<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:3070</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-30T15:32:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.315.703/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:3070">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:3070</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-30T15:31:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:3070 Gerechtshof Amsterdam , 21-09-2022 / 200.315.703/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:3070:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot wraking. Afwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:3070:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 	: 200.315.703/01</para>
      <para>zaaknummer hoofdzaak	: 22/00085 tot en met 22/00091</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de wrakingskamer van 21 september 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake het op 24 augustus 2022 gedane verzoek namens</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam]
        </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna: verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De gang van zaken tot nu toe</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In de procedure tussen verzoeker en de inspecteur van de Belastingdienst, bij het gerechtshof Amsterdam geregistreerd onder voormelde zaaknummers, heeft verzoeker ter zitting van de meervoudige belastingkamer van 24 augustus 2022 verzocht de raadsheren mrs. H.E. Kostense, N. Djebali en J-P.R. van den Berg (hierna: de raadsheren) te wraken. De gronden die verzoeker daarvoor heeft aangevoerd, zijn opgenomen in het proces-verbaal van die zitting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De raadsheren hebben op 9 september 2022 de wrakingskamer schriftelijk meegedeeld niet te berusten in het wrakingsverzoek en op 12 september 2022 een schriftelijke reactie op het verzoek gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De verzoeker heeft eveneens op 12 september 2022 een nadere toelichting op zijn wrakingsverzoek ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 21 september 2022 plaatsgevonden. Verzoeker heeft medegedeeld dat hij om medische redenen niet aanwezig kon zijn bij de behandeling. De raadsheren zijn met bericht van verhindering evenmin verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten en het procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De hoofdzaak betreft het hoger beroep en incidenteel hoger beroep – na verwijzing door de Hoge Raad – tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2019 en tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 april 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Verzoeker voert als gronden voor wraking van de raadsheren het volgende aan. De raadsheren hebben geen beoordeling willen geven over de fiscale woonplaats van de verzoeker. Daarnaast zijn de raadsheren vooringenomen en partijdig. Zij houden de inspecteur de hand boven het hoofd en het door de raadsheren gedane “compromisvoorstel” is niet als een reëel en neutraal voorstel aan te merken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De raadsheren hebben zich in hun schriftelijke reactie – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de aangevoerde gronden voor de wraking niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het oordeel van de wrakingskamer </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het hoger beroep in belastingzaken. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De wrakingskamer behandelt de aangevoerde gronden voor het wrakingsverzoek gezamenlijk. Uit het proces-verbaal van de zitting van de meervoudige belastingkamer van 24 augustus 2022 blijkt niet van vooringenomenheid van de raadsheren of dat de vrees van verzoeker daarvoor gerechtvaardigd is. De voorzitter heeft ter zitting een aantal malen meegedeeld dat het hof na afloop van de zitting een beslissing zal nemen over de geschilpunten in de hoofdzaak, waaronder het punt ten aanzien van de fiscale woonplaats van verzoeker. Het compromisvoorstel houdt, zo blijkt uit de toelichting die de voorzitter erbij heeft gegeven, geen juridisch oordeel in van het hof over de geschilpunten, maar is enkel bedoeld om te trachten partijen onderling de zaak te laten regelen door middel van een minnelijke schikking en dus als voorzet voor een praktische oplossing voor het geschil van partijen. Waar de verzoeker schijn van partijdigheid ziet, ziet de wrakingskamer hiervan zelfs geen begin.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de beslissing dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek tot wraking af.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is op 29 september 2022 gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, A.M. van Amsterdam en J.W.M. Tromp, in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mrs. A.M. van Amsterdam en J.W.M. Tromp zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>