<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2023:528</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-09T09:35:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.317.012/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_ondernemingsrecht">Civiel recht; Ondernemingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2023:528">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2023:528</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-09T09:35:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2023:528 Gerechtshof Amsterdam , 28-02-2023 / 200.317.012/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2023:528:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>onderhoudsplichtige niet voldaan aan stelplicht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2023:528:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
      <para>Team III (familie- en jeugdrecht)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 200.317.012/01 </para>
      <para>zaaknummer rechtbank: C/15/324063 / FA RK 22-112 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beschikking van de meervoudige kamer van 28 februari 2023 inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de man,</para>
      <para>advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats B] , feitelijk verblijvende te [plaats C] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. F.J. ten Seldam te Limmen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding in eerste aanleg</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 1 juli 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De man is op 30 september 2022 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 1 juli 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De vrouw heeft op 1 december 2022 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 16 januari 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het ( [in] 2002 gesloten) huwelijk van partijen is op 6 januari 2021 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 september 2020 in de registers van de burgerlijke stand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Partijen zijn de ouders van: </para>
      <para>- [kind 1] , geboren [in] 2005 en</para>
      <para>- [kind 2] , geboren [in] 2008 (hierna gezamenlijk: de kinderen).</para>
      <parablock>
        <para>De kinderen verblijven op grond van een co-ouderschapsregeling de ene helft van de tijd bij de man en de andere helft van de tijd bij de vrouw.</para>
        <para>Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 225,- per kind per maand. Bij de – in zoverre niet – bestreden beschikking is de bijdrage met ingang van 1 juli 2022 aldus gewijzigd dat de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage voor [kind 1] is bepaald op € 16,- per maand en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [kind 2] is bepaald op € 192,- per maand.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 550,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. </para>
        <para>Na indexering bedroeg de uitkering in 2022 € 560,45 per maand.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil gesteld met ingang van 1 juli 2022, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking in zoverre. </para>
        <para>De man had verzocht de uitkering tot levensonderhoud met ingang van 6 januari 2021 op nihil te stellen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 6 januari 2021 op nihil te stellen, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking in zoverre. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>De man is het er niet mee eens dat de rechtbank zijn verzoek tot nihilstelling heeft afgewezen voor zover het de (voorliggende) periode van 6 januari 2021 tot 1 juli 2022 betreft. De man heeft van meet af aan geen alimentatie betaald aan de vrouw omdat zij nog in overleg waren over verrekening van de afkoop van de partneralimentatie met andere boedelbestanddelen. Een verder in de tijd terugwerkende nihilstelling brengt dus geen terugbetalingsverplichting mee voor de vrouw. Een nihilstelling is voorts op zijn plaats, omdat de vrouw geen aanvullende behoefte heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud; zij werkt en zij kan zelf in de kosten van haar levensonderhoud voorzien. De echtscheidingsbeschikking heeft daarom vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven voldaan, althans deze beschikking moet worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, gelegen in de nieuwe baan van de vrouw per september 2020.</para>
        <para>De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft de partneralimentatie vanaf de datum van de beschikking, 1 juli 2022, op nihil gesteld omdat de vrouw met ingang van die datum afzag van een partnerbijdrage en zij zich in zoverre niet verweerde tegen het verzoek van de man tot nihilstelling. De rechtbank heeft overwogen dat de man zijn stelling dat de echtscheidingsbeschikking van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord (voor zover het de partneralimentatie betreft) onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof deelt die conclusie en stelt vast dat de man die stelling ook in hoger beroep onvoldoende heeft onderbouwd. Hetzelfde geldt ten aanzien van zijn stelling dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de vrouw geen aanvullende behoefte meer heeft. </para>
        <para>Indien de man van mening is dat de vrouw geen behoefte heeft aan partneralimentatie, had hij concreet moeten stellen hoe hoog haar huwelijksgerelateerde behoefte was en in hoeverre zij daarin zelf kan voorzien. In het kader van zijn stelplicht had het op zijn weg gelegen om aan de hand van een berekening de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw inzichtelijk te maken. De man heeft dat nagelaten. Hij kon niet volstaan met de stelling – zoals vermeld in zijn inleidend verzoekschrift – dat de vrouw meer was gaan werken en dus meer was gaan verdienen, maar had die stelling met bedragen moeten staven. De berekening die hij in eerste aanleg in het kader van de draagkrachtbepaling ten behoeve van de kinderalimentatie heeft gemaakt, volstaat in dat verband evenmin.</para>
        <para>Pas ter zitting in hoger beroep heeft de man erop gewezen dat de vrouw in haar verweerschrift in eerste aanleg heeft gesteld dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 2.698,- netto per maand bedraagt en dat zij een inkomen heeft van € 2.730,- netto per maand. Hij lijkt daarbij echter over het hoofd te zien dat de vrouw vervolgens heeft gesteld dat zij nog steeds behoefte heeft aan partneralimentatie, omdat zij van haar inkomen een aandeel in de kosten van de kinderen moet leveren van € 472,- per kind per maand.</para>
        <para>Nu de man naar het oordeel van het hof niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Dit leidt tot de volgende beslissing.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.T. Hoogland en mr. M. Fiege, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 28 februari 2023 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>