 tegen de betrokkene: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren te Paramaribo (Suriname) op [geboortedag] 1970, </para>
      <para>adres: [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Procesgang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 46.390,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is in de strafzaak bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 augustus 2018 veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Dit arrest is op 5 oktober 2019 onherroepelijk geworden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vonnis van 2 juli 2020 heeft de rechtbank in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 46.390,00. De betalingsverplichting is door de rechtbank gesteld op € 41.751,00. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit ontnemingsvonnis is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Vonnis waarvan beroep </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Standpunt van de advocaat-generaal </title>
    <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene wordt geschat op een bedrag van € 45.390,00. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de advocaat-generaal zijn de door de verdediging gestelde legale contante inkomsten uit optredens van de band [naam 1] en bijverdiensten van de partner van betrokkene, [naam 2] , op grond van het dossier en de verklaringen van de in hoger beroep gehoorde getuigen, onvoldoende aannemelijk geworden. Dit geldt ook voor de stelling dat de betrokkene een deel van het Rolex-horloge heeft betaald met een lening van een inmiddels overleden vriend. De geldlening van de partner van de betrokkene bij haar zus, vindt de advocaat-generaal wel aannemelijk. Daarom kan € 1.000,00 in mindering worden gebracht op de oorspronkelijke vordering. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Standpunt van de verdediging </title>
    <para>De raadsman heeft bepleit dat er geen wederrechtelijk verkregen voordeel is omdat de betrokkene en zijn partner legale contante inkomsten hadden. De betrokkene verdiende maandelijks € 1.500,00 als zanger in de band [naam 1] . De partner van de betrokkene, [naam 2] , verdiende maandelijks € 250,00 euro met het vlechten van haren. Bij de contante ontvangsten moet een geldlening van [naam 2] bij haar zus van € 1.000,00 ter bekostiging van de Suriname-reis en een geldlening van € 1.500,00 bij een overleden vriend van de betrokkene voor het Rolex horloge meegenomen worden. Uit het voorgaande volgt dat de betrokkene in de onderzoeksperiode een bedrag van (€ 54.000,00 + € 9.000,00 + € 1.000 + € 1.500 =) € 65.500,00 beschikbaar had voor het doen van uitgaven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de betrokkene méér legaal geld beschikbaar had voor het doen van uitgaven dan hij werkelijk contant heeft uitgegeven, zodat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, aldus de raadsman.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht om – op grond van de verklaringen van de getuigen – een schatting te maken van de legale inkomsten. Dit zou in de onderzoeksperiode een contant inkomen van € 55.000,00 opleveren, waar de leningen voor de Rolex en de Suriname reis nog bij dienen te worden opgeteld. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Oordeel van het hof </title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag van de ontnemingsvordering</emphasis>
      </para>
      <para>Zoals hiervoor vermeld, is de betrokkene bij arrest van dit hof van 31 augustus 2018 veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Dit zijn feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Aannemelijk is dat deze misdrijven of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zoals bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Aan de voorwaarden voor toepassing van deze wettelijke bepaling is voldaan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
      <para>Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof acht geslagen op de bevindingen uit het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 10 januari 2019 (hierna: de ontnemingsrapportage). In de ontnemingsrapportage is op basis van een eenvoudige kasopstelling nagegaan of en zo ja, in hoeverre, de betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bronnen kan worden verantwoord. De kasopstelling heeft betrekking op de periode van 1 februari 2014 tot en met 21 december 2016.<footnote-ref linkend="_24f6e55b-c6b3-494a-ab60-03494bb1edd0" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Legale contante inkomsten </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beginsaldo </emphasis>
        </para>
        <para>Op basis van de ontnemingsrapportage gaat het hof ervan uit dat de betrokkene op 1 februari 2014 geen legaal contant geld beschikbaar had.<footnote-ref linkend="_3a69ee2e-a45f-4483-88e9-ddd245889d5a" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bankopnames </emphasis>
        </para>
        <para>Uit analyse van de bankrekeningen van de betrokkene en zijn partner is gebleken dat zij een bedrag van € 27.500,00 aan contanten hebben opgenomen van hun bankrekeningen.<footnote-ref linkend="_e5240cb8-9d08-48f5-8b10-a1653c85eb9f" /> Dit bedrag wordt in de kasopstelling meegenomen als legale contante inkomsten van de betrokkene. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inkomsten uit de band [naam 1] </emphasis>
        </para>
        <para>Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene legale contante inkomsten had door zijn werkzaamheden als zanger in de band [naam 1] . De door de verdediging gestelde opbrengst van deze werkzaamheden is niet aannemelijk gemaakt. Zo zijn er geen stukken overgelegd waaruit blijkt hoe vaak de band heeft opgetreden en wat de betrokkene per optreden verdiende. Bandgenoot [getuige] is als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris. Daar heeft hij met betrekking tot hetgeen de betrokkene overhield aan de band verklaard: “Dat varieerde. Dat kon vierhonderd euro zijn, maar ook honderd euro, vijfentwintig euro of zelfs maar twintig euro.” Ook heeft getuige [getuige] verklaard dat de band gemiddeld drie of vier keer per maand speelde. Op basis hiervan is niet aannemelijk gemaakt dat de betrokkene gemiddeld € 1.500,00 verdiende met zijn werkzaamheden in de band.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof zal daarom zelf een schatting maken. Het hof schat de inkomsten op gemiddeld € 50,00 per optreden en het aantal optredens op gemiddeld drie per maand. De legale inkomsten uit de band [naam 1] worden geschat op (€ 50,00 x 3 x 34 maanden=) € 5.100,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inkomsten uit haren vlechten door [naam 2]</emphasis>
        </para>
        <para>Ook met betrekking tot de inkomsten uit het haren vlechten door [naam 2] acht het hof aannemelijk dat de partner van de betrokkene soms geld bijverdiende door haren te vlechten, mede gelet op de door haar bij de raadsheer-commissaris afgelegde getuigenverklaring. Dat zij daar € 250,00 per maand mee verdiende, is niet aannemelijk gemaakt. Het hof schat de regelmaat waarmee [naam 2] tegen betaling haren vlocht op één keer per maand, voor een prijs van € 80,00 per keer. De legale inkomsten die [naam 2] verdiende met het vlechten van haren wordt daarmee geschat op (€ 80,00 x 34 maanden=) € 2.720,00.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geldlening zus </emphasis>
        </para>
        <para>Ten aanzien van de lening van [naam 2] bij haar zus, N.C.M. [naam 2] , is het hof – met de advocaat-generaal en de raadsman – van oordeel dat op grond van de verklaring van de zus bij de raadsheer-commissaris aannemelijk is dat [naam 2] € 1.000,00 heeft geleend ten behoeve van een reis naar Suriname. Het hof zal dit bedrag optellen bij de legale inkomsten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Lening voor de Rolex</emphasis>
        </para>
        <para>De gestelde lening voor de aanschaf van een Rolex horloge is niet aannemelijk gemaakt en het hof neemt deze daarom niet in aanmerking.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Berekening totale legale contante inkomsten </emphasis>
        </para>
        <para>Met inachtneming van het hiervoor overwogene komt het hof tot de volgende optelling van de contante ontvangsten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">  Legale contante ontvangsten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">Omschrijving</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">Uitgave</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Bankopnames</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€  27.500,00</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Inkomsten [naam 1] </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€    5.100,00 </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Haren vlechten [naam 2] </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€    2.720,00  </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Lening Suriname reis </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€   1 .000,00 </para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para> Totale legale contante ontvangsten: 	       <emphasis role="bold">€  36.320,00 </emphasis></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Werkelijke contante uitgaven </emphasis>
        </para>
        <para>Bij de vaststelling van het bedrag dat de betrokkene werkelijk in contanten heeft uitgegeven neemt het hof als uitgangspunt de berekening zoals deze is gemaakt in de ontnemingsrapportage.<footnote-ref linkend="_1b798884-a2cb-42be-b26d-8593f949a983" /> Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman, acht het hof niet aannemelijk dat de betrokkene degene is geweest die de aanschaf van de cocaïne heeft gefinancierd. De werkelijke contante uitgaven worden daarmee gesteld op € 63.890,00. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Eindsaldo contant geld </emphasis>
        </para>
        <para>Bij de doorzoeking op 21 december 2016 is er een contant geldbedrag van € 10.000,00 aangetroffen in de woning van de betrokkene.<footnote-ref linkend="_67946128-911b-4c3f-b3d6-d55137e7e5f5" /> Dit bedrag geldt als het eindsaldo.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>Gelet op het voorgaande wordt de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Beginsaldo contant geld </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€          0,00 </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>+ Legale contante ontvangsten </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 36.320,00</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- Eindsaldo contant geld  </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 10.000,00   </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- Werkelijke contante uitgaven </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 63.890,00  </para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Verschil: 	      </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">€ 37.570,00  </emphasis>(negatief) </para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof stelt vast dat de betrokkene in de periode van 1 februari 2014 tot en met 21 december 2016 een bedrag van € 37.570,00 méér heeft uitgegeven dan uit de gebleken contante inkomsten valt te verklaren. Bij gebreke van een andere aannemelijke verklaring komt het hof tot het oordeel dat dit onverklaarbare negatieve kasverschil slechts kan zijn veroorzaakt door een niet legale bron van inkomsten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op </para>
        <para>€ 37.570,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Verplichting tot betaling aan de Staat</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waarborgt onder meer het recht van de betrokkene dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Als uitgangspunt in deze zaak heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn, en met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Het hof constateert dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met één jaar en drie maanden, en in hoger beroep met drie jaar en vier maanden, en is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van tien procent op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot gevolg moet hebben. Het hof zal daarom het bedrag van de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel matigen tot een bedrag van </para>
        <para>€ 33.813,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 33.813,00.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Toepasselijk wettelijk voorschrift</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">37.570,00 (zevenendertigduizend vijfhonderdzeventig euro)</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 33.813,00 (drieëndertigduizend achthonderddertien euro)</emphasis>.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 676 dagen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. A.P.M. van Rijn en mr. W.J. Blokland in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 oktober 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>======================================================================</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [......]
          </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_24f6e55b-c6b3-494a-ab60-03494bb1edd0" label="1">
    <para> [......] </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a69ee2e-a45f-4483-88e9-ddd245889d5a" label="2">
    <para> [......] </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5240cb8-9d08-48f5-8b10-a1653c85eb9f" label="3">
    <para> [......] </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b798884-a2cb-42be-b26d-8593f949a983" label="4">
    <para> [......] </para>
  </footnote>
  <footnote id="_67946128-911b-4c3f-b3d6-d55137e7e5f5" label="5">
    <para> [......] </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>