<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2021:3748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-06T08:43:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.287.264/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:3748">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:3748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-06T08:35:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2021:3748 Gerechtshof Amsterdam , 23-11-2021 / 200.287.264/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2021:3748:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vordering van Armaere (deurwaarderskantoor) wegens verrichte werkzaamheden is terecht toegewezen: appellant (en niet geïntimeerde sub 2) was de wederpartij van Armaere. Vordering van geïntimeerde sub 2 wegens geldlening is voor de helft terecht en voor de helft onterecht toegewezen: geïntimeerde sub 2 was wel medeschuldenaar, maar geen hoofdelijkheid. Vordering uit onverschuldigde betaling van geïntimeerde sub 2 is terecht toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2021:3748:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM   </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>afdeling civiel recht en belastingrecht, team I</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 	: 200.287.264/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer rechtbank Amsterdam	: 8498565 CV EXPL 20-8137</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 november 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [appellant]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonend te [woonplaats] ,  </para>
      <para>appellant,</para>
      <para>advocaat: mr. E.B.R. van Griethuysen te Haarlem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>ARMAERE B.V.,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Apeldoorn,  </para>
      <para>geïntimeerde, </para>
      <para>advocaat: mr. E.J. Bijl te Deventer,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. [geïntimeerde sub 2]</emphasis>, </para>
      <para>wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,</para>
      <para>geïntimeerde,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [appellant] , Armaere en [geïntimeerde sub 2] genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] is bij exploten van dagvaarding van 16 oktober 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2020 (verder: het bestreden vonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Armaere en [geïntimeerde sub 2] als eisers en [appellant] als gedaagde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de dienende dag is tegen [geïntimeerde sub 2] verstek verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] en Armaere hebben daarna respectievelijk de volgende stukken ingediend:</para>
    </parablock>
    <para>- memorie van grieven, met een productie;</para>
    <para>- memorie van antwoord.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte is arrest gevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] heeft geconcludeerd, gezien de appeldagvaardingen, dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Armaere en [geïntimeerde sub 2] alsnog zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Armaere heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis (voor zover gewezen tussen haar en [appellant] ) zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In eerste aanleg hebben Armaere, dat een gerechtsdeurwaarderskantoor exploiteert, en [geïntimeerde sub 2] gevorderd dat [appellant] zou worden veroordeeld tot betaling van:</para>
      <para>- een bedrag van € 4.493,40, met rente, aan Armaere,</para>
      <para>- een bedrag van € 8.494,00, met rente, aan [geïntimeerde sub 2] ,</para>
      <parablock>
        <para>een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.</para>
        <para>
          [appellant] is weliswaar in rechte verschenen, maar heeft geen verweer gevoerd. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen, voor zover thans van belang, als niet weersproken toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Daartegen komt [appellant] in dit hoger beroep op.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grief I</emphasis> bevat geen klacht, <emphasis role="underline">grief II</emphasis> mist zelfstandige betekenis. Deze grieven zullen daarom onbehandeld blijven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vordering van [geïntimeerde sub 2]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grief IV</emphasis> houdt in dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van [geïntimeerde sub 2] heeft toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In eerste aanleg heeft [geïntimeerde sub 2] aan zijn vordering onder meer ten grondslag gelegd dat hij [appellant] op 26 mei 2019 een bedrag van € 2.500,00 en op 26 juli 2019 een bedrag van € 4.800,00 heeft uitgeleend en dat [appellant] weigerachtig is deze bedragen – in totaal € 7.300,00 – aan hem terug te betalen, zodat [appellant] tot betaling van deze bedragen moet worden veroordeeld. Voorts heeft [geïntimeerde sub 2] (terug)betaling van een bedrag van € 1.194,00 van [appellant] gevorderd. [geïntimeerde sub 2] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij dit bedrag aan [appellant] heeft betaald opdat deze dat zou betalen aan Armaere. Armaere had namelijk kosten wegens rechtsbijstand gemaakt ten behoeve van [geïntimeerde sub 2] in verband met een door deze tegen de ex-echtgenote van [appellant] , [X] (verder: [X] ), eveneens over deze geldlening gevoerde procedure. Omdat [appellant] dit bedrag echter niet aan Armaere heeft betaald, heeft [geïntimeerde sub 2] het als onverschuldigd betaald van hem teruggevorderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op de toewijzing van laatstgemeld bedrag door de kantonrechter heeft de onderhavige grief geen betrekking. Integendeel, [appellant] erkent de verschuldigdheid van dit bedrag en “wenst dit bedrag (…) spoedig te voldoen aan [geïntimeerde sub 2] ”. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Tegen de toewijzing van de bedragen van € 2.500,00 en € 4.800,00 voert [appellant] in hoger beroep aan dat [geïntimeerde sub 2] deze bedragen niet aan hem, maar aan [X] heeft uitgeleend: de verstrekking van deze gelden heeft plaatsgevonden op de bankrekening van [X] . [appellant] woonde toentertijd weliswaar nog samen met [X] en deze heeft met die gelden onder meer de huur betaald, maar dat maakt [appellant] nog niet (hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van [X] . [geïntimeerde sub 2] dient deze bedragen dan ook van [X] (terug) te vorderen, aldus [appellant] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Het hof oordeelt als volgt. Op zichzelf staat niet ter discussie dat [geïntimeerde sub 2] de voormelde bedragen heeft overgemaakt naar een bankrekening van [X] . Echter, [geïntimeerde sub 2] heeft in de inleidende dagvaarding onweersproken gesteld dat [appellant] om de lening heeft gevraagd. [appellant] had daarbij ook een eigen belang omdat hij toen – ondanks zijn echtscheiding – nog bij [X] woonde en met het geleende geld onder meer de huur moest worden betaald. Bovendien blijkt uit de door [geïntimeerde sub 2] in eerste aanleg overgelegde (ongedateerde) WhatsApp berichten van [appellant] dat deze zich ter zake als (mede)schuldenaar beschouwt. [appellant] spreekt in die berichten immers over geld dat hij (niet: [X] of: [X] en hij) binnen zal krijgen, wat dan aan [geïntimeerde sub 2] zal worden betaald. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat [geïntimeerde sub 2] de gelden niet alleen aan [X] , maar ook aan [geïntimeerde sub 2] heeft uitgeleend. Omdat niet is gesteld of gebleken dat partijen hoofdelijkheid zijn overeengekomen, bestaat voor het aannemen van de door [geïntimeerde sub 2] gestelde hoofdelijkheid evenwel geen grond. De vordering van € 7.300,00 (€ 2.500,00 en € 4.800,00) is daarom terecht toegewezen tot een bedrag van € 3.650,00, met rente, maar het meerdere is dus ten onrechte toegewezen en zal [geïntimeerde sub 2] daarom alsnog worden ontzegd. Dit strookt overigens met het feit dat de kantonrechter bij vonnis van 2 april 2020 in de onder 2.4 bedoelde procedure tussen [geïntimeerde sub 2] en [X] , waarin [geïntimeerde sub 2] eveneens de betaling van € 7.300,00 wegens de onderhavige geldlening had gevorderd, [X] (slechts) tot de helft daarvan heeft veroordeeld, daartoe overwegende dat [geïntimeerde sub 2] niets heeft aangevoerd waaruit zou volgen dat [X] hoofdelijk verbonden is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De slotsom van het voorgaande is dat de grief gedeeltelijk slaagt en voor het overige faalt. Het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen [geïntimeerde sub 2] en [appellant] zal worden vernietigd, voor zover daarbij meer is toegewezen dan € 4.844,00 (de som van € 3.650,00 en € 1.194,00), met rente, en dit meerdere zal alsnog worden afgewezen. Voor het overige zal het bestreden vonnis, voor zover tussen [geïntimeerde sub 2] en [appellant] gewezen, afgezien van de proceskosten waarover in het kader van grief V zal worden geoordeeld, worden bekrachtigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De vordering van Armaere</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Met <emphasis role="underline">grief III</emphasis> betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van Armaere heeft toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>In eerste aanleg heeft Armaere aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht van [appellant] , die zei als gemachtigde van [geïntimeerde sub 2] te handelen, kosten heeft gemaakt ten belope van het gevorderde bedrag wegens werkzaamheden voor [geïntimeerde sub 2] in het kader van diens – onder 2.4 genoemde – procedure tegen [X] en dat [appellant] daarom deze kosten heeft te voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>
        [appellant] voert hiertegen in hoger beroep aan dat [geïntimeerde sub 2] hem als gemachtigde heeft ingeschakeld om het door hem ( [geïntimeerde sub 2] ) aan [X] uitgeleende geld terug te vorderen en dat [geïntimeerde sub 2] dan ook de kosten hiervan heeft te dragen. Armaere heeft, zo stelt [appellant] , de verkeerde persoon tot betaling van de door haar gemaakte kosten aangesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Het hof wijst dit betoogt van de hand. Het moge zo zijn dat [appellant] zich bij Armaere heeft gepresenteerd als de gemachtigde van [geïntimeerde sub 2] , niet gesteld of gebleken is dat hij Armaere tevens heeft duidelijk gemaakt dat niet hij maar [geïntimeerde sub 2] als opdrachtgever van de aan Armaere verleende opdracht tot rechtsbijstand zou hebben te gelden en dat Armaere de kosten voor de uitvoering van deze opdracht (dan ook) bij [geïntimeerde sub 2] in rekening diende te brengen. Verder is het hof niet gebleken dat [appellant] heeft geprotesteerd tegen de facturen die Armaere bij hem in rekening heeft gebracht. Om die reden is [appellant] opgetreden (niet als onmiddellijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde sub 2] maar) als contractuele wederpartij van Armaere, althans mocht Armaere er gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit het geval was. [appellant] heeft de hoogte van de vordering niet betwist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>De conclusie is dat de grief faalt en dat het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen Armaere en [appellant] , zal worden bekrachtigd, afgezien van de proceskosten waarover aanstonds zal worden geoordeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grief V</emphasis> houdt in dat de kantonrechter [appellant] ten onrechte in de proceskosten van Armaere en [geïntimeerde sub 2] heeft veroordeeld. De grief faalt, omdat uit de voorgaande bespreking van de grieven volgt dat [appellant] in eerste aanleg terecht als de (naar thans wordt geoordeeld: grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten is veroordeeld. Hierbij moet nog worden bedacht dat Armaere en [geïntimeerde sub 2] in eerste aanleg gezamenlijk procedeerden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>In hoger beroep zal [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van Armaere. De kosten tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 2] zullen worden gecompenseerd omdat die partijen over en weer ten dele in het ongelijk worden gesteld.   </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarbij aan [geïntimeerde sub 2] meer is toegewezen dan een bedrag van € 4.844,00, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.250,00 vanaf 26 mei 2019, over € 2.400,00 vanaf 26 juli 2019 en over € 1.194,00 vanaf 17 september 2019, telkens tot de voldoening, en ontzegt [geïntimeerde sub 2] dat meer gevorderde;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het bestreden vonnis voor al het overige;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Armaere, tot op heden begroot op € 760,00 wegens verschotten, € 787,00 wegens salaris van de advocaat en € 163,00 wegens nasalaris, te vermeerderen met € 85,00 wegens nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de veertiende dag na dit arrest;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van het hoger beroep tussen [appellant] en [geïntimeerde sub 2] aldus dat partijen ieder de eigen kosten dragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C.A.H.M. ten Dam en T.S. Pieters en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>