<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:3868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-22T17:36:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">K21/230236</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:3868">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:3868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-22T15:00:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:3868 Gerechtshof Amsterdam , 09-05-2022 / K21/230236</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:3868:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beklag ex art. 12 Sv, wegens niet vervolgen politieambtenaar. Gebruikt geweld weliswaar niet noodzakelijk en daarmee niet adequaat en niet proportioneel, maar hof acht vervolging niet opportuun. Beklaagde voldoende disciplinair gestraft. Beklag afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:3868:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling strafrecht</para>
      <para>beklagkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummer K21/230236</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het beklag van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [klager]
        </emphasis>,</para>
      <para>klager,</para>
      <para>woonplaats kiezende op het kantooradres van de gemachtigde: mr. W. Drummen, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het beklag</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft op 24 juni 2021 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen <emphasis role="bold">[beklaagde] </emphasis>(hierna: beklaagde) ter zake van (zware) mishandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verslag van de advocaat-generaal</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verslag van 3 november 2021 heeft de advocaat-generaal, alvorens een definitief standpunt in te nemen, het hof in overweging gegeven de beelden van de gebeurtenissen te bekijken en beklaagde te horen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorhanden stukken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van:</para>
    </parablock>
    <para>- het klaagschrift;</para>
    <para>- het verslag van de advocaat-generaal;</para>
    <para>- het dossier van de politie, waaronder het VIK onderzoek</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De behandeling in raadkamer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 4 november 2021 het beklag toe te lichten. Klager is bijgestaan door de gemachtigde in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op 15 maart 2021 te worden gehoord. Beklaagde is, daarbij bijgestaan door de gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag aldus te herzien, dat de advocaat-generaal het hof in overweging geeft het beklag af te wijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling van het beklag</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 augustus 2020 zat klager te wachten in de hal op het Centraal Station te Amsterdam. Beklaagde, op dat moment werkzaam als politieambtenaar in uniform, sprak klager aan en sommeerde hem daar weg te gaan. Daarop ontstond een woordenwisseling, gevolgd door een handgemeen, waarbij klager ten val kwam en daarbij, zoals later bleek, een heup heeft gebroken. Klager deed aangifte van zware mishandeling door beklaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van de aangifte van klager is door het Team Veiligheid, Integriteit en Klachten van de Nationale Politie, eenheid Amsterdam een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek is de bij de aanhouding van klager betrokken verbalisant [verbalisant] als getuige gehoord. Beklaagde is als verdachte gehoord. De van deze verhoren opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in het dossier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de weergave van de overige feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het verslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit en hiermee samenhangend de vraag of de beslissing van de officier van justitie om beklaagde niet te vervolgen op goede gronden is genomen. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politie beschikt blijkens artikel 7, eerste lid, van de Politiewet over het wettelijk toegekende geweldsmonopolie en is bevoegd (en in bepaalde gevallen zelfs verplicht) geweld toe te passen als dit voor de rechtmatige uitoefening van de politietaak en het realiseren van hetgeen in dat kader dient te gebeuren noodzakelijk is. Ter beoordeling van de vraag of het toegepaste geweld als noodzakelijk kan worden aangemerkt, dient te worden getoetst aan de hand van criteria van subsidiariteit (was een minder verstrekkend geweldsmiddel ook mogelijk) en proportionaliteit (ging het geweld niet te ver). Buiten deze grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit zou, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, geweldstoepassing door overheidsdienaren als misdrijf gekwalificeerd kunnen worden en als zodanig strafbaarheid van de betrokken ambtenaar tot gevolg kunnen hebben. Het (strafrechtelijk) onderzoek naar overheidsoptreden zal zich in die gevallen met name hebben te richten op te vraag of geweldstoepassing noodzakelijk, adequaat en proportioneel is geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het rapport ‘Verantwoord politiegeweld’ van de Nationale ombudsman bevat een aantal aanbevelingen voor de politiepraktijk in dit verband. De kern daarvan is, dat de politie terughoudend is in het toepassen van geweld. Het optreden van de politie dient te zijn gericht op de-escalatie. Vervelend, irritant of onbeschoft gedrag van een burger mag niet leiden tot het gebruik van geweld. Van de politie mag worden verwacht dat zij zich hierdoor niet laat uitdagen tot verdere escalatie en zich in een moeilijke of ongemakkelijke situatie weet te beheersen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De overwegingen van het hof</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de stukken, de camerabeelden en de behandeling in raadkamer komt naar voren dat klager geen geweld heeft gebruikt tegen beklaagde, zich niet fel heeft verzet tegen het verzoek van beklaagde om het station te verlaten en dat er geen dreigende situatie was voor de betrokken politieambtenaren. Klager reageerde in de beleving van beklaagde geïrriteerd en hij begon te schelden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dergelijk gedrag rechtvaardigt geweldstoepassing niet. Het geweld dat is toegepast (en op de camerabeelden is te zien), te weten het duwen en slaan van klager, het omver trekken en naar buiten slepen van klager, is naar het oordeel van het hof niet noodzakelijk geweest en daarmee niet adequaat en proportioneel. Van beklaagde mocht in deze situatie worden verwacht dat hij terughoudend was met het toepassen van geweld. Voor zover het gedrag van klager als vervelend, irritant of onbeschoft werd ervaren, mocht dit gedrag niet leiden tot gebruik van geweld. Het hof is van oordeel dat, indien de zaak aan de strafrechter zou worden voorgelegd, deze tot een bewezenverklaring kan komen ter zake van mishandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toch zal het hof in dit geval geen bevel tot vervolging afgeven. Het hof overweegt daartoe het volgende. Beklaagde was in het treffen met klager in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in de Politiewet. Beklaagde had in deze situatie zorgvuldiger moeten handelen, zich moeten beheersen en zich bewust moeten blijven van de grenzen van het toelaatbare, zelfs nu het gedrag van  klager op beklaagde provocerend overkwam. Het hof is echter van oordeel – alle feiten en omstandigheden van dit geval in aanmerking genomen – dat beklaagde reeds voldoende disciplinair bestraft is. Hij heeft als gevolg van zijn handelen voorwaardelijk strafontslag gekregen en is overgeplaatst. Ook heeft het incident ingrijpende gevolgen gehad voor het privéleven van beklaagde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal daarom als volgt beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof wijst het beklag af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op </para>
      <para>9 mei 2022 door mrs. E. van Die, voorzitter, D. Radder en J.J.J. Schols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>