<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2020:2128</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-11T11:19:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">200.242.658/01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHAMS:2019:4178" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:4178</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:2128">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:2128</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-11T11:19:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2020:2128 Gerechtshof Amsterdam , 14-07-2020 / 200.242.658/01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2020:2128:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bruidsgave Turkije. Stelplicht en bewijslast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2020:2128:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling civiel recht en belastingrecht</para>
      <para>Team III (familie- en jeugdrecht)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak:	14 juli 2020</para>
      <para>Zaaknummer:			200.242.658/01 </para>
      <para>Zaaknummers eerste aanleg:	C/13/639448 / FA RK 17-7929 (LH/JE) en </para>
      <para>C/13/642974 / FA RK 18-725 (LH/JE)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak in hoger beroep van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de man] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker in hoger beroep,</para>
      <para>hierna:  de man,</para>
      <para>advocaat: mr. S. Süzen te Rotterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vrouw] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerster in hoger beroep,</para>
      <para>hierna: de vrouw</para>
      <para>advocaat: mr. B.J. den Hartog te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het voortgezet geding in hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij tussenbeschikking van 12 november 2019 heeft het hof de vrouw in de gelegenheid gesteld uiterlijk 10 december 2019 een verklaring van de imam over te leggen en de man in de gelegenheid gesteld om vervolgens op die verklaring te reageren, uiterlijk 7 januari 2020.  Het hof heeft in afwachting daarvan iedere beslissing aangehouden. Partijen hebben hierop  niet gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het hof heeft bij brief van 16 maart 2020 aan partijen bericht dat, nu het hof van geen van beide partijen iets heeft vernomen, het hof er vanuit gaat dat partijen thans een eindbeschikking wensen en dat indien het hof niet uiterlijk 21 april 2020 een reactie heeft ontvangen op voornoemde brief van 16 maart 2020, het hof een datum voor eindbeschikking zal bepalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ook op de brief van 16 maart 2020 hebben partijen niet gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De datum voor eindbeschikking is bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij voornoemde tussenbeschikking heeft het hof onder meer als volgt geoordeeld:</para>
        <para>	“<emphasis role="italic">4.4 Het primaire verweer van de vrouw faalt, nu geen rechtsregel verbiedt dat appellant zich in hoger beroep in zijn grieven inhoudelijk op dezelfde standpunten stelt als in eerste aanleg, indien die standpunten door de rechter in eerste aanleg niet zijn gehonoreerd. </emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5 (…)</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">de vraag of tussen partijen een dergelijke afspraak </emphasis>(hof: betreffende de bruidsgave)<emphasis role="italic"> tot stand is gekomen dient te worden beoordeeld naar Nederlands recht. </emphasis></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De vrouw dient haar stelling dat tussen partijen een overeenkomst tot betaling door de man van de bruidsgave van € 10.000,- tot stand is gekomen voldoende te onderbouwen en zo nodig te bewijzen, nu de man heeft betwist dat deze overeenkomst is gesloten. (…) Gelet op het voorgaande heeft de man de stellingen van de vrouw voldoende gemotiveerd betwist. Het is thans aan de vrouw om bewijs te leveren. In eerste aanleg heeft zij een bewijsaanbod gedaan, bestaande uit het horen van getuigen. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij nu zij dit onvoldoende heeft gespecificeerd. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aangeboden dat de imam een verklaring afgeeft. (…) Het hof beschouwt het aanbod van de vrouw als een aanbod tot schriftelijke bewijslevering (…) en stelt de vrouw in de gelegenheid tot het overleggen van een verklaring van de imam.</emphasis>” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen op voorgaande bindende eindbeslissingen. Derhalve dienen zij het hof als uitgangspunt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft haar stelling dat tussen partijen een overeenkomst tot betaling door de man van de bruidsgave van € 10.000,- tot stand is gekomen niet bewezen. Het hof heeft reeds bij tussenbeschikking geoordeeld dat zal worden voorbijgegaan aan haar bewijsaanbod tot het horen van getuigen. Ook overigens heeft zij onvoldoende nader bewijs geleverd. De vrouw heeft, ondanks dat het hof haar daartoe bij tussenbeschikking in de gelegenheid heeft gesteld, geen (nadere) verklaring van de imam overgelegd. Ook de stukken die de vrouw bij beroepsschrift heeft overgelegd, kunnen niet tot de conclusie leiden dat de vrouw haar stelling voldoende heeft bewezen. Over die stukken heeft het hof bij tussenbeschikking in rechtsoverweging 4.6 immers als volgt geoordeeld:</para>
        <para>	“<emphasis role="italic">Uit de tekst van de verklaring van de imam kan op zichzelf niet de door de vrouw gestelde overeenkomst worden afgeleid. De verklaring is alleen door de imam getekend en niet door partijen. De man heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van de verklaring. Ook uit de bewoordingen van de verklaring volgt nog niet onomstotelijk dat de door de vrouw gestelde afspraak daadwerkelijk tot stand is gekomen. Beide partijen hebben een verklaring van hun zus respectievelijk broer overgelegd, die in hun verklaringen het tegenovergestelde verklaren.</emphasis>” </para>
        <para>	De verklaringen van de man zoals vastgelegd in de processen-verbaal van de zitting in eerste aanleg achtte het hof niet eenduidig, maar het hof heeft ook vastgesteld dat de man in hoger beroep het bestaan van de afspraak stellig heeft ontkend.  </para>
        <para>	Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat toereikend bewijs voor de stelling van de vrouw ontbreekt. Derhalve is niet komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst tot betaling door de man van de bruidsgave van € 10.000,- tot stand is gekomen. De grief van de man slaagt derhalve.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	Het hof zal de beschikking vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de man uit hoofde van de bruidsgave aan de vrouw een bedrag van € 10.000,- dient te betalen en het verzoek van de vrouw  alsnog afwijzen. De rechtbank heeft terecht de proceskosten tussen partijen gecompenseerd gelet op de aard van de procedure. Het hof zal in hoger beroep eveneens de proceskosten compenseren gelet op de voormalige relatie tussen partijen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin de rechtbank heeft bepaald dat de man uit hoofde van de bruidsgave aan de vrouw een bedrag van € 10.000,- dient te betalen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 10.000,- dient te betalen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders verzochte af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. C.M.J. Peters en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 14 juli 2020 uitgesproken door de voorzitter.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>