<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:GHAMS:2020:1954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-25T18:26:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Gerechtshof_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Gerechtshof Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">K19/230363</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1954">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1954</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-15T13:31:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:GHAMS:2020:1954 Gerechtshof Amsterdam , 13-07-2020 / K19/230363</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:GHAMS:2020:1954:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beklag ex. artikel 12 Sv. ter zake van smaad/laster afgewezen. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende belang is om de zaak aan de strafrechter voor te leggen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:GHAMS:2020:1954:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHTSHOF AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEKLAGKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het beklag met het rekestnummer K19/230363 van</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [klager]
        </emphasis>,</para>
      <para>klager,</para>
      <para>woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn gemachtigde: mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het beklag</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft op 13 augustus 2019 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen <emphasis role="bold">[beklaagde] </emphasis>(hierna: beklaagde) ter zake van smaad(schrift)/laster/belediging.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verslag van de advocaat-generaal</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij verslag van 17 december 2019 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorhanden stukken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft kennisgenomen van:</para>
      <para>- het klaagschrift en de aanvulling daarop;</para>
      <para>- het verslag van de advocaat-generaal;</para>
      <para>- het dossier van de politie; </para>
      <para>- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland van 7 november 2019; </para>
      <para>- de op 3 februari 2020 bij het gerechtshof binnengekomen reactie van klager op het ambtsbericht en het verslag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De behandeling in raadkamer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 3 juni 2020 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door zijn advocaat, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft het hof beklaagde in de gelegenheid gesteld op 3 juni 2020 op een ander tijdstip te worden gehoord. Beklaagde en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling van het beklag</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager heeft op 20 september 2017 aangifte gedaan van smaad/laster in de periode van </para>
      <para>8 tot en met 20 september 2017. Op 10 februari 2020 is de aangifte aangevuld met belediging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de aangifte door de officier van justitie voorafgaand aan het sepot heeft lang geduurd en is bepaald niet soepel verlopen. Hierover is een klacht ingediend bij de hoofdofficier van justitie en die is gegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de weergave van de feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het ambtsbericht en het verslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De overwegingen van het hof</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Smaad(schrift), laster en belediging zijn zogeheten uitingsdelicten. Of veroordeling daarvoor mogelijk is, zou van de strafrechter een afweging vereisen van enerzijds het recht van klager op bescherming van zijn goede naam, en anderzijds het grondrecht op vrije meningsuiting. Zeker waar het gaat om kritiek op het functioneren van een publiek persoon, met betrekking tot de uitoefening van zijn openbare taak, kunnen meningsuitingen rekenen op een ruime mate van bescherming op grond van, onder meer, artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Of het in deze zaak tot een veroordeling zou kunnen komen kan in het midden worden gelaten. Het strafrecht is immers een uiterste middel ter handhaving van de rechtsorde en dient slechts ingezet te worden indien het algemeen belang dat vereist. Het hof is, anders dan klager, van oordeel dat er onvoldoende belang is om de zaak aan de strafrechter voor te leggen. Daarbij weegt het volgende mee:</para>
      <para>- Het feit heeft al bijna drie jaar geleden plaatsgevonden.</para>
      <para>- Beklaagde heeft in een e-mail aan klager in oktober 2017 toegelicht dat hij boos was op klager als bestuurder, niet als mens, en dat het dus ook niet zijn bedoeling was geweest om klager als persoon te raken, maar als medeverantwoordelijk bestuurder.</para>
      <para>- Beklaagde is naar aanleiding van klagers aangifte als verdachte gehoord door de politie; bij die gelegenheid heeft hij op soortgelijke wijze zijn handelen toegelicht.</para>
      <para>- Beklaagde heeft op 25 januari 2019 aan klager excuses aangeboden:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">		“Beste mijnheer [klager]. Ik had het woord oplichter niet in mijn mond moeten 		nemen. Deze woorden waren niet op zijn plaats. Ik neem ze derhalve terug en 		bied mijn excuus aan voor het door die woorden bij u veroorzaakte leed.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat klager niet overtuigd is van de oprechtheid van de excuses, onder meer omdat beklaagde weigert om de gewraakte tweet te verwijderen, maakt deze afweging niet anders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof zal daarom als volgt beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hof wijst het beklag af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op </para>
      <para>13 juli 2020 door mrs. N. van der Wijngaart, voorzitter, I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en P.C. Kortenhorst, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.K. van Eck, griffier, en bij afwezigheid van de voorzitter en de griffier, ondertekend door de jongste raadsheer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>