<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2024:3687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-04T10:21:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-000960-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3687">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-04T10:19:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2024:3687 Gerechtshof Amsterdam , 07-11-2024 / 23-000960-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2024:3687:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onderzoek Apple. Wederrechtelijk verkregen voordeel van € 267.760,00 uit handel in verdovende middelen. Overschrijding RT. Betalingsverplichting € 265.000,00.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2024:3687:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling strafrecht</para>
      <para>parketnummer: 23-000960-22 </para>
      <para>datum uitspraak: 7 november 2024 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>TEGENSPRAAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 maart 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 15-228170-20 tegen de betrokkene:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [betrokkene] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,</para>
      <para>thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 509.461,00. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is in de strafzaak bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 maart 2022 veroordeeld ter zake van – kort gezegd en voor zover relevant – opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Dit vonnis is onherroepelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 23 maart 2022 in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 300.000,00 (driehonderdduizend euro) en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 300.000,00 ter ontneming van genoemd voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene, conform de berekening van de rechtbank, de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 300.000,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman van de betrokkene heeft betoogd dat de rechtbank in haar transactieberekening ten onrechte is uitgegaan van de verkoop van 50 wikkels per dag gedurende 3,5 jaar. Dit aantal wikkels is te optimistisch, nu de betrokkene met weinig tot niets is begonnen, vervolgens sprake was van een gestaag stijgende lijn en hij als gevolg van de problemen met en kosten door [naam 1] nauwelijks tot geen winst heeft gemaakt, terwijl bovendien sprake was van piekmomenten in de verkoop rond de salarisuitbetaling en feestdagen en het op andere dagen rustiger was. Verder was bij bijna alle betrokken koeriers sprake van tekorten en dienen ook de kosten van huisvesting (de loods) in aftrek worden genomen. De raadsman heeft het hof verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op basis van de door hem voorgestelde alternatieve berekening, zoals opgenomen in zijn pleitnotities, omdat deze berekening het meest recht doet aan het uitgangspunt dat het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft genoten, wordt ontnomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grondslag van de ontnemingsvordering</emphasis>
      </para>
      <para>De betrokkene is bij voornoemd vonnis van de rechtbank Noord-Holland in de strafzaak onherroepelijk veroordeeld voor het in de periode van 1 januari 2016 tot en met 15 september 2020 opzettelijk handelen in cocaïne, MDMA en GHB. Op grond van deze veroordeling kan volgens artikel 36e, tweede lid, Sr aan de betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel schatten op basis van een transactieberekening. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is in de hoofdzaak veroordeeld voor de handel in, onder andere, cocaïne gedurende een periode van vier jaar en acht maanden. Gelet op de mogelijke opstartfase van die handel zal het hof in het voordeel van de betrokkene uitgaan van een periode van vier jaar waarin de betrokkene wederrechtelijk voordeel genoot uit zijn drugshandel. De stelling van de verdediging, dat de betrokkene door de tekorten van zijn koeriers (bijna) geen winst heeft gemaakt, acht het hof volstrekt onaannemelijk. Dat zou immers neerkomen op een filantropische instelling, waar het hof in de aard van de handel en in de stukken onvoldoende steun voor ziet. Dat de betrokkene het geld dat hij verdiende mede uitgaf aan het oplossen van problemen die [naam 1] had veroorzaakt, ziet op de wijze van besteding van reeds ontvangen voordeel en is derhalve niet relevant voor het bepalen van het voordeel.</para>
      <para>De betrokkene heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat er gemiddeld twee diensten per dag werden gedraaid en dat de dealers ongeveer twintig tot dertig wikkels cocaïne aan handelsvoorraad meekregen.<footnote-ref linkend="_8f90cdb1-6d8b-4260-98b7-507be618d78d" /> Dit wordt ondersteund door de verklaringen van [naam 2]<footnote-ref linkend="_6f71e8f7-2151-4cc1-870c-18cc70280647" /> en [naam 3]<footnote-ref linkend="_401e39fe-f170-4b8b-a95a-107ff578e0cb" />. Per dag zijn dat gemiddeld veertig tot zestig wikkels cocaïne. In het voordeel van de betrokkene zal het hof, mede in aanmerking nemende dat er ongetwijfeld wel eens tekorten zullen zijn geweest dan wel niet alles werd verkocht, uitgaan van de verkoop van veertig wikkels cocaïne per dag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de betrokkene verklaard dat hij toen hij met dealers werkte € 4,00 à € 5,00 per wikkel cocaïne verdiende. In de beginperiode van de handel verkocht de betrokkene voornamelijk zelf en dan verdiende hij € 10,00 per wikkel, aldus de betrokkene.<footnote-ref linkend="_b520db7b-7514-412d-bbd3-699921e839b4" />  Het hof zal in het voordeel van de betrokkene ervan uitgaan dat hij de gehele periode (dus ook de periode dat hij zelf verkocht) € 5,00 per wikkel verdiende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op basis van het voorgaande komt het hof tot de volgende berekening van de opbrengst van de drugshandel, waarbij in het voordeel van de betrokkene geen rekening zal worden gehouden met de opbrengst uit de bewezenverklaarde verkoop van GHB en MDMA in die periode. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De <emphasis role="bold">opbrengst</emphasis> bedraagt dan 4 jaar x 365 dagen x 40 wikkels x € 5,00 per wikkel = <emphasis role="bold">€ 292.000,00 </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kosten</emphasis>
      </para>
      <para>Anders dan de raadsman heeft betoogd, dienen de kosten ten behoeve van de loods niet in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu in deze loods het bedrijf van de betrokkene, [bedrijf] , was gevestigd en hij daarvoor de loods gebruikte. Verder beschouwt het hof de uitgaven omtrent [naam 1] niet als ten behoeve van de drugshandel gemaakte kosten, maar – zoals hiervoor al is overwogen – als besteding van het door de betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook deze uitgaven zullen derhalve niet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij ten behoeve van zijn drugshandel per week € 90,00 aan autokosten en € 15,00 aan kosten voor beltegoed had. Daarnaast kocht de betrokkene drie (tweedehands) telefoons per jaar voor ongeveer € 150,00 à € 200,00 per telefoon.<footnote-ref linkend="_6f7b1d72-2773-4cb2-b59f-704504864282" /> Genoemde bedragen voor deze telefoons heeft de betrokkene desgevraagd eerst in hoger beroep genoemd. Op basis van het voorgaande en in het voordeel van de betrokkene komt het hof tot de volgende berekening van de kosten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Autokosten en beltegoed: 4 jaar x 52 weken x (€90,00 + €15,00) = 		€ 21.840,00</para>
      <para>Telefoonkosten: 12 telefoons (3 telefoons x 4 jaar) x € 200,00 per telefoon = 	<emphasis role="underline">€   2.400,00</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Totale kosten</emphasis>: € 21.840,00 + € 2.400,00 =					<emphasis role="bold">€ 24.240,00</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para>Het hof stelt op grond van het voorgaande het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, vast op (€ 292.000,00 minus € 24.240,00 =) <emphasis role="bold">€ 267.760‬,00.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verplichting tot betaling aan de Staat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overschrijding redelijke termijn</emphasis>
      </para>
      <para>De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in eerste aanleg niet, maar in hoger beroep wel overschreden. Namens de betrokkene is op 6 april 2022 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 7 november 2024. De overschrijding betreft zeven maanden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de betalingsverplichting, in die zin dat deze zal worden vastgesteld op <emphasis role="bold">€ 265.000,00</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijk wettelijk voorschrift</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € <emphasis role="bold">267.760,00 (tweehonderdzevenenzestigduizend zevenhonderdzestig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot <emphasis role="bold">betaling aan de Staat</emphasis> ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 265.000,00 (tweehonderdvijfenzestigduizend euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op <emphasis role="bold">1080 dagen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. M. Senden en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van</para>
      <para>7 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. S. Geensen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
      <para>=========================================================================</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8f90cdb1-6d8b-4260-98b7-507be618d78d" label="1">
    <para> Proces-verbaal terechtzitting 7 en 9 maart 2022, p. 6. en de verklaring van de betrokkene, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2024.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f71e8f7-2151-4cc1-870c-18cc70280647" label="2">
    <para> Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] door de raadsheer-commissaris van 26 oktober 2023 [ongenummerd].</para>
  </footnote>
  <footnote id="_401e39fe-f170-4b8b-a95a-107ff578e0cb" label="3">
    <para> Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [naam 3] van 14 december 2020, doorgenummerde pagina P5 052.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b520db7b-7514-412d-bbd3-699921e839b4" label="4">
    <para> Proces-verbaal terechtzitting 7 en 9 maart 2022, p. 6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6f7b1d72-2773-4cb2-b59f-704504864282" label="5">
    <para> Proces-verbaal terechtzitting 7 en 9 maart 2022, p. 6. en de verklaring van de betrokkene, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2024.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>