<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-18T09:43:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.299.151/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:342">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:342</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-18T09:37:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:342 Gerechtshof Amsterdam , 08-02-2022 / 200.299.151/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:342:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident ex artikel 210 Rv tot vrijwaring. Het is niet mogelijk om in hoger beroep een incidentele vordering tot vrijwaring in te stellen. Niet-ontvankelijk in incidentele vordering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:342:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 		: 200.299.151/01 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland	: C/13/8974694 / CV EXPL 21-985</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 februari 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">D-FRA B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,</para>
      <para>appellante in de hoofdzaak, </para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. K. Horstman te Epe,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [geïntimeerde sub 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonend te [woonplaats] ,</para>
      <para>2. <emphasis role="bold">[geïntimeerde sub 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats] ,</para>
      <para>geïntimeerden in de hoofdzaak,</para>
      <para>eisers in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. [X] te [plaats] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna D-fra en [geïntimeerden] – afzonderlijk: [geïntimeerde sub 1] en </para>
      <para>
        [geïntimeerde sub 2] – genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>D-fra is bij dagvaarding van 8 juli 2021 in hoger beroep gekomen van een mondeling vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) dat op 7 juni 2021 onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen D-fra als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:</para>
    </parablock>
    <para>- memorie van grieven, met een productie;</para>
    <para>- incidentele conclusie van [geïntimeerden] tot oproeping in vrijwaring;</para>
    <para>- antwoordconclusie in het incident van D-fra.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het incident hebben [geïntimeerden] gevorderd hun toe te staan mr. [curator] , in zijn hoedanigheid van curator van [A] , te dagvaarden tegen een door het hof te bepalen datum teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>D-fra heeft geconcludeerd dat het hof [geïntimeerden] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun incidentele vordering, althans die zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het gaat hier, samengevat en voor zover voor het incident van belang, om het volgende. D-fra heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerden] op grond van onverschuldigde betaling hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot (terug)betaling aan D-fra van een bedrag van € 23.641,26, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 18.722,33 met ingang van 1 januari 2021 tot de dag der voldoening. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van D-fra afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Ter toelichting op hun incidentele vordering hebben [geïntimeerden] , kort samengevat, het volgende aangevoerd. De betalingen waarover het in deze zaak gaat zijn voor en in opdracht van [A] door D-fra gedaan ter zake van door </para>
        <para>
          [geïntimeerden] verrichte werkzaamheden. In hoger beroep baseert D-fra haar vordering tot terugbetaling op de door [A] – die geen procespartij is – ingeroepen (buitengerechtelijke) ontbinding en vernietiging van de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst van opdracht tussen hem en [geïntimeerde sub 1] . Bij toewijzing van die vordering in hoger beroep zal (aan D-fra) moeten worden terugbetaald. [geïntimeerden] wijzen erop dat het gelden van de failliet verklaarde [A] zelf betreft en dat daarbij niet valt uit te sluiten dat het gelden zijn die aan de boedel toekomen. Volgens [geïntimeerden] hebben zij er dan ook recht en belang bij om de curator van [A] in vrijwaring op te roepen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>D-fra heeft tegen de incidentele vordering verweer gevoerd op gronden die, zo nodig, bij de beoordeling zullen worden weergegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak is het niet mogelijk om in hoger beroep een incidentele vordering tot vrijwaring in te stellen (vgl. laatstelijk Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012: BT7496). Indien de vrijwaring thans zou worden toegestaan, zou immers aan de curator van [A] een instantie worden ontnomen zonder dat daarvoor een voldoende rechtvaardiging bestaat. [geïntimeerden] kunnen dan ook niet worden ontvangen in hun incidentele vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [geïntimeerden] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, bij eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden] </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [geïntimeerden] niet-ontvankelijk in hun vordering;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 22 maart 2022 voor het nemen van een memorie van antwoord door [geïntimeerden] ; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, W.A.H. Melissen en G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>