<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:1800</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-29T18:12:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.303.013/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:1800">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:1800</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-29T18:11:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:1800 Gerechtshof Amsterdam , 21-06-2022 / 200.303.013/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:1800:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Incident ex artikel 224 Rv tot zekerheidstelling voor proceskosten. Uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv. Appellante is in Turkije gevestigd: artikel 17 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 is van toepassing. Afwijzing incidentele vordering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:1800:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>arrest</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a9346586-ff69-48c0-88f9-6f90d2c1aa49" depth="2" width="506" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9f6123c0-0496-4086-808f-57bfd22b3e48" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9734eb68-06c8-47b5-858d-c48eb5acaf69" depth="2" width="14" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 					: 200.303.013/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam		: C/13/691807 / HA ZA 20-1062</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juni 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar Turks recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ILYADA KONFEKSIYON SANAYI TICARET LIMITED SIRKETI</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Maltepe, gemeente Istanbul (Turkije),</para>
      <para>appellante in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>advocaat: mr. M. Pinarbasi-Ilbay te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BODYFASHION DISTRIBUTION B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Maassluis,</para>
      <para>geïntimeerde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het incident</para>
      <para>advocaat: mr. L. van Leeuwen te Haarlem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna Ilyada en Bodyfashion genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ilyada is bij dagvaarding van 7 oktober 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2021 voor zover dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer in conventie is gewezen tussen Ilyada als eiseres, gedaagde in het verzet (geopposeerde), en Bodyfashion als gedaagde, eiseres in het verzet (opposante).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:</para>
    </parablock>
    <para>- memorie van grieven, met producties, van Ilyada;</para>
    <para>- incidentele conclusie strekkende tot zekerheidstelling ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van Bodyfashion; </para>
    <para>- conclusie van antwoord in het incident van Ilyada.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bodyfashion heeft incidenteel gevorderd dat het hof Ilyada zal bevelen om, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, binnen vier weken na het incidenteel arrest zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in de onderhavige procedure veroordeeld zou kunnen worden voor een bedrag van € 6.195,-, althans voor een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven onherroepelijke bankgarantie conform NVB-model, die ook verhaal dient te bieden voor een proceskostenveroordeling in de hoofdzaak die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, en dat het hof het geding in de hoofdzaak zal schorsen totdat Ilyada deze zekerheid heeft gesteld, met veroordeling van Ilyada in de kosten van het incident, te vermeerderen met nakosten en rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ilyada heeft geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met </para>
      <para>– uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Bodyfashion in de kosten van het incident. Verder heeft Ilyada het hof verzocht te bepalen dat het recht van Bodyfashion op het nemen van een memorie van antwoord is komen te vervallen en het hof gevraagd in de hoofdzaak arrest te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bodyfashion heeft op de voet van artikel 224 Rv zekerheidstelling voor de proceskosten verzocht. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden. Lid 2 van genoemd artikel bevat een aantal uitzonderingen op voormelde (hoofd)regel.  Artikel 224 Rv is op grond van artikel 353 in hoger beroep – behoudens in een zich hier niet voordoend uitzonderingsgeval – van overeenkomstige toepassing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Ilyada is gevestigd in Turkije en was in eerste aanleg (in conventie) eisende partij. Dit betekent dat zij ingevolge het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv in beginsel verplicht is tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. Ilyada heeft echter een beroep gedaan op de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv. Daarin is bepaald dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat indien dit voortvloeit uit een verdrag of EG-verordening. In dit verband heeft Ilyada gewezen op artikel 17 van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 (Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, Trb. 1954, 40; hierna: het Verdrag). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Zowel Turkije als Nederland is partij bij het Verdrag. Artikel 17 lid 1 van het Verdrag luidt: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden.”</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat Ilyada statutair in Turkije is gevestigd. Daarmee staat vast dat Ilyada in Turkije domicilie heeft. Omdat zij, voorts, als onderdaan van die staat in de zin van het Verdrag moet worden aangemerkt, slaagt het beroep van Ilyada op artikel 17 lid 1 van het Verdrag. De incidentele vordering tot zekerheidstelling van Bodyfashion zal dan ook worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bodyfashion zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Ilyada heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge het bepaalde in artikel 1.7 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven het recht van Bodyfashion op het nemen van een memorie van antwoord is vervallen. Bodyfashion heeft deze memorie immers, ook nadat aan haar uitstel was verleend, niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. Het hof volgt Ilyada hierin niet. De enkele omstandigheid dat Bodyfashion binnen de aan haar daarvoor verleende en reeds (ambtshalve) verlengde termijn geen memorie van antwoord heeft ingediend maar de onderhavige incidentele vordering heeft ingesteld, brengt niet mee dat op grond van (artikel 1.7 van) genoemd procesreglement haar recht op het indienen van die memorie is komen te vervallen. Het hof ziet in deze omstandigheid echter wel aanleiding om de termijn voor het verrichten van die proceshandeling door Bodyfashion te verkorten van zes naar vier weken en zal de hoofdzaak daartoe naar de rol verwijzen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verwijst de zaak naar de rol van 19 juli 2022 voor het nemen van een memorie van antwoord door Bodyfashion;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, L. Alwin en H. Struik en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>