<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2025:2165</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-02T13:06:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-001896-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBNHO:2021:5100" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#overig">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2021:5100, Overig</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:2165">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:2165</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-02T12:53:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2025:2165 Gerechtshof Amsterdam , 21-05-2025 / 23-001896-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2025:2165:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verduistering in dienstbetrekking. Bevestiging vonnis behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en met dien verstande dat het hof een bewijsoverweging vervangt. Taakstraf van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2025:2165:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>Afdeling strafrecht</para>
    <para>Parketnummer: 23-001896-21 </para>
    <para>Datum uitspraak: 21 mei 2025 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 juni 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-234643-20 tegen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] , </para>
    <para>adres: [adres] .</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de derde tot en met de zesde alinea onder paragraaf 4.3.2 ‘Nadere bewijsoverweging’ op pagina’s 3 en 4 van het vonnis (beginnend met “De rechtbank constateert” en eindigend met “worden daarom verworpen”) niet overneemt en vervangt door de volgende bewijsoverweging. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewijsoverweging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof constateert dat er te weinig aanknopingspunten zijn om deze alternatieve lezing aannemelijk te achten en overweegt daartoe als volgt. De aangever ontkent dat de verdachte deze handelwijze met hem heeft afgesproken. Daarnaast heeft het recherchebureau Wuite, dat de administratie van [benadeelde partij] B.V. heeft onderzocht, niet vastgesteld dat de kosten van door de verdachte aan privépersonen geleverde artikelen middels valse facturen bij de GGD of andere klanten in rekening zijn gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts wordt – anders dan de verdachte stelt – zijn lezing over de inkoop van telefoons en andere telecomgoederen die volgens afspraak voor eigen rekening mochten worden verkocht, door de verklaringen van de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris ten aanzien van de kern van zijn relaas niet ondersteund. Uit de verklaringen van [getuige] blijkt immers wel dat de verdachte oude telefoons en andere randapparatuur die door klanten werden ingeleverd van de aangever zelf mocht verkopen, dat de verdachte van de aangever zwart geld ontving en dat de aangever voor de verdachte vakanties betaalde via de bankrekening van de familie van de verdachte, maar niet dat de aangever en de verdachte hebben afgesproken dat de verdachte nieuw ingekochte telecomgoederen aan derden – ook aan personen die niet bij de GGD werkten – mocht verkopen. Dat blijkt ook anderszins niet uit het dossier. De enkele omstandigheid dat [persoon] alle betalingen van het bedrijf (inkoop) zelf zou hebben gedaan brengt niet met zich dat [persoon] op de hoogte moet zijn geweest van de verkoop van een (klein) deel van deze goederen aan derden zonder dat de betalingen daarvoor aan het bedrijf ten goede kwamen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is de alternatieve lezing van de verdachte niet aannemelijk geworden. De redengevende betekenis van de bewijsmiddelen wordt er niet door ontzenuwd. Daarmee samenhangende bewijsverweren worden daarom verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Oplegging van straf</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen en een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de door de rechtbank opgelegde straf passend vindt, maar dat hij rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft verzocht – indien het hof van oordeel is dat verduistering in dienstbetrekking wettig en overtuigend kan worden bewezen – bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop en de daarmee samenhangende veranderde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en te volstaan met schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf. De verdachte heeft een goedlopend bedrijf en heeft zijn boekhouding op orde. Hij staat weer positief in het leven, maar maakt zich zorgen over wat een veroordeling voor consequenties zal hebben voor het aanvragen van een visum voor de Verenigde Staten, waar hij in verband met een project werkzaamheden zal moeten verrichten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdachte heeft als monteur bij een telecombedrijf voor eigen gewin achter de rug van zijn werkgever om artikelen van het bedrijf aan kennissen en zakelijke relaties verkocht. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie binnen het bedrijf en zijn werkgever financieel nadeel toegebracht. Uit het dossier rijst het beeld op van een deels schimmige financiële relatie tussen de verdachte en zijn werkgever en er kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de betalingen door de werkgever via andere kanalen dan de bankrekening van de verdachte die kennelijk ten doel hebben gehad betalingen aan de verdachte buiten het zicht te houden. Dit neemt het laakbare van de bewezenverklaarde verduistering in dienstbetrekking door de verdachte echter niet weg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de keuze voor de aan de verdachte op te leggen straf of straffen en het bepalen van de hoogte en aard daarvan heeft het hof als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd in vergelijkbare zaken. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht noemen voor het plegen van fraudedelicten met een benadelingsbedrag tot € 10.000,00 als strafmaat een gevangenisstraf van een week tot twee maanden dan wel een taakstraf. Blijkens het strafblad van de verdachte van 24 april 2025 is hij niet eerder ter zake van een soortgelijk feit strafrechtelijk veroordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof acht, alles afwegende en mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak, een taakstraf van 100 uren passend en geboden. Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen dan wel geen straf of maatregel op te leggen in de zin van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden. Op 30 juni 2021 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Omdat het hof op 21 mei 2025 arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer 23 maanden overschreden. Het hof ziet daarin aanleiding een deel van de taakstraf, te weten 40 uren, in voorwaardelijke vorm op te leggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] B.V.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.000,00, bestaande uit € 15.000,00 aan materiële schade (mobiele telefoons en laptops) en € 5.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast is een bedrag van € 56.904,40 aan proceskosten gevorderd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.966,01 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de beslissing van de rechtbank op de vordering van de benadeelde partij wordt bevestigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van de materiële schade primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat maximaal een bedrag van € 7.966,01 kan worden toegewezen en dat de vordering voor het overige dient te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering van de immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat geen sprake is van een geval dat voor vergoeding van smartengeld in aanmerking komt. De benadeelde partij moet in de vordering van de proceskosten niet-ontvankelijk worden verklaard wegens een gebrek aan onderbouwing en omdat een deel van de gemaakte kosten niet als proceskosten kunnen worden aangemerkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 7.966,01 rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft deze materiële kosten niet zelf gespecificeerd, maar deze blijken voldoende uit de stukken van het dossier, in het bijzonder de inkoopfacturen die betrekking hebben op de geleverde telefoons en andere artikelen. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof is echter van oordeel dat de gestelde overige materiële schade en de gestelde immateriële schade onvoldoende zijn onderbouwd. Dit geldt ook voor de door de benadeelde partij opgevoerde proceskosten, die blijkens de summiere inhoud kennelijk voor een aanzienlijk deel ook als materiële schade dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal voor het toegewezen deel van de vordering de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte tot een <emphasis role="bold">taakstraf</emphasis> voor de duur van <emphasis role="bold">100 (honderd) uren</emphasis>, indien niet naar behoren verricht te vervangen door <emphasis role="bold">50 (vijftig) dagen hechtenis</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot <emphasis role="bold">40 (veertig) uren</emphasis>, indien niet naar behoren verricht te vervangen door <emphasis role="bold">20 (twintig) dagen</emphasis> hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] B.V. </emphasis>
      </para>
      <para>Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] B.V. ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van <emphasis role="bold">€ 7.966,01 (zevenduizend negenhonderdzesenzestig euro en één cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] B.V., ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.966,01 (zevenduizend negenhonderdzesenzestig euro en één cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 74 (vierenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 december 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Beuze, mr. B.E. Dijkers en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>