<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2024:2903</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-18T14:15:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-002033-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2903">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:2903</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-18T14:10:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2024:2903 Gerechtshof Amsterdam , 10-09-2024 / 23-002033-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2024:2903:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep te laat ingesteld. Verstek eerste aanleg, maar akte van uitreiking dagvaarding eerste aanleg is door de vte ondertekend. Niet binnen 14 dagen na wijzen vonnis appel ingesteld. Vte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2024:2903:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>afdeling strafrecht</para>
    <para>parketnummer: 23-002033-22 </para>
    <para>datum uitspraak: 10 september 2024 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">TEGENSPRAAK </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 3 juni 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-051049-22 tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981, </para>
    <para>adres: [adres].</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van </para>
      <para>10 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de aantekening mondeling vonnis van de politierechter is de verdachte ter terechtzitting van </para>
      <para>3 juni 2022 niet verschenen. De politierechter heeft verstek verleend. De verdachte heeft tegen dit verstekvonnis niet binnen veertien dagen hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte niet wist van de zitting van de politierechter en dat hij pas bij brief van 28 juli 2022 van het vonnis op de hoogte is geraakt. Het hoger beroep is binnen veertien dagen nadien ingesteld en om die reden tijdig. De raadsvrouw heeft daarnaast gesteld dat de betekeningsakte van de dagvaarding in eerste aanleg niet door de verdachte is ondertekend. Zij heeft het hof verzocht de verdachte ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de handtekening, die bij nadere beschouwing wel op de betekeningsakte van de dagvaarding in eerste aanleg blijkt te staan, de handtekening van de verdachte is, en dat daarom niet vastgesteld kan worden dat hij wetenschap had van de terechtzitting in eerste aanleg. Om die reden heeft hij gevorderd de verdachte ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof overweegt als volgt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de akte van uitreiking van de dagvaarding, om op 3 juni 2022 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen, staat (weliswaar op de verkeerde plek) onder ‘opmerkingen bezorger’ een handtekening die overeenkomt met de handtekening die de verdachte diezelfde dag heeft gezet onder het proces-verbaal van zijn verhoor bij de politie. Bovendien heeft de uitreikende verbalisant [verbalisant], die de verdachte op </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1 maart 2022 op de onderhavige verdenking heeft gehoord, op de door haar ondertekende akte aangekruist dat zij de dagvaarding in persoon aan de verdachte ([verdachte]) heeft uitgereikt op 1 maart 2022. Gelet hierop kan met meer dan voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de dagvaarding in persoon aan de verdachte is uitgereikt en dat hij dus op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat brengt mee, gelet op het bepaalde in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, dat binnen veertien dagen na het op 3 juni 2022 gewezen vonnis hoger beroep had moeten worden ingesteld. De verdachte heeft echter pas op 29 juli 2022 hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en niet van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden is gebleken die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, dient het hof de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>