<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-12T07:21:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.292.632/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:937">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:937</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-12T07:19:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:937 Gerechtshof Amsterdam , 29-03-2022 / 200.292.632/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:937:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onder verwijzing naar HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489 (NJ 2005, 465) oordeelt het hof dat hij een uitzondering op de regel, dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden, gerechtvaardigd acht. Appellante wist ten gevolge van een door geïntimeerde en de rechtbank begaan verzuim niet tijdig en kon redelijkerwijs ook niet weten dat de voorzieningenrechter op 1 februari 2021 een beschikking had gegeven. Deze beschikking is appellante als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep op 4 maart 2021 door middel van betekening door geïntimeerde verstrekt. In een zodanig geval moet de beroepstermijn met overeenkomstige toepassing van bovengenoemd arrest worden verlengd met veertien dagen na de dag van verstrekking van de beschikking, hetgeen betekent dat de beroepstermijn is verlengd tot 19 maart 2021. Appellante heeft evenwel pas op 2 april 2021 hoger beroep ingesteld, hetgeen te laat is, zodat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard.</para>
      <para />
      <para />
      <para>Wetsartikelen: 987 lid 1 en 3 Rv en 989 lid 2 en 3 Rv</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:937:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer:				200.292.632/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer rechtbank Noord-Holland:	C/15/312179 / KG-RK 21/39</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 maart 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellante]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),</para>
      <para>appellante,</para>
      <para>advocaat: mr. G.J.P.M. Grijmans te Bolsward,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] , Tsjechië,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>zonder advocaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 2 april 2021, onder aanvoering van een grief in hoger beroep gekomen van de beschikking die de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, op 1 februari 2021 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het beroepschrift strekt ertoe, zakelijk weergegeven, dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek van [geïntimeerde] tot het verkrijgen van verlof voor tenuitvoerlegging van het vonnis van de Districsrechtbank te Trutnov, Tsjechië van 13 oktober 2002 alsnog zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, met nakosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft geen verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 28 januari 2022. Bij die gelegenheid heeft [appellante] bij monde van mr. Grijmans voornoemd het woord gevoerd. [geïntimeerde] is ex artikel 989 lid 3 Rv behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen. Er heeft zich geen advocaat voor [geïntimeerde] gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is uitspraak bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Ontvankelijkheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In de onderhavige zaak doet zich allereerst de vraag voor of [appellante] ontvankelijk is in haar hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [appellante] heeft erkend dat het beroepschrift formeel te laat is ingediend, maar dit kan volgens haar geen beletsel opleveren voor een inhoudelijke behandeling. [geïntimeerde] heeft [appellante] immers niet opgeroepen (bij deurwaardersexploot) voor de exequaturprocedure in eerste aanleg en de bestreden beschikking is aan [appellante] betekend nadat de termijn voor hoger beroep was verstreken, zodat [appellante] door de handelwijze van [geïntimeerde] niet tijdig hoger beroep kon instellen. [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheden van het geval in samenhang met de redelijkheid en billijkheid, de termijn voor hoger beroep is aangevangen op de dag van betekening van de bestreden beschikking, zijnde 4 maart 2021. [appellante] heeft, daarvan uitgaande, tijdig hoger beroep ingesteld, want op 2 april 2021, aldus nog steeds [appellante] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het hof oordeelt als volgt. Kennelijk heeft [geïntimeerde] verzuimd [appellante] ex artikel 987 lid 3 Rv bij deurwaardersexploot in de procedure in eerste aanleg op te roepen. Ondanks dat artikel 987 lid 1 Rv voorschrijft dat de rechtbank het verlof tot tenuitvoerlegging niet verleent alvorens de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt verlangd behoorlijk is opgeroepen teneinde te worden gehoord, heeft de voorzieningenrechter op 1 februari 2021 een beschikking gegeven. De beroepstermijn is ex artikel 989 lid 2 Rv gaan lopen op 2 februari 2021 en was op 2 maart 2021 verstreken. [appellante] heeft evenwel eerst van de bestreden beschikking kennisgenomen toen deze op 4 maart 2021 op verzoek van [geïntimeerde] aan [appellante] is betekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Onder verwijzing naar HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489 (<emphasis role="italic">NJ</emphasis> 2005, 465) oordeelt het hof dat hij een uitzondering op de regel, dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden, gerechtvaardigd acht. [appellante] wist ten gevolge van een door [geïntimeerde] en de rechtbank begaan verzuim niet tijdig en kon redelijkerwijs ook niet weten dat de voorzieningenrechter op 1 februari 2021 een beschikking had gegeven. Deze beschikking is [appellante] als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep op 4 maart 2021 door middel van betekening door [geïntimeerde] verstrekt. In een zodanig geval moet de beroepstermijn met overeenkomstige toepassing van bovengenoemd arrest worden verlengd met veertien dagen na de dag van verstrekking van de beschikking, hetgeen betekent dat de beroepstermijn is verlengd tot 19 maart 2021. [appellante] heeft evenwel pas op 2 april 2021 hoger beroep ingesteld, hetgeen te laat is, zodat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Bij deze uitkomst heeft [appellante] geen belang bij de (inhoudelijke) bespreking van haar grief. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Haanappel-van der Burg, M.L.D. Akkaya en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>