<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2020:4143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-16T13:47:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.272.626</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:4143">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:4143</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-16T13:45:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2020:4143 Gerechtshof Amsterdam , 17-03-2020 / 200.272.626</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2020:4143:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>faillissementsrecht” “hoger beroep gerechtshof Amsterdam</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2020:4143:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold underline">arrest </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer zaaknummer rechtbank</para>
      <para>: 200.272.626/01</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>: C/13/19/370-F</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [appellant 3] ,</title>
    <parablock>
      <para>gevestigd te [plaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten);</para>
      <para>2. <emphasis role="bold">[appellant 1] ,</emphasis></para>
      <para>wonende te [plaats 1] (Verenigde Arabische Emiraten), appellanten,</para>
      <para>advocaten: mrs. J. van Bekkum en G.C. Berkhout te Amsterdam, tegen</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [geïntimeerde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in [plaats 2] , geïntimeerde,</para>
      <para>advocaat: mr. S.K. Tuithofte Haarlem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten wordt hierna [appellanten] genoemd, dan wel ieder afzonderlijk aangeduid als [appellant 3] en [appellant 1] . Geïntimeerde wordt [geïntimeerde] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellanten] zijn bij op 16 januari 2020 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2020, waarbij het door [geïntimeerde] ingestelde verzet gegrond is verklaard en het door de rechtbank op 12 november 2019 gewezen vonnis, waarbij [geïntimeerde] in staat van faillissement is verklaard, is vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep is behandeld ter zitting van het hof van 10 maart 2020. Bij die behandeling is mede namens [appellant 3] verschenen [appellant 1] , bijgestaan door mrs. Van Bekkum en Berkhout, voornoemd, die het beroepschrift nader mondeling hebben toegelicht. [geïntimeerde] is, hoewel daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen via zijn advocaat en zonder verdere opgave van redenen, niet ter zitting in hoger beroep verschenen. Namens [geïntimeerde] is verschenen mr.</para>
      <para>Tuithof, die zijn standpunt nader heeft toegelicht aan de hand van de aan het hof overgelegde pleitnota.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, met bijlagen (genummerd 1 tot en met 39), het dossier van de rechtbank waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, de door [appellanten] bij brief van 6 maart 2020 ingediende nadere stukken (bijlagen genummerd 40 en 41), en de door [geïntimeerde] bij brief van 9 maart 2020 ingediende nadere stukken (producties 1 tot en met 3).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is - kort samengevat - het volgende gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [appellanten] hebben op 11 oktober 2019 een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van [geïntimeerde] bij de rechtbank Amsterdam ingediend. Blijkens het verzoekschrift hebben [appellanten] aan hun verzoek meerdere opeisbare vorderingen ten grondslag gelegd, waaronder een vordering van€ 30.000,- ingevolge een onverschuldigd betaald voorschot en een vordering van€ 5.800.000,- uit hoofde van de gestelde schendingen van geheimhoudingsafspraken (beide vorderingen nog te vermeerderen met rente en kosten). Volgens [appellanten] vloeien beide vorderingen voort uit de met [geïntimeerde] op 31 augustus 2017 gesloten en inmiddels beëindigde overeenkomst (hierna: de overeenkomst) om tegen betaling van een vergoeding bepaalde werkzaamheden ten behoeve van [appellant 3] te verrichten. Daarnaast laat [geïntimeerde] diverse vorderingen van andere schuldeisers uit hoofde van proceskostenveroordelingen onbetaald, aldus [appellanten] Bij vonnis van 12 november 2019 heeft de rechtbank op verzoek van [appellanten] het faillissement van [geïntimeerde] uitgesproken en daartoe geoordeeld dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [appellanten] , alsmede dat er feiten en omstandigheden aanwezig zijn die aantonen dat [geïntimeerde] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. [geïntimeerde] is van dit vonnis in verzet gekomen bij verzoekschrift van 22 november 2019. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank het door [geïntimeerde] ingestelde verzet gegrond verklaard en het vonnis van 12 november 2019 vernietigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ter zitting in hoger beroep heeft [geïntimeerde] de vorderingen van [appellanten] gemotiveerd betwist en daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Hij is niet gehouden het door hem ontvangen voorschot ten bedrage van€ 30.000,- terug te betalen. [appellanten] hebben geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat [geïntimeerde] in dit verband een (terug)betalingsverplichting heeft. Voor zover hij die (terug)betalingsverplichting wel zou hebben, dan heeft [geïntimeerde] uit hoofde van voornoemde overeenkomst een tegenvordering op [appellanten] van€ 405.000,-. [geïntimeerde] meent dat het onderhavige - zakelijke - geschil·met [appellanten] en de in dit verband over en weer gestelde vorderingen in een nader aanhangig te maken bodemprocedure dienen te worden beslecht. De door [appellanten] gestelde vordering op [geïntimeerde] ter zake het ontvangen voorschot wordt betwist en staat niet summierlijk vast. Volgens [geïntimeerde] is de vordering uit hoofde van de schending van de geheimhoudingsplicht van€ 5.800.000,- eveneens niet nader onderbouwd en blijkt deze ook overigens nergens uit. [geïntimeerde] betwist dat hij bepaalde geheimhoudingsafspraken zou hebben geschonden, als hij daaraan al gebonden zou zijn. Anders dan [appellanten] hebben gesteld heeft de rechtbank in het bestreden vonnis terecht geoordeeld dat de proceskostenveroordelingen zijn voldaan waardoor [appellanten] geen vorderingsrecht (meer) hebben, aldus [geïntimeerde] . Volgens [geïntimeerde] verkeert hij hoe dan ook niet in een toestand waarin hij is opgehouden te betalen en meerdere schulden onbetaald laat. [appellanten] hebben geen vorderingen (meer) op [geïntimeerde] die summierlijk zijn komen vast te staan. Daarnaast hebben zij geen rechtmatig belang, zodat het verzoek tot - naar het hof begrijpt - vernietiging van het bestreden vonnis afgewezen dient te worden, aldus steeds [geïntimeerde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Vooropgesteld wordt dat de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Indien sprake is van een aanvraag tot faillietverklaring, dient tevens summierlijk te blijken van het vorderingsrecht van de aanvrager.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [geïntimeerde] heeft de vorderingen van [appellanten] gemotiveerd betwist. Niet kan worden uitgesloten dat [geïntimeerde] wegens schending(en) van het geheimhoudingsbeding uit de overeenkomst van 31 augustus 2017 een boete/boetes aan [appellant 3] is verschuldigd. De hoogte van een dergelijke vordering kan evenwel niet summierlijk worden vastgesteld en is ongewis. [geïntimeerde] heeft gesteld een tegenvordering op [appellant 3] te hebben, waarvan niet summierlijk kan worden vastgesteld dat deze ondeugdelijk is. Dit alles maakt dat niet summierlijk worden vastgesteld dat sprake is van een vordering van [appellant 3] uit hoofde van schending van het geheimhoudingsbeding. De overige vorderingen van [appellanten] zijn in het kader van de onderhavige (faillissements)procedure onvoldoende bepaald om vast te kunnen stellen dat van het bestaan en de hoogte van (één van) die vorderingen summierlijk is gebleken. Zonder een nader onderzoek naar de feiten, waarvoor in dit geding geen plaats is, kan de ongegrondheid van het verweer van [geïntimeerde] tegen deze vorderingen niet summierlijk worden vastgesteld. Dit brengt met zich dat niet kan worden gezegd dat summierlijk is gebleken een vorderingsrecht van [appellanten] Reeds om die reden is voor faillietverklaring van [geïntimeerde] geen plaats.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt ertoe dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. Voor een proceskostenveroordeling als door [appellanten] verzocht ziet het hof geen aanleiding. •</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.H. Melissen, M.L.D. Akkaya en A.P. Wess openbaar uitgesproken op 17 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffi._.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>