<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:1776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-17T08:52:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-002588-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:1776">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:1776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-17T08:50:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:1776 Gerechtshof Amsterdam , 25-05-2022 / 23-002588-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:1776:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Jeugdzaak. Bevestiging. Hoewel mishandeling in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf rechtvaardigt, acht het hof dit niet opportuun. Het feit heeft enige tijd geleden plaatsgevonden. Verhoudingen tussen moeder en zoon zijn inmiddels genormaliseerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:1776:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>afdeling strafrecht</para>
    <para>parketnummer: 23-002588-21 </para>
    <para>datum uitspraak: 25 mei 2022 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>TEGENSPRAAK </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 21 september 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-215081-20 tegen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte]
      </emphasis>,</para>
    <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, </para>
    <para>adres: [adres].</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Oplegging van straf</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De politierechter heeft in eerste aanleg  met toepassing van het zogenaamde adolescentenstrafrecht de verdachte voor het bewezenverklaarde veroordeeld tot één week voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren en het verrichten van 60 uren werkstraf, subsidiair 30 dagen jeugddetentie en één week voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof toepassing geeft aan het volwassenenstrafrecht en dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 1 week voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft primair vrijspraak gevorderd en heeft het hof verzocht in het geval van een bewezenverklaring toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ernst van het feit</emphasis>
      </para>
      <para>De verdachte heeft zich tijdens een ruzie schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn moeder. Daarmee heeft hij  inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De verdachte heeft fysiek geweld tegen zijn moeder gebruikt in een mate dat zij daarvan pijn en letsel heeft ondervonden en zelfs in het ziekenhuis moest worden behandeld. Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en waarvan de oplegging haar weerslag heeft gevonden in de oriëntatiepunten van de LOVS. Daarin wordt voor een first offender van eenvoudige mishandeling een geldboete geïndiceerd. Het mishandelen van een familie- en/of gezinslid is strafverzwarend. Voor dat soort feiten worden in beginsel geen geldboetes opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toepassing volwassenstrafrecht</emphasis>
      </para>
      <para>De verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 21 jaar en dus meerderjarig. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een meerderjarige wordt berecht volgens het volwassenenstrafrecht. Op grond van  de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan kan bij jongeren tussen de 18 en 23 jaar van dit uitgangspunt worden afgeweken en toepassing worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht.</para>
      <para>De reclassering heeft in haar advies van 1 april 2021 geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft acht geslagen op bovengenoemd rapport, maar is van oordeel dat er geen reden is om af te wijken van de het uitgangspunt het volwassenenstrafrecht toe te passen. Het hof ziet in het rapport van de reclassering geen bijzonderheden die een dergelijke afwijking rechtvaardigen en acht het advies van de reclassering onvoldoende onderbouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Persoonlijke omstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para>In het voordeel van de verdachte weegt het hof bij het bepalen van de straf mee dat uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de reclassering en verdediging naar voren is gebracht, blijkt dat de verdachte zijn leven op een positieve wijze heeft weten op te bouwen. De verdachte heeft zijn opleiding afgerond en werkt inmiddels fulltime als [werk]. De verdachte heeft hierdoor een stabiel inkomen. De relatie met zijn moeder lijkt te zijn verbeterd, getuige ook het feit dat moeder en zoon in de zomer enkele weken samen hebben gereisd. Deze positieve ontwikkelingen dragen bij aan het beperken van het recidiverisico.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel mishandeling in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf rechtvaardigt, acht het hof dit thans niet opportuun. Daarbij weegt het hof mee dat het feit enige tijd geleden heeft plaatsgevonden en dat de verhoudingen tussen moeder en zoon inmiddels zijn genormaliseerd. Om de verdachte ervan te doordringen de lijn die hij heeft ingezet, delictvrij, voort te zetten zal het hof als stok achter de deur een voorwaardelijke straf aan de verdachte opleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alles afwegende acht het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b 14c, 22c, 22d, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen met betrekking tot de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van <emphasis role="bold">40 (veertig) uren</emphasis>, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van <emphasis role="bold">2 (twee) jaren</emphasis> aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. D. Radder en mr. J. Steenbrink, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg en D.A.C. Chaigneau, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De oudste en jongste raadsheer en de griffiers zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>=========================================================================</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>