<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2021:627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T09:26:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.282.490/01 NOT</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2021-0093</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2021/124</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:627">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-26T10:57:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2021:627 Gerechtshof Amsterdam , 23-03-2021 / 200.282.490/01 NOT</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2021:627:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Klacht tegen een notaris. Belanghebbendebegrip ex art. 99 lid 1 Wna. Bevat testament overbodige bepalingen? Leidt iedere fout van notaris tot schending zorgvuldigheidsnorm art. 93 Wna? Klacht ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2021:627:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beslissing</para>
    <para>___________________________________________________________________ _ _</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer	: 200.282.490/01 NOT</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>nummer eerste aanleg	: SHE/2019/64</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 maart 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [klager 1] ,</title>
    <para>wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,</para>
    <para>2.  <emphasis role="bold">[klager 2]</emphasis>,</para>
    <para>wonend te [woonplaats] ,</para>
    <para>3.  <emphasis role="bold">[klager 3]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,</para>
      <para>appellanten,</para>
      <para>gemachtigde: [gemachtigde] , voornoemd,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [notaris]
        </emphasis>,</para>
      <para>notaris te [plaats] ,</para>
      <para>geïntimeerde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna klagers (respectievelijk klager 1, klager 2 dan wel klager 3) en de notaris genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Klagers hebben op 19 augustus 2020 een beroepschrift - met bijlage - en op 3 november 2020 een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 22 juli 2020 (ECLI:NL:TNORSHE:2020:17). De notaris heeft op 19 november 2020 een verweerschrift bij het hof ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het hof heeft voorts de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 januari 2021. De notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd. Kort voor de zitting heeft klager 1 het hof geïnformeerd dat hij wegens ziekte de zitting niet kon bijwonen. Om klagers de gelegenheid te geven mondeling te worden gehoord, is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet op 14 januari 2021. Deze mondeling behandeling heeft plaatsgevonden door middel van een online zitting, waaraan zowel klager 1, klager 2 als de notaris deelnamen. Allen hebben het woord gevoerd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan komen de feiten neer op het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De heer [X] (hierna: vader) is de vader van klager 2 en klager 3. Vader was gehuwd met de moeder van klager 2 en klager 3. Hun huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Vader is hertrouwd met mevrouw [Y] (hierna: de echtgenote). Moeder is hertrouwd met klager 1. Klager 1 is een gepensioneerde notaris.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 3 februari 2017 heeft vader een testament gemaakt, dat is gepasseerd door de notaris. Bij dit testament heeft vader de echtgenote en zijn twee kinderen (klager 2 en klager 3) tot zijn enige erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel. Verder heeft vader bepaald dat de wettelijke verdeling van afdeling 1, titel 3, Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt. In vaders testament (hierna ook: het testament) staat onder andere het volgende vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">(…)</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">4.	Bij scheiding geen rechten/bevoegdheden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik sluit mijn echtgenote uit van alle rechten of bevoegdheden die zij ontleent aan dit testament op grond van erfgenaamschap of een andere hoedanigheid, als:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	op het moment van mijn overlijden een echtscheiding of scheiding van tafel en bed tussen mij en mijn echtgenote is ingetreden; of</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	vóór mijn overlijden ten aanzien van het huwelijk van mij en mijn echtgenote een procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed is aangevangen.</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">HOOFDSTUK 2. MIJN ERFGENAMEN</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">1.	Wie erfgenamen zijn</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">a.	Aanwijzen erfgenamen bij overlijden vóór echtgenote</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor het geval ik eerder overlijd dan mijn echtgenote, benoem ik tot mijn erfgenamen, ieder voor een gelijk deel: mijn echtgenote en ieder van mijn kinderen. Ik verklaar de wettelijke regels van plaatsvervulling van toepassing op mijn afstammelingen. Er is geen plaatsvervulling ten aanzien van een onwaardige persoon.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor het geval de erfstelling ten aanzien van mijn kinderen en verdere afstammelingen geen effect heeft, benoem ik mijn echtgenote tot mijn enig erfgenaam.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">b.	Aanwijzen erfgenamen bij overlijden tegelijk met of na echtgenote</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor het geval de erfstelling ten aanzien van mijn echtgenote geen effect heeft, benoem ik mijn kinderen tot mijn erfgenamen, ieder voor een gelijk deel. Ik verklaar de wettelijke regels van plaatsvervulling van toepassing op mijn afstammelingen. Er is geen plaatsvervulling ten aanzien van een onwaardig persoon.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">3.	Vrijstelling inbreng</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik stel mijn afstammelingen vrij van de verplichting tot inbreng van de waarde van giften in mijn nalatenschap. Dit geldt niet als een verplichting tot inbreng bij de gift is opgelegd.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">HOOFDSTUK 3. LEGAAT</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor het geval ik overlijd na of tegelijk met mijn echtgenote, legateer ik, af te geven binnen zes (6) maanden na mijn overlijden, aan ieder van mijn stiefkleinkinderen, een som in contanten ter grootte van het voor ieder van hen van erfbelasting vrijgestelde bedrag overeenkomstig het ten tijde van mijn overlijden bepaalde in artikel 32 lid 1 onder 4d Successiewet 1956 of een daarvoor in de plaats getreden regeling. De hoogte van het bedrag van dit legaat is dus afhankelijk van eventueel andere (fictieve) verkrijgingen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De legaten zijn opeisbaar zes (6) maanden na mijn overlijden. Aan deze legaten is de voorwaarde verbonden dat de desbetreffende legataris niet als erfgenaam in mijn nalatenschap is gerechtigd en mijn nalatenschap niet als erfgenaam heeft verworpen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De legaten komen ten laste van de verkrijging van het kind van mij dat de ouder van het betreffende kleinkind is.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">HOOFDSTUK 4. BEWIND</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Instelling, duur en strekking bewind</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik stel een bewind in over alle door mij aan ieder van mijn stiefkleinkinderen (hierna te noemen: de rechthebbende) nagelaten of vermaakte goederen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bewind wordt mede ingesteld omdat de rechthebbende ongeschikt of onmachtig is in het beheer te voorzien en/of dat zonder bewind de goederen hoofdzakelijk aan de schuldeisers van de rechthebbende ten goede zouden komen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Benoeming bewindvoerder</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik benoem tot bewindvoerder mijn kind dat de ouder is van mijn desbetreffende kleinkinderen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Einde van het bewind</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het bewind eindigt:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	ten aanzien van de rechthebbende die de leeftijd van drie en twintig (23) jaar heeft bereikt;</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">HOOFDSTUK 5. VERDELING VAN MIJN ERFENIS</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor het geval ik eerder overlijd dan mijn echtgenote geldt de wettelijke verdeling van afdeling 1, titel 3, Boek 4 Burgerlijk Wetboek. Mijn echtgenote krijgt dan alle goederen van mijn nalatenschap. De voldoening van de schulden van mijn nalatenschap komt voor haar rekening. Ieder van mijn overige erfgenamen krijgt een geldvordering op mijn echtgenote, naar de waarde van zijn erfdeel.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">A.	Bepalingen wettelijke verdeling</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hierna bepaal ik - gebruikmakend van de mogelijkheden in de wet - over deze wettelijke verdeling het volgende.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">1.	Wanneer de geldvordering opeisbaar is</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De geldvordering met eventuele rente op mijn echtgenote is opeisbaar:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	bij haar overlijden;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	als zij in staat van faillissement is verklaard;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	als aan haar surseance van betaling is verleend;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	als ten aanzien van haar de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	als zij hertrouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat, tenzij daarbij huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden worden gemaakt. Deze voorwaarden moeten uitsluiting van elke huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap inhouden en mogen geen verrekenbeding in de zin van afdeling 2, titel 8, Boek 1 Burgerlijk Wetboek bevatten. Dit geldt ook na een wijziging van de voorwaarden tijdens haar huwelijk of geregistreerd partnerschap;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	als zij een verplichting tot verrekening van haar inkomen en/of vermogen aangaat;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	als zij in aanmerking komt voor financiële steun van overheidswege omdat haar inkomsten niet (meer) toereikend zijn voor de voorziening in de kosten van levensonderhoud;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">-	als zij vanwege wet- en regelgeving moet interen op haar vermogen in verband met de kosten van haar langdurige verzorging/verpleging in een verpleeg- of verzorgingstehuis als gevolg van haar blijvende lichamelijke of geestelijke gesteldheid.</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Mijn echtgenote kan het opeisbaar worden van de geldvordering voorkomen door het stellen van zekerheid voor de betaling van de hele geldvordering inclusief de op dat moment eventueel verschuldigde rente.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als mijn echtgenote onder curatele wordt gesteld of haar vermogen onder bewind wordt gesteld, verzoek ik de (kanton)rechter op een daartoe strekkend gezamenlijk verzoek van de gerechtigden tot de geldvorderingen en de curator of bewindvoerder, te bepalen dat deze geldvorderingen vermeerderd met de hierna bedoelde rente opeisbaar worden, voor zover door bedoelde uitkering de verzorging van mijn echtgenote niet in gevaar komt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Mijn echtgenote mag de geldvordering altijd vrijwillig aflossen en/of de rente betalen, geheel of gedeeltelijk. Een betaling wordt eerst in mindering gebracht op de verschuldigde rente en vervolgens op de hoofdsom, tenzij mijn echtgenote anders bepaalt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">C. 	Legaten</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Aanvullend legaat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik maak aanvullend op de wettelijke verdeling het volgende legaat:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aan mijn echtgenote legateer ik een aanvullend bedrag. Dit bedrag legateer ik onder de voorwaarde dat haar verkrijging kleiner is dan haar vrijstelling van de erfbelasting. Het bedrag van het legaat is het verschil tussen die vrijstelling en haar verkrijging. Met verkrijging bedoel ik hier de waarde van de verkrijging krachtens erfrecht volgens de Successiewet 1956 of een in de plaats getreden regeling exclusief dit legaat. Mijn echtgenote is bevoegd dit legaat geheel of gedeeltelijk te aanvaarden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Door dit legaat worden de geldvorderingen als bedoeld onder A naar evenredigheid kleiner, maar niet kleiner dan ieders vrijstelling van de erfbelasting bij mijn overlijden. Kleinkinderen worden samen als één kind aangemerkt voor de vrijstelling.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit legaat heeft geen invloed op de omvang van de erfdelen. Ik maak dit legaat zodat optimaal gebruik wordt gemaakt van de vrijstellingen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">HOOFDSTUK 6. UITVOERING VAN MIJN TESTAMENT</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">1.	Benoeming executeur</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">A. 	Echtgenote als executeur</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor het geval ik eerder overlijd dan mijn echtgenote, bepaal ik over de uitvoering van mijn testament als volgt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik benoem mijn echtgenote tot executeur.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren, de vorderingen te innen en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens haar beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De executeur is daarom, voor zover van toepassing, onder meer bevoegd de legaten af te geven en de schulden van de nalatenschap te voldoen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zij is verplicht aangifte te doen voor de erfbelasting; op grond van artikel 72 Successiewet 1956 in samenhang met artikel 47 Invorderingswet 1990 is zij aansprakelijk voor de verschuldigde erfbelasting. De executeur is bevoegd voordat zij een legaat afgeeft de daarover verschuldigde erfbelasting in te houden, als dat tenminste mogelijk is. Als de executeur de verschuldigde erfbelasting niet kan inhouden op het legaat, is zij bevoegd van de legataris te eisen dat zij de verschuldigde erfbelasting op het legaat overmaakt naar de boedelrekening, voordat de executeur het legaat aan de legataris afgeeft.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voor zover de betaling van de schulden van de nalatenschap tot haar taak behoort, is de executeur bevoegd goederen van mijn nalatenschap te gelde te maken.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De executeur kan ook als wederpartij van zichzelf optreden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De executeur heeft voor zijn werkzaamheden geen recht op loon.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">C. 	Afwikkelingsbewind</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">1. 	Benoeming bewindvoerder</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik benoem mijn echtgenote tot afwikkelingsbewindvoerder.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik ken haar in die functie de bevoegdheid toe om zelfstandig (zonder medewerking van de andere erfgenamen) de nalatenschap met inachtneming van dat wat in dit testament is bepaald, te verdelen. Ik leg mijn overige erfgenamen de last op om binnen een redelijke, door mijn echtgenote als afwikkelingsbewindvoerder te stellen termijn, op haar eerste verzoek aan een zodanige verdeling mee te werken. Mijn echtgenote is eveneens bevoegd om over de goederen van mijn nalatenschap als vertegenwoordiger van de erfgenamen te beschikken, als ware zij enig rechthebbende en derhalve zonder medewerking/toestemming/machtiging/goedkeuring van welk aard dan ook, zulks met toepassing van het beginsel van zaaksvervanging.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dit mede met als doel een soepele boedelafwikkeling te garanderen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als de afwikkelingsbewindvoerder haar taak niet volbrengt, bepaal ik dat er geen opvolgend of plaatsvervangend afwikkelingsbewindvoerder wordt benoemd. De kantonrechter kan geen opvolgend of plaatsvervangend afwikkelingsbewindvoerder benoemen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op [overlijdensdatum] is vader overleden. De echtgenote, klager 2 en klager 3 hebben de nalatenschap aanvaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij de afwikkeling van vaders nalatenschap is een geschil ontstaan tussen de echtgenote enerzijds en klager 2 en klager 3 anderzijds.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 29 augustus 2019 aan de notaris heeft klager 1, mede namens klager 2 en klager 3, een aantal stellingen geformuleerd met de vraag aan de notaris om hierop te reageren. Deze stellingen luiden als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">1. uw wist dat de heer [X] terminaal was en er geen echtscheidingsprocedure aanhangig was;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. u was bekend met het feit dat tussen de echtgenote ( [Y] ) en [X] een zeer gespannen verhouding bestond;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. u was er mee bekend dat [X] 2 kinderen had, 4 eigen kleinkinderen en 3 stiefkleinkinderen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4. de omgang van het vermogen van [X] was u bekend;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">5. u wist dat het vrijwel zeker was dan [X] [Y] niet zou overleven.</emphasis>”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 2 september 2019 heeft de notaris het volgende geantwoord aan klager 1:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Naar aanleiding van uw vragen kan ik u het volgende antwoorden:</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De heer [X] was ernstig ziek en had niet lang te leven. Voor zover mij bekend was het een normaal huwelijk. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met één van de kinderen was een moeilijke relatie, eerst na het overlijden werd mij duidelijk dat de relatie “meer dan moeilijk” was.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik wist dat er twee kinderen zijn, en vier kleinkinderen. Pas later werden de “stiefkleinkinderen” vermeld, ook daarvoor moest het legaat gelden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op dat moment is een ongelukkige redactie daarvan ontstaan.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De heer [X] had mij een indicatief beeld van zijn bezittingen geschetst.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik meen hiermee uw vragen beantwoord te hebben.</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 20 september 2019 heeft klager 1 het volgende aan de notaris bericht (met cc aan klager 2 en klager 3):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Hoewel [X] en [Y] samen geen kinderen hebben heeft u in zijn testament een opvullegaat opgenomen. Dat doe je alleen als er sprake is van een relatie met gezamenlijke kinderen ter besparing van erfbelasting. Uiteindelijk gaat toch alles naar de kinderen. Maar dat is i.c. niet het geval en dat wist u. U heeft bevestigd dat u wist dat de verhouding met in ieder geval 1 kind slecht was. [Y] heeft aangifte erfbelasting gedaan zonder melding van het legaat, De aanslag is opgelegd. Ze heeft nu ruzie met de kinderen [X] ; zij willen een boedelbeschrijving met een zakelijke waardering van de roerende zaken. Dat is zo hoog opgelopen dat [Y] een advocaat heeft ingeschakeld die schrijft iets als: “wat maken jullie je druk, want ze gaat het legaat aan zich zelf uitkeren en dan krijg je dus het van erfbelasting vrijgestelde bedrag”. De belastingdienst gaat daar niet mee akkoord. [Y] heeft daarop de kinderen [X] laten dagvaarden. In die dagvaarding staat dat u bereid bent te getuigen.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kunt u mij aantonen dat het legaat echt de wil van [X] was en dat u het hem hebt ontraden. Want een bekwaam notaris wordt n.m.m. geacht dit te doen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verder verneem ik graag van u:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- of u van mening bent dat [Y] nog executeur is;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- of u bereid bent te getuigen in een procedure tegen de kinderen [X] ?</emphasis>”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 25 september 2019 om 12:30 uur heeft de notaris het volgende geantwoord aan klager 1 (met cc aan klager 2 en klager 3):</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Met mevrouw [X] - [Y] heb ik sinds het ontstaan van de discussie omtrent de boedelbeschrijving geen contact meer gehad. Met de door haar ingeschakelde advocaat heb ik geen enkel contact gehad over deze zaak. Van het verloop van de gevoerde procedure ben ik derhalve in het geheel niet op de hoogte.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat de advocaat vermeldt dat ik bereid zou zijn te getuigen verbaast mij. Dat is mij niet gevraagd en zou ik ook niet doen, ik zal mij op mijn verschoningsrecht beroepen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik vind het vervelend dat de advocaat dit blijkbaar gedaan heeft, het zou een partijdige indruk kunnen wekken die de notaris niet betaamt, en die ook niet op zijn plaats is.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Omdat de kwestie van de boedelbeschrijving onder de rechter is, is het aan het oordeel van de rechter of mevrouw [X] - [Y] al of niet haar executeurstaak volbracht heeft. Ik zal mij van een oordeel onthouden.</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 25 september 2019 om 17:41 uur heeft klager 1 het volgende aan de notaris te kennen gegeven:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">U gaat aan een essentieel punt in mijn vorige mail voorbij.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik wil graag van u weten of u er van overtuigd bent [X] wist wat de consequenties van het legaat zouden zijn en dat u hem niet heeft ontraden dit te doen. In uw brief bij de ontwerp akte hoort u hem daarop gewezen te hebben. Verder wil ik graag van u weten of u onderzocht heeft dat [X] compos mentis was toen hij het testament tekende.</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 30 september 2019 heeft de notaris het volgende aan klager 1 geantwoord:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">De heer [X] is door mij uitgebreid voorgelicht over de inhoud van het testament, het legaat en de gevolgen daarvan.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als bedrijfsadviseur had hij reeds kennis van zaken. De heer [X] was naar mijn mening volkomen compos mentis, en overzag de strekking van één en ander. Hij was scherp en geestig. Ik had geen aanleiding hem aan een nader onderzoek te (doen) onderwerpen.</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 3 oktober 2019 heeft klager 1 aan de notaris een laatste vraag gesteld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Een laatste vraag: was de echtgenote van [X] er bij toen u het testament besprak en toen u het passeerde?</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 7 oktober 2019 heeft klager 1 aan de notaris laten weten dat klagers hebben besloten om een klacht tegen de notaris in te dienen. De concept-klacht is meegestuurd bij de e-mail aan de notaris.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 10 oktober 2019 heeft de notaris voorgesteld om een gesprek met klagers te hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 15 oktober 2019 heeft klager 1 aan de notaris geantwoord dat een gesprek geen zin heeft en dat de notaris de gelegenheid wordt gegeven om inhoudelijk op de klacht te reageren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 18 oktober 2019 heeft de notaris aan klager 1 te kennen gegeven in verband met zijn geheimhoudingsplicht geen verdere mededelingen te zullen doen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Bij e-mailbericht van 21 oktober 2019 heeft klager 1 aan de notaris medegedeeld dat de klacht aan de kamer zal worden voorgelegd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Standpunt van klagers</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klagers verwijten de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opmaken van vaders testament. De klacht van klagers bestaat uit de volgende onderdelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. In vaders testament is een aantal overbodige bepalingen opgenomen, namelijk de hiervoor onder 2.2 genoemde citaten uit het testament onder 1.4, 2.1.a, 2.1.b, 2.3, 4, 5, 5.A.1, 6.1.A en 6.C.</para>
    <para>2. Vaders testament wat betreft bepaling 4 is in strijd met de wet.</para>
    <para>3. De notaris heeft onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de onafhankelijke wilsvorming van vader.</para>
    <para>4. Het testament geeft de wil van vader niet juist weer.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kamer heeft in de bestreden beslissing klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en de klacht van klager 2 en klager 3 tegen de notaris op alle onderdelen ongegrond verklaard<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De kamer heeft geoordeeld dat klager 2 en klager 3, als kinderen en erfgenamen van vader, ontvankelijk zijn in hun klacht tegen de notaris. Verder heeft de kamer geoordeeld dat het feit dat klager 1 de stiefvader is van klager 2 en klager 3 en het feit dat hij zelf notaris is geweest, niet met zich brengen dat klager 1 een indirect of afgeleid belang heeft bij de klacht over het testament van vader. De kamer heeft klager 1 daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van enig redelijk belang als bedoeld in artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna). In het beroepschrift voert klager 1 aan wel een redelijk belang te hebben, maar hij onderbouwt dit niet verder dan te verwijzen naar het algemeen belang. Het hof acht dit niet voldoende. Dit zou de zekere begrenzing die artikel 99 lid 1 Wna beoogt aan te brengen in de kring van klachtgerechtigden illusoir maken omdat het algemeen belang nu juist een ieder raakt. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een ander oordeel rechtvaardigen. Dit betekent dat klager 1 nietontvankelijk is in zijn klacht en dat klager 2 en klager 3 wel ontvankelijk zijn in hun klacht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Klachtonderdeel 1 (overbodige bepalingen in testament)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Net als de kamer stelt het hof vast dat het enkele feit dat klager 2 en klager 3 bepalingen uit het testament overbodig vinden, nog niet maakt dat deze bepalingen ook in objectieve zin als overbodig moeten worden aangemerkt. De overtuiging van klager 2 en klager 3 dat het testament beter of anders had gemoeten, betekent volgens het hof niet dat de notaris een tuchtrechtelijk verwijt treft. Het hof overweegt, net als de kamer, dat het opnemen van deze bepalingen informatieve waarde kan hebben, niet alleen voor de testateur maar ook voor belanghebbenden bij het testament. Daarnaast is het niet onzorgvuldig van de notaris dat hij in het testament met alle omstandigheden van het geval rekening heeft willen houden, ook al was het overlijden van vader op korte termijn te verwachten. Met de kamer is het hof dan ook van oordeel dat klachtonderdeel 1 ongegrond is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Klachtonderdeel 2 (testament in strijd met de wet)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het hof ziet geen reden ten aanzien van klachtonderdeel 2 anders te oordelen dan de kamer heeft gedaan (een testamentair bewind is niet in strijd met de wet) en komt daarom ook tot ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Klachtonderdeel 3 (onafhankelijke wilsvorming van vader)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris een voldoende zorgvuldige invulling gegeven aan zijn taak om te waken voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming van vader. Klagers voeren in hun beroepschrift aan dat vader niet in staat was zijn wil te bepalen toen hij het testament maakte. Volgens klager 2 was zijn vader op dat moment al onder invloed van morfine. Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris, naar het oordeel van het hof overtuigend, verklaard over de helderheid van geest van vader voorafgaand aan en tijdens het passeren van het testament. De mogelijkheid dat vader in die periode morfine gebruikte, waarvan door klagers overigens geen bewijs is overlegd, doet aan dit oordeel niet af. Van beïnvloeding van de wil van vader door zijn echtgenote - wat daar ook van zij - is het hof evenmin gebleken. Er bestond voor de notaris daarom geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de onafhankelijke wilsvorming van vader. Ook met betrekking tot dit klachtonderdeel komt het hof, net als de kamer, tot een ongegrondverklaring.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Klachtonderdeel 4 (onjuiste weergave van vaders wil)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Met betrekking tot bepaling 3 in het testament van vader (een geldlegaat aan de stiefkleinkinderen, terwijl dit legaat ook voor de eigen kleinkinderen van vader zou zijn bedoeld), heeft de kamer geoordeeld dat deze evidente verschrijving - die feitelijk zonder verdere gevolgen is gebleven - van onvoldoende gewicht is om de notaris hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris nogmaals erkend dat de in het testament opgenomen bepaling 3 niet volledig is en dat het geldlegaat ook was bedoeld voor de eigen kleinkinderen van vader. Ook heeft de notaris toegelicht hoe de fout in het testament is geslopen. Het hof stelt vast dat er inderdaad een fout is geslopen in het testament, al is het geen evidente maar een slordige verschrijving. Deze verschrijving is echter van onvoldoende gewicht om de notaris hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken, zoals ook de kamer heeft geoordeeld. Strikt genomen is hier sprake van een fout van de notaris, maar niet een van zodanig gewicht dat sprake is van schending van de zorgvuldigheidsnorm van artikel 93 Wna.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Voor wat betreft de klacht van klager 2 en klager 3 dat het in het geheel niet de bedoeling van vader kan zijn geweest om ingeval van gelijktijdig overlijden of vóóroverlijden van zijn echtgenote aan de (stief)kleinkinderen een geldbedrag te legateren, sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat voor deze stelling van klagers geen aanwijzingen bestaan. Ook sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat de enkele stellingen van klager 2 en klager 3 - met betrekking tot de onjuiste weergave van vaders wil in bepaling 5.C en 6.C van het testament - onvoldoende zijn om daaruit af te leiden dat de weergave van vaders wil onjuist zou zijn en dat de notaris hierover een verwijt valt te maken. Het vorenstaande betekent dat het hof, net als de kamer, van oordeel is dat klachtonderdeel 4 ongegrond is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, evenals de kamer, van oordeel is dat de klacht van klager 2 en klager 3 op alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard. Het hof zal de beslissing van de kamer derhalve bevestigen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- bevestigt de bestreden beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. C.H.M. van Altena, H.T. van der Meer en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021 door de rolraadsheer.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>