<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2021:2924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-12T12:34:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23-003827-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:2924">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2021:2924</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-12T12:29:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2021:2924 Gerechtshof Amsterdam , 15-09-2021 / 23-003827-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2021:2924:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming. Dossier bevatte een transactieberekening en een kasopstelling. Motivering voor keuze kasopstelling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2021:2924:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling strafrecht</para>
      <para>Parketnummer: 23-003827-18 </para>
      <para>Datum uitspraak: 15 september 2021 </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">TEGENSPRAAK </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 oktober 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-810021-15 tegen de betrokkene</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963, </para>
      <para>adres: [adres].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 173.224,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 oktober 2018 veroordeeld ter zake van - voor zover relevant - opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 18 oktober 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 134.184,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 mei 2021 wederom veroordeeld ter zake van en voor zover relevant opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Onderzoek van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van </para>
      <para>17 mei 2021, 1 september 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsman naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vonnis waarvan beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Grondslag van de ontneming </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene is bij arrest van dit hof van 31 mei 2021 onder parketnummer 23-003826-18 veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Het hof heeft in de strafzaak bewezenverklaard dat de betrokkene in de periode van 21 augustus 2012 tot en met 19 januari 2015, ongeveer 32 hennepplanten heeft geteeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van vorenstaande kan de betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van het in de strafzaak bewezenverklaarde feit en door andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. De grondslag voor de ontneming is aldus artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de advocaat-generaal</emphasis>
      </para>
      <para>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 116.544,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De advocaat-generaal baseert haar standpunt op de kasopstelling uit het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van verbalisant [verbalisant] van <?linebreak?>21 juli 2015, met dien verstande dat zij bij legale contante ontvangsten een bedrag van € 56.980,00 heeft opgeteld dat de betrokkene zou hebben ontvangen met ‘zwarte’ werkzaamheden. </para>
      <para>Subsidiair, voor zover het wederrechtelijk verkregen voordeel niet op basis van de (eenvoudige) kasopstelling berekend kan worden, dient te worden uitgegaan van een transactieberekening. De advocaat-generaal heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een transactieberekening gewaardeerd op € 90.309,00</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de berekening die door de betrokkene zelf is opgesteld, gevolgd moet worden. De betrokkene heeft aan de hand van het rapport van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) een eigen transactieberekening gemaakt. Betrokkene heeft wiet verbouwd. Daarvan maakte hij wietolie voor medicinaal gebruik en een deel van de oogst verkocht hij. Betrokkene heeft in zijn eigen berekening ook aangegeven waarmee hij verder geld verdiende. Zo heeft hij een aantal jaren inkomsten gehad door bij montagebedrijf [bedrijf] te klussen, wiet te verkopen, het zelfstandig plaatsen van keukens, werkzaamheden in showrooms en de speculatie in goud, zilver en valuta. De betrokkene heeft stukken overgelegd om deze inkomsten te onderbouwen en daarmee heeft hij zijn legale inkomsten aannemelijk gemaakt. Verder heeft de verdediging in hoger beroep twee rapporten – te weten een opbrengstberekening en een beoordeling van de ontnemingsvordering – opgesteld door Van Roode fiscale en administratieve dienstverlening, overgelegd. Uit de beoordeling van de ontnemingsvordering van 24 juni 2021 volgt dat het redelijk is om aan te nemen dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel niet meer betreft dan € 23.848,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van het hof</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel </emphasis>
      </para>
      <para>Ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan het volgende worden vooropgesteld. Mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Aan de ontnemingswetgeving ligt ten grondslag dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zo nauwkeurig mogelijk moet plaatsvinden. Het hof dient zich bij de schatting van het voordeel aldus niet te laten leiden door de vraag welke methode leidt tot de voor de betrokkene meest gunstige uitkomst, maar door de vraag op welke wijze het wederrechtelijk verkregen voordeel zo nauwkeurig mogelijk kan worden geschat.</para>
      <para>Op basis van de kasopstelling staat vast dat de betrokkene uitgaven heeft gedaan en geld heeft opgenomen tot een hoger bedrag dan door het bedrag van de transactieberekening kan worden verklaard en de kasopstelling geeft zodoende een vollediger beeld van het inkomsten- en uitgavenpatroon van de betrokkene in de onderzoeksperiode dan de transactieberekening (enkel) gebaseerd op de aangetroffen hennepkwekerij. Het hof zal daarom bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van de kasopstelling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, evenals de advocaat-generaal, grotendeels uitgaan van de kasopstelling uit het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van 21 juli 2015, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Legale contante ontvangsten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- [bedrijf]</para>
    <para>De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 2005 tot en met 2011 inkomsten en ‘schenkingen’ heeft ontvangen voor zijn gestelde werkzaamheden bij montagebedrijf [bedrijf]. Het hof schat dit bedrag op € 56.980,00. </para>
    <para>- Zelfstandig klussen en werkzaamheden showrooms</para>
    <parablock>
      <para>De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat de betrokkene ontvangsten heeft gehad uit het plaatsen van keukens en werkzaamheden in showrooms. Het hof schat deze ontvangsten op </para>
      <para>€ 10.000,00 respectievelijk € 15.000,00. </para>
    </parablock>
    <para>- Geldopnames </para>
    <parablock>
      <para>Uit het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel volgt dat de betrokkene geld heeft opgenomen bij de ABN AMRO ter hoogte van € 2.110,00 en bij de ING ter hoogte van </para>
      <para>€ 38.759,00. Van deze opnames was ten tijde van de doorzoeking nog € 2.726,00 beschikbaar.<footnote-ref linkend="_c8b605e7-0856-46bd-a3ad-30f307557729" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof merkt ten aanzien van de ontvangsten van [bedrijf] en uit het zelfstandig klussen en werkzaamheden in showrooms op dat dit ‘zwarte’ inkomsten betreft, nu de betrokkene deze geldbedragen niet bij de Belastingdienst heeft opgegeven en er dus geen belasting over heeft betaald. Om deze bedragen als legale contante inkomsten in de kasopstelling mee te nemen, dient hierop de vermoedelijk verschuldigde belasting in mindering te worden gebracht. Nu hier geen verdere gegevens over bekend zijn, schat het hof het percentage dat aan belasting betaald zou moeten worden op 35%. Dat betekent dat het hof rekening zal houden met 65% van de bedragen als zijnde legale inkomsten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten overvloede merkt het hof op dat noch uit de stukken in het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de betrokkene ondernemer is, zodat  geen rekening hoeft te worden gehouden met de ondernemersfaciliteiten van de wet Inkomstenbelasting. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Berekening legale contante ontvangsten: </para>
      <para>Geldopname ABN AMRO 				€   2.110,00<footnote-ref linkend="_11ae02a5-e745-4d39-8fdd-724388a20701" /></para>
      <para>Geldopname ING 					€ 38.759,00<footnote-ref linkend="_888691bb-5d07-4788-be33-2fa563b91262" /></para>
      <para>Eindsaldo (aantreffen contanten)			€   2.726,00<footnote-ref linkend="_ffef3726-9a52-4c71-abea-4c2b43b42b59" /></para>
      <para>
        [bedrijf]  		(€ 56.980,00 x 65% =) 	€ 37.037,00</para>
      <para>Zelfstandig klussen 		(€ 10.000,00 x 65% =)	€   6.500,00</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Werkzaamheden showrooms	(€ 15.000,00 x 65% =)	€   9.750,00</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">Beschikbaar voor uitgaven				€ 96.882,00</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de verklaring van de betrokkene dat hij ontvangsten heeft gehad uit de speculatie van goud, zilver en valuta, is het hof van oordeel dat de betrokkene dit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van de speculatie in goud en zilver heeft de verdachte enkel stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij af en toe heeft ingekocht. Het dossier bevat geen stukken waaruit volgt dat de betrokkene goud en zilver heeft verkocht, dan wel anderszins daarin heeft gehandeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de opbrengsten van de wietkwekerij overweegt het hof dat dit illegale inkomsten betreffen en de bedragen reeds om die reden niet meegenomen  worden bij de legale inkomsten in de kasopstelling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feitelijke contante uitgaven</emphasis>
      </para>
      <para>Contante storting ABN AMRO 				€   74.115,00<footnote-ref linkend="_d0cba8f8-cdfa-48ba-a724-5470aefe29cf" /></para>
      <para>Contante storting ING					€   81.823,00<footnote-ref linkend="_c133a5de-03a3-493f-b04d-585f5a7b445a" /></para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Contante uitgaven (IBN facturen) 			€   55.429,00</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_bab3fd79-d723-4ba4-9426-06e8ca93d539" />
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feitelijke contante uitgaven				€ 211.367,00</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
      <para>Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene komt daarmee op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>€ 211.367,00 - € 96.882,00 =  <emphasis role="bold">€ 114.485,00</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verplichting tot betaling aan de Staat</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft geconstateerd dat bij behandeling van deze zaak in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Gelet daarop zal het hof een bedrag van € 5.000,00 in mindering brengen op de betalingsverplichting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 109.485,00</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijk wettelijk voorschrift</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 114.485,00 (honderdveertienduizend vierhonderdvijfentachtig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 109.485,00 (honderdnegenduizend vierhonderdvijfentachtig euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. N.A. Schimmel en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van </para>
      <para>15 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier en mr. M. Lolkema zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c8b605e7-0856-46bd-a3ad-30f307557729" label="1">
    <para> Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 juli 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (hierna: het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel), p. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_11ae02a5-e745-4d39-8fdd-724388a20701" label="2">
    <para> Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 6. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_888691bb-5d07-4788-be33-2fa563b91262" label="3">
    <para> Idem. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ffef3726-9a52-4c71-abea-4c2b43b42b59" label="4">
    <para> Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, p. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0cba8f8-cdfa-48ba-a724-5470aefe29cf" label="5">
    <para> Idem.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c133a5de-03a3-493f-b04d-585f5a7b445a" label="6">
    <para> Idem.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bab3fd79-d723-4ba4-9426-06e8ca93d539" label="7">
    <para> Idem. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>