<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:3148</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-18T07:30:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.306.369/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2022-0260</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:3148">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:3148</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-09T10:24:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:3148 Gerechtshof Amsterdam , 08-11-2022 / 200.306.369/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:3148:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Moeder niet-ontvankelijk in het hoger beroep; is geen belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Door voogdij-overdracht worden haar rechten en verplichtingen niet rechtstreeks geraakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:3148:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
      <para>Team III (familie -en jeugdrecht)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 200.306.369/01 </para>
      <para>zaaknummer rechtbank: C/13/701857 / FA RK 21/3072 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beschikking van de meervoudige kamer van 8 november 2022 in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [plaats A] ,</para>
      <para>verzoekster in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de moeder,</para>
      <para>advocaat: mr. J. Breeveld te Haarlem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [plaats A] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>verder te noemen: de GI.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbenden zijn aangemerkt: </para>
    </parablock>
    <para>- de minderjarige [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] ), geboren [in] </para>
    <para> 2012 te [plaats A] ;</para>
    <para>- [de pleegmoeder ] en [de pleegvader] (hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, gezamenlijk de pleegouders).</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:</para>
      <para>de Raad voor de Kinderbescherming,</para>
      <para>gevestigd te Den Haag,</para>
      <para>locatie: [plaats A] ,</para>
      <para>hierna te noemen: de raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure bij de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 3 november 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder is op 3 februari 2022 in hoger beroep gekomen van de beschikking van </para>
        <para>3 november 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn: </para>
      <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;</para>
      <para>- een vertegenwoordiger van de GI;</para>
      <para>- de pleegouders;</para>
      <para>- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Verzoekster is de moeder van [kind 1] . De vader van [kind 1] is buiten beeld. [kind 1] verblijft sinds 19 december 2014 bij de pleegouders.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De moeder heeft nog een meerderjarige dochter ( [kind 2] ) en twee minderjarige dochters: [kind 3] van 13 jaar en [kind 4] van 7 jaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Het gezag van de moeder over [kind 1] , [kind 3] en [kind 4] is bij beschikking van de rechtbank van 6 november 2019 beëindigd, met benoeming van de GI tot voogd. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De omvang van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Bij de bestreden beschikking is de GI ontslagen van de voogdij over [kind 1] en zijn de pleegouders benoemd tot voogd over [kind 1] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, - zo begrijpt het hof het verzoek- het inleidende verzoek van de GI om op grond van artikel 1:322 lid 1 aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW) te worden ontslagen van de voogdij ten gunste van de pleegouders, af te wijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De GI verzoekt om afwijzing van het verzoek van de moeder en bekrachtiging van de bestreden beschikking.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De motivering van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het hof dient eerst (ambtshalve) de ontvankelijkheid van de moeder in haar hoger beroep beoordelen, nu de vraag is of de moeder in deze procedure als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden aangemerkt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De standpunten ten aanzien van de ontvankelijkheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>De moeder meent dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep. Zij is de biologische moeder van [kind 1] en heeft in het kader van artikel 8 van het Europees </para>
        <para>Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) recht op bescherming van haar familie- en gezinsleven met [kind 1] . Zij heeft daarnaast geen andere rechtsingang om omgang met [kind 1] te bewerkstelligen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De GI refereert zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van de moeder aan het oordeel van het hof.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De beoordeling door het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <parablock>
        <para>In zaken betreffende het personen- en familierecht kan, in afwijking van artikel 358 lid 2 Rv, op grond van artikel 806 lid 1 Rv van een beschikking hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker, door degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden en door andere belanghebbenden.</para>
        <para>Op grond van het bepaalde in artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. In zijn uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:488) heeft de Hoge Raad overwogen dat de door art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.</para>
        <para>In voornoemde uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet worden afgeleid dat een persoon, die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM, tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven (zie EHRM 6 oktober 2015, nr. 58455/13 (N.P./Moldavië)). Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure, welke procedure op zichzelf ook moet voldoen aan de eisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM. De door artikel 8 EVRM vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van de hierboven geformuleerde criteria dient het hof in de onderhavige zaak te beoordelen of de omstandigheden van dit geval meebrengen dat het onderwerp van de zaak, te weten de overdracht van de voogdij over [kind 1] van de GI naar de pleegouders (op grond van artikel 1:322 lid 1 aanhef en onder c BW) ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de moeder zich beroept rechtstreeks worden geraakt, waarbij tevens in aanmerking dient te worden genomen of de beslissing in de onderhavige zaak kan leiden tot een inmenging in het gezinsleven van de moeder als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM, met als gevolg dat de moeder kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met artikel 8 lid 1 EVRM. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.</para>
        <para>Het hof overweegt daartoe als volgt. De moeder heeft sinds 2019 geen gezag meer over [kind 1] , zodat een overgang van de voogdij van de GI naar de pleegouders haar niet rechtstreeks raakt in de bij het gezag behorende rechten en verplichtingen en in die zin geen beperking oplevert voor de effectuering van haar recht op gezinsleven met [kind 1] . Van concrete feiten of </para>
        <para>omstandigheden die tot een andere oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken. </para>
        <para>Er zijn evenmin aanwijzingen dat de wijziging van de voogdij zal leiden tot verandering in het contact van de moeder met [kind 1] ten opzichte van de situatie voorafgaand aan de voogdijoverdracht. De moeder en [kind 1] hebben al drie jaar geen contact meer. Vanuit de hulpverlening rondom [kind 1] wordt geadviseerd om het contact pas te herstellen wanneer daarvoor voldoende ruimte is bij [kind 1] en volgens de hulpverlening is daarvan op dit moment nog geen sprake. De pleegouders volgen het advies van de hulpverlening hierin. De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de GI in haar (voormalige) hoedanigheid als voogd dit advies van de hulpverlening ook zou volgen. </para>
        <para>De overdracht van de voogdij naar de pleegouders zal dan ook niet leiden tot belemmering of vertraging van een eventueel contactherstel en daarmee tot beperking van de (mogelijkheid tot) omgang tussen de moeder en [kind 1] . Daarbij komt dat is gebleken dat de pleegouders het contact tussen [kind 1] - die al sinds eind 2014 bij hen verblijft - en de moeder altijd zoveel als mogelijk was hebben ondersteund en gefaciliteerd, daartoe nog steeds bereid zijn en dit in hun nieuwe rol als voogd ook zullen blijven doen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de pleegouders tot de meerderjarigheid van [kind 1] ook begeleiding vanuit pleegzorg zullen blijven ontvangen.</para>
        <para>Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrees van de moeder dat contactherstel tussen haar en [kind 1] na de overdracht van de voogdij belemmerd zal worden of niet zal kunnen plaatsvinden, niet gerechtvaardigd lijkt te zijn. </para>
        <para>Daar komt bij dat de moeder op grond van artikel 1:377a eerste lid BW recht heeft op omgang met [kind 1] en dat de voogdijoverdracht daarin geen wijziging brengt. De stelling van de moeder dat zij geen andere rechtsingang heeft om haar recht op gezinsleven met [kind 1] te </para>
        <para>effectueren, is dan ook niet juist.</para>
        <para>Voor het overige heeft de moeder geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat de voogdijoverdracht een – voor de toets van artikel 798 lid 1 Rv relevante – inmenging vormt in haar gezinsleven met [kind 1] of dat deze kan leiden tot een rechterlijke beslissing, die het recht op gezinsleven van de moeder rechtstreeks raakt, terwijl van dergelijke omstandigheden het hof ook overigens niet is gebleken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat de moeder niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de kwestie van de voogdijoverdracht, nu door deze overdracht haar rechten en verplichtingen niet rechtstreeks worden geraakt. </para>
        <para>Het hof zal de moeder daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>Dit alles leidt tot de volgende beslissing.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.E. Buitendijk, J.F. Miedema en P.A.M. Jongens-Lokin, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 8 november 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>