<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:3433</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-26T09:54:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/284</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3433">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3433</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-26T09:53:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:3433 Gerechtshof Amsterdam , 04-12-2025 / 24/284</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3433:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOZ. Niet-woning.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:3433:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>kenmerk 24/284</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4 december 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X]
        </emphasis>, gevestigd te [Y] , belanghebbende,<?linebreak?>(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van 21 december 2023 in de zaak met kenmerk AMS 23/1581 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] , </emphasis>de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 december 2022 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat 1] te [Y] (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2022 naar waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 2.074.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 bekendgemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend <?linebreak?>6 februari 2023, ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij brief van 14 maart 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 21 december 2023 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 4 januari 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ontvangen door het Hof op 16 april 2024, 28 augustus 2025, 1 september 2025 en 16 september 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onroerende zaak betreft een omstreeks 1899 gebouwd object in [Y] , welk object in gebruik is als café/bar/restaurant. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is, net als in beroep, in geschil of de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Overwegingen van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen en beslist (weergave zonder voetnoten. Belanghebbende is in de uitspraak aangeduid als ‘ [X] ’; de onroerende zaak als ‘het object’):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="underline">De beoordeling</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. [X] heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en meerdere, ook algemeen geformuleerde, brieven ter aanvulling daarop ingediend, waarvan onvoldoende duidelijk is of deze op de onderhavige zaak betrekking hebben. Op de zitting heeft de gemachtigde van [X] (hierna: Bartels) de specifieke gronden die in deze zaak aan de orde zijn toegelicht.</para>
    <para>De rechtbank zal het beroep dan ook beoordelen aan de hand van de op de zitting ingenomen standpunten.</para>
    <para />
    <para>2. In geschil is of de WOZ-waarde van dit object te hoog is vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.</para>
    <para />
    <para>4. Aan een onroerende zaak wordt een waarde toegekend die voor niet-woningen wordt bepaald onder meer door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode (HWK-methode). Partijen zijn het erover eens dat deze methode moet worden gebruikt bij de waardevaststelling van dit object. De bewijslast dat de aan de onroerende zaak toegekende waarde juist is, ligt bij de heffingsambtenaar. Dit betekent dat hij aannemelijk moet maken dat de door hem vastgestelde waarde niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer.</para>
    <para />
    <para>5. [X] voert in de eerste plaats aan dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld omdat rekening moet worden gehouden met de maatregelen die zijn genomen in verband met de coronapandemie. Zij wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt dat de waardepeildatum in deze zaak 1 januari 2021 is en dat het mogelijk is dat de coronamaatregelen van invloed op de waarde waren. [X] heeft echter geen enkel gegeven aangedragen die aannemelijk maakt of waaruit kan worden afgeleid dat de coronamaatregelen invloed hebben gehad op de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Deze beroepsgrond wordt verworpen.</para>
    <para />
    <para>7. Het object van [X] betreft een café/bar/restaurant in het centrum van [Y] , uit het bouwjaar 1899 en met een totale oppervlakte van 474 m² (433 m² primaire en 41 m² secundaire ruimte). [X] bepleit een lagere waarde, te weten € 1.799.000,-. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde van € 2.074.000,-.</para>
    <para />
    <para>8. De heffingsambtenaar heeft in een matrix met een aantal referentieobjecten de huurwaarde en de kapitalisatiefactor voor deze onroerende zaak vastgesteld en onderbouwd. [X] betwist dat de gekozen referenties een goede vergelijking vormen met de onderhavige onroerende zaak.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank verwerpt dit betoog. De vergelijkingsobjecten betreffen alle cafés/bars/restaurants in het centrum van [Y] . Weliswaar zijn sommige van de referenties enigszins kleinere objecten dan het onderhavige object van [X] , maar de heffingsambtenaar heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate rekening gehouden door een aanzienlijke lagere huurprijs voor het pand vast te stellen (€ 336,-/m² primair en € 201,-/m² secundair) dan het gemiddelde van de referenties (€ 527,-/m² primair en € 316,-/m² secundair). Ook is een lager dan gemiddelde kapitalisatiefactor in aanmerking genomen (13,5 voor de onroerende zaak tegen het gemiddelde van 16,2 voor de referentieverkopen.</para>
    <para />
    <para>10. [X] voert aan dat de wijze waarop door de heffingsambtenaar rekening is gehouden met de verkregen incentives op de overeengekomen huurprijs van de referentieobjecten onjuist is. Volgens [X] moeten die incentives niet verspreid worden over de volledige looptijd van de huurovereenkomst, maar gelden die uitsluitend voor de jaren waarin ze daadwerkelijk zijn verstrekt. Een huurovereenkomst kan immers tussentijds worden opgezegd en dan is de incentive reeds ten volle genoten.</para>
    <para />
    <para>11. Ook dit betoog slaagt niet. Op zichzelf is juist dat een toegekende incentive moet worden toegerekend aan de werkelijke periode waarvoor deze is verstrekt. Indien deze regel op de huurprijzen van de referentieobjecten wordt toegepast en aangenomen wordt dat de volledige incentive ter zake het eerste jaar van de huurovereenkomst wordt genoten, dan nog is het gemiddelde van de huurprijzen van de referenties (ca € 432,-/m² primair en € 218,-/m² secundair) hoger dan de huurprijs die de heffingsambtenaar voor het object van [X] heeft vastgesteld (€ 336,-/m² primair en € 201,-/m² secundair). Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. [X] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in</para>
    <parablock>
      <para>verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak als</para>
      <para>bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep</para>
    <parablock>
      <para>gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op</para>
      <para>29 december 2022. Bij het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden. Daarom heeft [X] geen recht op een vergoeding.”</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>
      <?linebreak?>5. Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Omvang geschil in hoger beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In de op 28 augustus en 1 september 2025 door het Hof ontvangen nadere stukken, maakt belanghebbende voor het eerst in deze procedure opmerkingen over de opbrengstlimiet waarvan de vermeende overschrijding in geschil kan zijn bij bepaalde gemeentelijke heffingen. Reeds omdat op het aanslagbiljet geen heffing is vermeld waarop de opbrengstlimiet van toepassing kan zijn, faalt deze beroepsgrond. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wijze van procederen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De wijze waarop belanghebbendes gemachtigde procedeert is in strijd met hetgeen van</para>
        <para>een beroepsmatig optredende rechtshulpverlener mag worden verwacht. Van deze</para>
        <para>gemachtigde die zeer veel procedeert mag worden verwacht en verlangd, dat hij in de van</para>
        <para>hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de</para>
        <para>aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De door de</para>
        <para>gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt is dat de</para>
        <para>gemachtigde de wederpartij in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende</para>
        <para>stellingen en standpunten; daartussen bevinden zich dan soms – meest niet onderbouwde – opmerkingen die echter wel betrekking kunnen hebben op het geding. Eerst ter zitting</para>
        <para>worden aan die opmerkingen door de gemachtigde argumenten ontleend waarmee hij zijn</para>
        <para>stellingen onderbouwt. Daardoor ontneemt hij de wederpartij de mogelijkheid om tegen die</para>
        <para>argumenten op gedegen wijze verweer te voeren.</para>
        <para>De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen en hij heeft ter</para>
        <para>zitting van het Hof verklaard zich daarvan bewust te zijn. Het Hof heeft echter moeten</para>
        <para>constateren dat de gemachtigde zich daarvan niets heeft aangetrokken en zijn wijze van</para>
        <para>procederen op oude voet continueert. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming</para>
        <para>slechts ingaat op de argumenten van gemachtigde, voor zover zij tijdig en duidelijk in</para>
        <para>gedingstukken naar voren zijn gebracht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Ook in deze zaak heeft de gemachtigde zich bediend van algemene, onsamenhangende</para>
        <para>en/of inconsistente tekstblokken; zo is in het hogerberoepschrift gesteld “<emphasis role="italic">taxatieverslagen (ook wel genaamd gemeentelijke taxatiekaarten) zijn verder nimmer tijdig én compleet overgelegd</emphasis>”, en “<emphasis role="italic">dat de verschillende heffingsgrondslagen op zich genomen niet alleen incorrect zijn vastgesteld, doch evenmin toegepast</emphasis>”, en is in de daaropvolgende brief van 16 april 2024 als enige ‘inhoudelijke’ punt gesteld “<emphasis role="italic">Met de aanvang van de Derde Wereldoorlog in Europa alsmede de internationale economische sancties én de noodzakeljke omschakeling naar een oorlogseconomie wordt ten onrehte géén c.q. volstrekt onvoldoende rekening gehouden</emphasis>”. Pas in de “eerste verbijzonderingsbrief”, bij het Hof ingekomen op 1 september 2025, zijn enkele (in algemene bewoordingen gestelde) passages opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op de voorliggende zaak. Voorts zijn ter zitting enkele nieuwe argumenten genoemd die min of meer ontleend zijn aan deze passages. De heffingsambtenaar heeft daarover terecht zijn bedenkingen geuit en de goede procesorde ter sprake gebracht. Het Hof ziet in deze zaak evenwel geen aanleiding om een of meer stellingen van belanghebbende tardief te verkIaren aangezien de heffingsambtenaar voldoende gelegenheid heeft gehad om op deze (in algemene bewoordingen geformuleerde) stellingen te reageren en het Hof er rekening mee houdt dat geen diepgaande reactie verwacht kan worden op argumenten die (zonder reden) eerst ter zitting worden aangedragen. Wel heeft het Hof tijdens deze zitting van 17 september 2025 de gemachtigde gewaarschuwd dat hij het risico loopt dat vage stellingen niet als grond herkend worden en dat zeer laat ingenomen specifieke standpunten waardoor de wederpartij in zijn procesbelang wordt geschaad, door het Hof tardief kunnen worden verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De WOZ-waarde</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank over de WOZ-waarde en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverweging 3 tot en met 9) tot de zijne. Terzake van de huurkortingen en hetgeen partijen in hoger beroep nog hebben aangevoerd, overweegt het Hof als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende stelt evenals in eerste aanleg, dat de heffingsambtenaar ongeschikte referentiepanden heeft gebruikt. Ook ten aanzien van deze beroepsgrond acht het Hof het oordeel van de rechtbank juist en verenigt zich met de door de rechtbank gebezigde gronden in onderdeel 9 van haar uitspraak. Belanghebbende stelt in dit verband nog dat hij de sub 2 en 3 genoemde transactiedata te ver verwijderd vindt van de waardepeildatum. Ook acht belanghebbende de huurtransactie sub 2 van 84 m2 vanwege de geringe oppervlakte niet goed vergelijkbaar.</para>
        <para>Het Hof overweegt dat in de in beroep ingebrachte matrix een tweetal huurtransacties is vermeld met als transactiedatum 1 juni 2019 en 1 december 2019. Aangezien het hier aanvangsdata van huurcontracten betreft en deze contracten een looptijd hebben waarin ook de waardepeildatum is gelegen, zijn de huurwaarden uit deze contracten wel bruikbaar ter vaststelling van de huurwaarde van de onroerende zaak. </para>
        <para>Wel is het Hof met belanghebbende eens dat van de huurtransactie sub 2 succesvol gesteld kan worden dat deze niet goed vergelijkbaar is vanwege het grote verschil in oppervlakte. Het buiten beschouwing laten van deze transactie maakt echter nog niet dat de in aanmerking genomen huurwaarde te hoog is vastgesteld. Immers de huurwaarde die de heffingsambtenaar in aanmerking heeft genomen ten aanzien van het object van belanghebbende (€ 336), is dan nog steeds veel lager dan de gemiddelde huurwaarde van de alsdan resterende huurtransacties (€ 415 en € 667). Indien belanghebbende met haar grief heeft bedoeld te wijzen op de verkooptransacties, dan is het Hof het met hem eens dat de transactie van 22 februari 2018 te ver van de waardepeildatum is gelegen om deze geschikt te achten als vergelijkingsobject. Hiervoor geldt echter dat het buiten beschouwing laten van deze transactie zou leiden tot een hogere gemiddelde kapitalisatiefactor, en derhalve niet tot een lagere WOZ-waarde. Overigens heeft belanghebbende zelf geen verkoop- of huurtransacties aangedragen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar de huurkortingen ten onrechte heeft uitgesmeerd over de looptijd van de huurcontracten; volgens belanghebbende moeten die kortingen in mindering worden gebracht in het jaar waarin deze worden verleend. Het Hof overweegt dat uit het tot de gedingstukken behorende ‘Formulier leegstand en huurinformatie Niet-woningen’ kan worden opgemaakt dat voor huurtransactie 1 een korting is verleend van € 35.000 voor het eerste jaar (2020) en € 15.000 voor het tweede jaar (2021). Dit zou in de systematiek van belanghebbende ertoe leiden dat voor het jaar 2021 de huurwaarde wordt bepaald op € 165.000. Voor huurtransactie 2 geldt een huurkorting van € 40.000 voor het eerste jaar (2019), van € 20.000 voor het tweede jaar (2020) en van € 10.000 voor het derde jaar (2021). Dit zou in de systematiek van belanghebbende ertoe leiden dat voor het jaar 2021 de huurwaarde wordt bepaald op € 200.000. Met betrekking tot  huurtransactie 3 zijn geen huurkortingen overeengekomen. Uitgaande van deze huursommen met huurkortingen, zou de gemiddelde maandhuur (naar beneden afgerond) uitkomen op € 506. Zou de huurtransactie onder sub 2 buiten aanmerking worden gelaten (zie onder 5.5), dan zou de gemiddelde maandhuur uitkomen op € 510. Dat is weliswaar lager dan de door de heffingsambtenaar bepaalde gemiddelde maandhuur van € 527, maar nog altijd veel hoger dan de berekende huur voor de onroerende zaak van € 336. Het op andere wijze in aanmerking nemen van de huurkortingen zoals belanghebbende voorstaat, leidt zelfs als het Hof veronderstellenderwijs ervanuit zou gaan dat deze methode juist is, derhalve niet tot een verlaging van de gemiddelde huurwaarde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbende vraagt hoe de waarde ‘Bottom-Up’ is opgebouwd; welk leegstandsrisico is gehanteerd, en hoe de berekening kosten koper en het gebruikte opslagrisico luidt. Belanghebbende stelt dat onvoldoende inzicht is gegeven in de wijze waarop de kapitalisatiefactor van 13,5 is vastgesteld. </para>
        <para>Ten aanzien van deze grieven overweegt het Hof dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde heeft bepaald op grond van de huurwaardekapitalisatiemethode waarbij de verschillende elementen zijn vastgesteld door middel van marktgegevens. Er is geen verplichting voor de heffingsambtenaar om in plaats daarvan of daarnaast de waarde nog te bepalen aan de hand van een theoretische ‘Bottom-Up’ methode. In de matrix valt de lezen op welke wijze de heffingsambtenaar de kapitalisatiefactor aan de hand van marktgegevens heeft bepaald op een gemiddelde van 16,2. Hij heeft daar, rekening houdend met verschillen tussen het te waarderen object en de vergelijkingsobjecten nog een afslag op toegepast.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts betwist belanghebbende – niet geconcretiseerd – de grondprijs en de waardering van de bijgebouwen van de vergelijkingspanden. Ook de grondstaffels zijn niet ingebracht door de heffingsambtenaar en belanghebbende mist informatie over vergelijkbare grondtransacties.  </para>
        <para>Het Hof volgt belanghebbende niet in deze grieven, aangezien er geen sprake is van afzonderlijke bijgebouwen en er geen sprake is van afzonderlijk gewaardeerde grond (de waarde van de ondergrond komt tot uitdrukking in de huurwaarde); hierdoor is het niet nodig voor de heffingsambtenaar om grondstaffels in te brengen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts stelt belanghebbende dat door de heffingsambtenaar ten onrechte niet de i-WOZ rapportage is ingebracht. De daarin vermelde gebruiksoppervlakten kloppen op meerdere punten volgens belanghebbende niet met de BAG-oppervlakten. In dat verband stelt belanghebbende dat is uitgegaan van een te veel aan vierkante meters. Zo zouden de twee door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen opslagruimten van in totaal 41 m2 er niet zijn. Tevens ontbreken van alle huurreferenties de ‘secundaire ruimten’ aldus belanghebbende. </para>
        <para>Het Hof constateert anders dan belanghebbende dat de iWOZ-rapportage met betrekking tot de onroerende zaak wel in eerste aanleg door de heffingsambtenaar ingebracht. In die rapportage is vermeld dat de onroerende zaak meerdere adressen kent, te weten [straat 2] en [straat 3] , en dat het pand aan beide zijden de beschikking heeft over een (gevel) terras en dat het bij voorkeur als geheel met 474 m2 wordt verhuurd. Hieruit volgt reeds dat de ruimte voor opslag als secundaire ruimte vermeld in de door de heffingsanbtenaar ingebrachte matrix van respectievelijk 16 en 25 m2, niet zoals belanghebbende voorstaat geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Immers vormen zij tezamen met de door de heffingsambtenaar aangeduide primaire ruimte van 433 m2, de totaal verhuurbare oppervlakte van 474 m2. Zouden deze opslagruimten niet als secundaire maar als primaire ruimte worden gewaardeerd, dan leidt dat niet tot een door belanghebbende voorgestane verlaging van de waarde van de onroerende zaak, aangezien aan de primaire ruimte een hogere vierkantemeterprijs is toegekend dan aan de secundaire ruimte. Voorts kan, anders dan belanghebbende stelt, uit de matrix worden opgemaakt dat bij alle huurtransacties secundaire ruimten zijn vermeld met daaraan toegekende huurwaarden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens belanghebbende is ten onrechte geen rekening gehouden met de gevolgen van de ‘Covid19/Coronacrisis’. </para>
        <para>Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen, reeds omdat al in het taxatieverslag is te lezen dat op de daarin vastgestelde waarde van de onroerende zaak een zogenoemde ‘Aftrek Corona’ heeft plaatsgevonden van € 86.446, waarbij na vermindering met deze aftrek, de waarde op een duizendtal naar beneden is afgerond. Die waarde is vervolgens door de heffingsambtenaar in beroep (nader) onderbouwd door middel van de gegevens in de matrix.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Ook met inachtneming van hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft gesteld  en aangevoerd tegen de vastgestelde WOZ-waarde, is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat de heffingsambtenaar de verplichtingen ingevolge artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet is nagekomen, wordt verworpen, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een voldoende concreet verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Weliswaar heeft belanghebbende herhaaldelijk verzocht om toezending van taxatieverslagen (ook over de afgelopen 5 jaar), maar op de vraag van de heffingsambtenaar welke taxatieverslagen concreet bedoeld worden, heeft belanghebbende niet gereageerd. Uit de stukken kan worden opgemaakt dat een taxatieverslag voor het onderhavige jaar  betreffende de onroerende zaak, door de heffingsambtenaar aan belanghebbende is overgelegd in de bezwaarfase.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Belanghebbendes verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen, aangezien er op het moment van het doen van deze uitspraak, geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Kosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, H.E. Kostense en <?linebreak?>M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van <?linebreak?>mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 4 december 2025 in het openbaar uitgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. </emphasis></para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan<emphasis role="bold"> de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>              a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>              b. de dagtekening;</para>
      <para>              c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>             d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toelichting rechtsmiddelverwijzing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Digitaal procederen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Per post procederen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>