<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2022:1505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:46:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/00127 tot en met 21/00129</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2022/1435</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2022/37.18.37</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022060814</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-1692</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:1505">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2022:1505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-23T11:49:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2022:1505 Gerechtshof Amsterdam , 17-05-2022 / 21/00127 tot en met 21/00129</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2022:1505:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>IB/PVV; dieetkosten; IMSV.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2022:1505:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>kenmerken 21/00127 tot en met 21/00129</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>17 mei 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het hoger beroep van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis> de inspecteur, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>alsmede</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het incidenteel hoger beroep van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [X]
        </emphasis>, woonachtig te [Z] , belanghebbende,</para>
      <para>gemachtigde: J.A. Klaver</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak in de zaken met de kenmerken HAA 19/4400 tot en met HAA 19/4402 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 11 november 2017 voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.944. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 11 november 2017 voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.425. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.1.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 11 november 2017 voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.463. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij brief van 20 december 2017 bezwaar gemaakt tegen de bovenstaande navorderingsaanslagen (hierna ook: de navorderingsaanslagen). De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar voor de navorderingsaanslagen gegrond verklaard en de navorderingsaanslagen verminderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Bij haar uitspraak van 16 december 2020 heeft de rechtbank het volgende beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank:</para>
        <para>- verklaart het beroep met zaaknummer HAA 19/4400 (<emphasis role="italic">Hof: navordering 2012</emphasis>) ongegrond;</para>
        <para>- verklaart de beroepen met zaaknummers HAA 19/4401 (<emphasis role="italic">Hof: navordering 2013</emphasis>) en HAA 19/4402 (<emphasis role="italic">Hof: navordering 2014</emphasis>) gegrond;</para>
        <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de jaren 2013 en 2014;</para>
        <para>- vermindert de navorderingsaanslag over het jaar 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.850 en de navorderingsaanslag over het jaar 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.425;</para>
        <para>- vermindert de beschikking inzake belastingrente voor de jaren 2013 en 2014 dienovereenkomstig;</para>
        <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 1.000;</para>
        <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050; en</para>
        <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Het tegen deze uitspraak door de inspecteur ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 januari 2021 en is nader aangevuld bij brief van 22 februari 2021. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De inspecteur heeft bij brief van 6 juli 2021 zijn zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="underline">Feiten</emphasis></para>
      <para>1. Eiser is gehuwd met [naam partner] en heeft een zoon, genaamd [naam zoon] , geboren op [geboortedatum] (de zoon).”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof zal ook van deze feiten uitgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Geschil in hoger beroep en incidenteel hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. In het bijzonder is in geschil of de rechtbank de immateriële schadevergoeding correct heeft vastgesteld. </para>
        <para>In het incidenteel hoger beroep is aan de orde of belanghebbende aftrek toekomt ter zake van de (gestelde) dieetkosten.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het oordeel van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vervoerskosten</emphasis>
      </para>
      <para>3. Eiser stelt dat hij zeer veel tijd heeft besteed en zeer veel kosten heeft moeten</para>
      <para>maken omdat de zoon leed aan chronische nierinsufficiëntie. De zoon stond onder</para>
      <para>behandeling van medisch specialisten in het AMC en was daar onder controle, zeker nadat</para>
      <para>hij in 2011 een donornier had gekregen. Voordien onderging hij twee maal per week</para>
      <para>dialyse. Eiser heeft voor zijn zoon de apotheek van het AMC bezocht. Volgens eiser zijn de</para>
      <para>kosten die hij voor die bezoeken heeft gemaakt aftrekbaar, als er sprake is van het ophalen</para>
      <para>van een door de arts voorgeschreven medicijn, hetgeen volgens hem het geval is. Uit de</para>
      <para>door hem overgelegde stukken van de verzekeraar blijkt dat hij de medicijnen in het AMC</para>
      <para>heeft afgehaald. De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden waar verweerder naar verwijst,</para>
      <para>heeft volgens eiser uitsluitend betrekking op handverkoop door de apotheek, niet op</para>
      <para>verkoop van voorgeschreven medicijnen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Uitgaven voor reizen naar de apotheek vallen volgens verweerder niet onder artikel</para>
      <para>6.17, eerste lid, letter b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2012-2014; Wet IB</para>
      <para>2001), omdat het niet gaat om reizen naar de arts of het ziekenhuis. Verweerder verwijst in</para>
      <para>dit verband naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari</para>
      <para>2018, ECLI:NL:GHARL:2018:886. Bovendien betwist verweerder dat eiser de medicijnen</para>
      <para>heeft opgehaald in het AMC, aangezien dat ook mogelijk is in de eigen apotheek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter b, van de Wet IB 2001</para>
      <para>behoren uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer tot de uitgaven</para>
      <para>voor specifieke zorgkosten. Uit de parlementaire behandeling van deze bepaling leidt de</para>
      <para>rechtbank af dat daaronder vallen alle uitgaven voor vervoer, voor zover ten opzichte van</para>
      <para>een vergelijkbare gezonde persoon vanwege ziekte of invaliditeit hogere vervoerskosten</para>
      <para>worden gemaakt (Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3, p. 47). Naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank vallen onder deze ruime definitie ook hogere vervoerskosten die worden gemaakt</para>
      <para>om medicijnen tegen ziekte of invaliditeit op te halen bij de apotheek. Noch in de tekst van</para>
      <para>deze bepaling, noch in de toelichting daarop leest de rechtbank een beperking tot uitgaven</para>
      <para>die zijn gedaan voor vervoer naar een arts of ziekenhuis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Tussen partijen is niet in geschil dat de zoon leed aan een nieraandoening die kan</para>
      <para>worden aangemerkt als een ziekte en dat voor hem een medische noodzaak bestond</para>
      <para>medicijnen te gebruiken. Wel verschillen zij van inzicht over het antwoord op de vraag of eiser de medicijnen heeft opgehaald in het AMC. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn</para>
      <para>stelling op dit punt verwezen naar een uitdraai van zorgverzekeraar Univé over de</para>
      <para>declaraties door de zoon in de jaren 2013 en 2014 en naar een medicatie-overzicht van het</para>
      <para>AMC voor de zoon tot en met 24 november 2017. Zowel het uit het medicatie-overzicht als</para>
      <para>uit de uitdraaien van de zorgverzekeraar kunnen data worden afgeleid waarop voor de zoon</para>
      <para>medicijnen zijn afgehaald. Het medicatie-overzicht vermeldt daarbij telkens alleen de start</para>
      <para>van de medicatie en de laatste verstrekking. De in het medicatie-overzicht vermelde data</para>
      <para>keren grotendeels terug in de uitdraai van de zorgverzekeraar. De rechtbank acht op basis</para>
      <para>van deze stukken aannemelijk dat eiser in de onderhavige jaren diverse malen in de</para>
      <para>apotheek van het AMC medicijnen heeft opgehaald voor de zoon. Wel vallen de data</para>
      <para>waarop de medicijnen zijn afgehaald voor een groot deel samen met data waarop eiser het</para>
      <para>AMC heeft bezocht voor een andere afspraak, met betrekking tot welke verweerder de</para>
      <para>vervoerskosten reeds in aftrek heeft toegelaten. Daarmee rekening houdend komt de</para>
      <para>rechtbank tot het oordeel dat eiser recht heeft op aftrek van vervoerskosten voor de</para>
      <para>bezoeken aan de apotheek van het AMC op 5 juli 2013, 27 december 2013, 2 mei 2014 en</para>
      <para>4 juli 2014. Tussen partijen is niet in geschil dat die kosten neerkomen op 116,6 km * € 0,35</para>
      <para>= € 40,81 per bezoek. De rechtbank zal daarom de navorderingsaanslagen over de jaren</para>
      <para>2013 en 2014 verminderen, elk met 2 * € 40,81 = € 81,62.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dieetkosten</emphasis>
      </para>
      <para>7. Eiser betoogt dat de zoon als gevolg van chronische nierproblemen, waarvoor hij</para>
      <para>— tot hij in 2011 een niertransplantatie onderging — twee keer per week dialyse moest</para>
      <para>ondergaan, een nierdieet moet volgen. Verweerder heeft aftrek daarvan ten onrechte niet</para>
      <para>toegestaan. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst hij naar een dieetverklaring van de</para>
      <para>huisarts en adviezen van diëtisten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. De door eiser opgevoerde dieetkosten zijn volgens verweerder niet aftrekbaar,</para>
      <para>omdat de overgelegde dieetverklaring geen ingangsdatum vermeldt. De stukken uit 2009 en</para>
      <para>2011 die eiser heeft overgelegd kunnen niet worden aangemerkt als het voorschrift van een</para>
      <para>arts; het gaat volgens verweerder om dieetadviezen. Volgens verweerder kan bovendien uit</para>
      <para>de stukken van de diëtisten niet worden afgeleid hoe de benodigde hoeveelheid</para>
      <para>voedingsstoffen (zoals eiwitten) is berekend, omdat het slechts voorbeeldmenu's zijn voor</para>
      <para>ontbijt, lunch en diner. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van</para>
      <para>voorschriften in de zin van artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001</para>
      <para>(tekst 2012-2014; URIB 2001).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en letter f, van de Wet IB 2001</para>
      <para>behoren tot de uitgaven voor specifieke zorgkosten onder meer de uitgaven die wegens</para>
      <para>ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor de extra kosten van een op medisch voorschrift</para>
      <para>gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling. In artikel 6.17, zevende lid,</para>
      <para>van de Wet IB 2001 wordt met een medisch voorschrift gelijkgesteld een voorschrift van</para>
      <para>een persoon die bevoegd is tot het voeren van de titel diëtist. Artikel 6.17, achtste lid, van de</para>
      <para>Wet IB 2001 bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld met</para>
      <para>betrekking tot de inhoud van het bedoelde voorschrift. Hieraan is invulling gegeven in</para>
      <para>artikel 37 van de URIB 2001. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat het voorschrift ten</para>
      <para>minste de volgende informatie moet bevatten:</para>
      <para>a. gegevens waaruit blijkt dat degene die het voorschrift afgeeft medicus of diëtist</para>
      <para>is;</para>
      <para>b. naam, praktijkadres, telefoonnummer en handtekening van de medicus of diëtist</para>
      <para>die het voorschrift afgeeft;</para>
      <para>c. naam, adres en burgerservicenummer van de persoon aan wie het dieet is</para>
      <para>voorgeschreven;</para>
      <para>d. het ziektebeeld en de aandoening van de persoon, bedoeld in onderdeel e, en de</para>
      <para>dieettypering van het voorgeschreven dieet;</para>
      <para>e. de dagtekening van het voorschrift, de ingangsdatum van het te volgen dieet en</para>
      <para>indien van toepassing de einddatum van het te volgen dieet.</para>
      <para>10. Het geschilpunt met betrekking tot de dieetkosten concentreert zich op de vraag of</para>
      <para>de door eiser overgelegde stukken voldoen aan de vereisten van artikel 37 van de URIB. De</para>
      <para>rechtbank zal dit voor al de stukken nalopen. Dat deze stukken geen van alle uitdrukkelijk</para>
      <para>als `voorschrift' zijn betiteld, doet daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake.</para>
      <para>Naar het om gaat, is dat de medicus of diëtist die het stuk heeft opgemaakt, daarin</para>
      <para>beroepshalve aandringt op het volgen van liet desbetreffende dieet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- Voedingsadvies van diëtist 1. [A] , opgemaakt op 9 juli 2009. Het betreft</para>
      <para>een eiwitbeperkt en energieverrijkt dieet bij predialyse. De rechtbank acht dit</para>
      <para>advies voor de onderhavige zaken niet relevant, omdat het is bestemd voor de</para>
      <para>periode van predialyse, die voorafgaat aan dialyse of transplantatie. De medische</para>
      <para>situatie van de zoon is gewijzigd door de transplantatie in 2011, zodat een ouder</para>
      <para>dieet voor predialyse niet zonder meer kan worden gebruikt ter onderbouwing van</para>
      <para>dieetkosten in de jaren 2012-2014. Dat geldt zeker nu de zoon in verband met de</para>
      <para>transplantatie nieuwe dieetadviezen heeft gekregen.</para>
      <para>- Dieetadvies na niertransplantatie, opgemaakt door diëtist 1. [A] op 12 mei</para>
      <para>2011. De rechtbank kan uit deze verklaring niet de dieettypering van het</para>
      <para>voorgeschreven dieet opmaken.</para>
      <para>- Voorbeeld dagmenu bij overgewicht na niertransplantatie, opgemaakt door diëtist</para>
      <para>
        [B] te Amsterdam op 15 december 2011. Naar het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank bevat deze verklaring niet de dieettypering van het voorgeschreven dieet.</para>
      <para>Het enkele feit dat in het menu wordt aangeraden de warme maaltijd zonder zout te</para>
      <para>bereiden is daarvoor onvoldoende.</para>
      <para>- Dieetbevestiging 2015, ondertekend door huisarts [C] te [Z] op 14</para>
      <para>november 2016. Blijkens deze verklaring moet de zoon van eiser zich `permanent'</para>
      <para>houden aan dieet nr. 28 (eiwitverrijkt in combinatie met natriumbeperkt, wegens</para>
      <para>chronische nierinsufficiëntie met hemodialyse/peritoneale dialyse). Naar het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring niet aan het vereiste dat het</para>
      <para>voorschrift de ingangsdatum van liet dieet vermeldt. Bovendien is de verklaring</para>
      <para>blijkens de titel daarvan niet afgegeven voor de onderhavige jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van liet voorgaande komt de rechtbank tot liet oordeel dat de door eiser overgelegde bewijsstukken niet voldoen aan de vereisten van artikel 37 van de URIB 2001, zodat verweerder terecht de aftrek van dieetkosten heeft geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Correctiebeleid</emphasis>
      </para>
      <para>11. Voor het geval de rechtbank een of meer van de navorderingsaanslagen vermindert</para>
      <para>tot een bedrag lager dan € 450 of de inkomenscorrecties die daaraan ten grondslag liggen tot</para>
      <para>een bedrag minder dan € 1.000, doet eiser een beroep op het correctiebeleid van verweerder.</para>
      <para>De rechtbank komt aan de behandeling van deze stelling niet toe, omdat de</para>
      <para>navorderingsaanslagen in beroep niet in bedoelde mate worden verminderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
      </para>
      <para>12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep met zaak HAA 19/4400 ongegrond te worden verklaard en de beroepen met zaaknummers HAA 19/4401 en HAA 19/4402 gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek om vergoeding van immateriële schade</emphasis>
      </para>
      <para>13. Eiser heeft verzocht van vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.</para>
      <para>14. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. In deze procedure heeft verweerder zich beroepen op een omstandigheid die</para>
      <para>aanleiding geeft voor verlenging van de redelijke termijn. Bij brief van 6 april 2018 heeft</para>
      <para>verweerder de gemachtigde van eiser voorgesteld om de bezwaren over de jaren 2012-2014</para>
      <para>aan te houden tot zou zijn beslist op het beroep van eiser over het jaar 2015 en daartoe de</para>
      <para>beslistermijn voor het bezwaar te verlengen tot twee maanden na de uitspraak op het beroep.</para>
      <para>De brief eindigt als volgt: "Indien u hier niet mee akkoord gaat, kunt u mij dit schriftelijk</para>
      <para>laten weten. Indien u niet akkoord gaat, zal ik het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk in</para>
      <para>behandeling nemen." Eiser heeft op deze brief niet gereageerd, maar betwist akkoord te zijn</para>
      <para>gegaan met verlenging van de beslistermijn voor het bezwaar. Verweerder heeft de</para>
      <para>behandeling van het bezwaar aangehouden tot de intrekking van het beroep over het jaar</para>
      <para>2015 ter zitting op 10 augustus 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze gang van zaken geen aanleiding</para>
      <para>voor verlenging van de redelijke termijn. Uit de uitspraken van de Centrale Raad van</para>
      <para>Beroep van 19 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8447, no. 4.2.6 en 21 januari</para>
      <para>2020, ECLI:NL:CRVB:2020:122, r.o. 4.5 maakt de rechtbank op dat instemming voor</para>
      <para>verder uitstel als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet</para>
      <para>mag worden verondersteld: zij moet uitdrukkelijk worden gevraagd en uitdrukkelijk worden</para>
      <para>verleend. Dat laatste is in deze zaken niet gebeurd. Daar komt nog bij dat de enkele</para>
      <para>instemming met verder uitstel als hiervoor bedoeld, zou die al zijn verleend, de redelijke</para>
      <para>termijn niet verlengt zonder dat een bijzondere omstandigheid daarvoor een rechtvaardiging</para>
      <para>biedt (zie het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1574, no.</para>
      <para>3.3). Dat betekent dat de duur van de redelijke termijn voor de uitspraak in eerste aanleg in</para>
      <para>dit geval tweejaar bedraagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. De berechting van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door verweerder op 27 december 2017 en geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 16 december 2020. De voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn bedraagt derhalve afgerond zesendertig maanden. De redelijke termijn is daarom in beginsel overschreden met afgerond twaalf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. De overschrijding met afgerond twaalf maanden is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase, die is voltooid toen verweerder met dagtekening 24 juli 2019 uitspraak op bezwaar deed. Verweerder dient de gehele schadevergoeding te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
      <para>20. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze zaak aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vooraf </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>In zijn hoger beroep had de inspecteur aanvankelijk betoogd dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de vervoerskosten voor de bezoeken aan de apotheek van het AMC. Ter zitting van het Hof hebben partijen nader eenparig verklaard dat zij niet meer twisten over de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van de vervoerskosten voor de bezoeken aan de apotheek van het AMC en over de hoogte van deze kosten. De conclusie van partijen is dat belanghebbende deze aftrek toekomt en dat bij de vaststelling van de kosten de rechtbank abusievelijk niet de factor 1,4 heeft gehanteerd. Dit brengt mee dat het belastbare inkomen uit werk en woning voor 2013 en 2014 nader dient te worden vastgesteld op € 8.817 respectievelijk € 8.392. Het Hof ziet geen aanleiding om partijen hierin niet te volgen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dieetkosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>In incidenteel hoger beroep betoogt belanghebbende dat de zoon een nierdieet (zie ook rechtsoverweging 7 van de rechtbank) heeft gevolgd waarvoor recht op aftrek bestaat. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst hij naar een dieetverklaring van de huisarts en adviezen van diëtisten (zie onder rechtsoverweging 9 van de rechtbank).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat geen recht op aftrek bestaat nu de door belanghebbende overgelegde bewijsstukken, ook indien deze in onderlinge samenhang worden beschouwd, niet leiden tot de conclusie dat daarmee aan de vereisten van artikel 37 van de URIB 2001 (in samenhang met het bepaalde in artikel 6.17 van de Wet IB 2001) is voldaan. Hetgeen de rechtbank in rechtsoverwegingen 9 en 10 heeft overwogen en beslist neemt het Hof over en maakt het tot de zijne. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vergoeding van immateriële schade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>In zijn hoger beroep heeft de inspecteur betoogd dat de door de rechtbank vastgestelde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn te hoog is. Volgens de inspecteur is sprake van een bijzondere omstandigheid welke verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Er is volgens hem, kortgezegd, sprake van verknochtheid met de zaak van belanghebbende uit 2015 en gemachtigde is stilzwijgend akkoord gegaan met het aanhouden van deze zaken tot na de afwikkeling van de zaak over 2015. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat de gang van zaken omtrent het uitstel in verband met de zaak van belanghebbende over 2015 (zie rechtsoverweging 15 van de rechtbank) geen aanleiding is voor verlenging van de redelijke termijn en de inspecteur dient te worden veroordeeld in het betalen van een schadevergoeding van € 1.000. Hetgeen door de rechtbank in rechtsoverweging 15 tot en met 19 is overwogen acht het Hof juist en neemt het Hof over. Het Hof merkt voorts op dat hetgeen door de inspecteur naar voren is gebracht omtrent de verknochtheid van deze zaken met de zaak van belanghebbende over 2015 niet slaagt. De in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (het overzichtsarrest) bedoelde rechtvaardiging wegens verknochtheid ziet op gevallen waarin de rechter voor de beslissing van de zaak kennis moet nemen van gedingstukken van een of meer andere zaken en zich daarbij een oordeel moet vormen over hetgeen in die andere zaak of die andere zaken aan de orde is (zie rechtsoverweging 2.3 van het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623). Dat daar bij de onderhavige zaken sprake van zou zijn, is niet gebleken en voorts is de enkele omstandigheid dat een gemachtigde in verschillende zaken standaard, al dan niet in dezelfde volgorde, dezelfde stellingen aanvoert, onvoldoende om een dergelijke verknochtheid aan te nemen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De slotsom is dat de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden en er dient te worden beslist als hierna is vermeld.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Kosten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien belanghebbende zich in hoger beroep met succes heeft verweerd tegen de door de inspecteur aangevoerde grieven aangaande de kosten van vervoer (zie 5.1) acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de (proces)kosten in hoger beroep van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.</para>
      <para>De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit. Voor het onderhavige geval zijn dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op 2 punten (1 punt verweerschrift en 1 punt bijwonen zitting) x € 759 x 1 (wegingsfactor) = € 1.518.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para>- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de navorderingsaanslag 2012, de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en de griffierechten;</para>
    <para>- verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 2013 en 2014;</para>
    <para>- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.817 en de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.392;</para>
    <para>- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.518.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, J-P.R. van den Berg en W.M.C. Schipper, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman, als griffier. De beslissing is op 17 mei 2022 in het openbaar uitgesproken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. </emphasis></para>
      <para>Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan<emphasis role="bold"> de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag</emphasis>. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;</para>
    <para>2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;</para>
    <para>3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>              a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>              b. de dagtekening;</para>
      <para>              c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;</para>
      <para>             d. de gronden van het beroep in cassatie.</para>
      <para>Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toelichting rechtsmiddelverwijzing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Digitaal procederen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op <emphasis role="underline">www.hogeraad.nl</emphasis>. </para>
      <para>Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Per post procederen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan <emphasis role="bold">de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>